Izak bij de koning der Filistijnen
Izak woont in Gerar en wordt rijk aan kudden. De Filistijnen benijden hem en stoppen de putten die de knechten van Abraham hadden gegraven.
Pelesjet (Hebreeuws פְּלֶשֶׁת) is het land, Pelisjtim (פְּלִשְׁתִּים) het volk. Wat de naam oorspronkelijk betekent, is onzeker. Via het Grieks werd de naam later Palaistinē, waarvan het woord Palestina komt.
Filistea was het kustland van de Filistijnen in het zuidwesten van Kanaän, met de vijf vorstensteden Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron (Jozua 13:3). Van Simson tot David waren de Filistijnen Israëls voornaamste vijanden in het westen. De Statenvertaling noemt het land soms Palestina (Exodus 15:14).
Ook bekend als: land der Filistijnen, Filistijnenland, Palestina, landstreek der zee, Pelesjet
Filistea lag in de kustvlakte aan de Middellandse Zee, ten zuidwesten van het heuvelland van Juda. Het liep ruwweg van de Sichor aan de grens van Egypte, ten zuiden van Gaza, tot Ekron in het noorden (Jozua 13:3). Tussen de kust en het bergland van Juda lag de Sefela, de lage heuvelstrook die steeds weer het strijdtoneel was. Langs de kust liep de oude handelsweg van Egypte naar het noorden, de weg die Exodus 13:17 de weg van het land der Filistijnen noemt.
Het gebied ligt nu in het zuiden van de Israëlische kustvlakte en in de Gazastrook. De vijf steden zijn met grote zekerheid aan te wijzen: Asdod en Askelon aan de kust bij de gelijknamige moderne steden, Ekron in Tel Miqne, Gath in Tell es-Safi, en Gaza onder de huidige stad Gaza. Opgravingen in Asdod, Askelon, Ekron en Gath hebben een eigen Filistijnse cultuur blootgelegd.
Izak woont in Gerar en wordt rijk aan kudden. De Filistijnen benijden hem en stoppen de putten die de knechten van Abraham hadden gegraven.
Bij de uittocht leidt God Israël niet langs de kortere kustweg door het land der Filistijnen, opdat het volk bij het zien van de strijd niet naar Egypte terugkeert.
Aan het einde van Jozua’s leven is het land van de vijf vorsten der Filistijnen nog niet ingenomen: Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron.
De vorsten der Filistijnen vieren in Gaza een feest voor Dagon. Simson trekt de middelste pilaren om, en het huis valt op de vorsten en het volk.
De Filistijnen verslaan Israël, nemen de ark van God en doden Hofni en Pinehas, de zonen van Eli.
In Asdod valt het beeld van Dagon voor de ark ter aarde, en de hand des HEEREN slaat de stad. De ark wordt naar Gath en Ekron gebracht, met dezelfde gevolgen.
Terwijl Samuël offert, vallen de Filistijnen aan. De HEERE verschrikt hen met een grote donder. De Filistijnen worden vernederd en komen niet meer in het gebied van Israël; de hand des HEEREN is tegen hen al de dagen van Samuël.
Op de vlucht voor Saul woont David een jaar en vier maanden in het land der Filistijnen en krijgt hij van Achis de stad Ziklag.
Na Davids zalving tot koning over heel Israël trekken de Filistijnen op. David vraagt de HEERE en verslaat hen twee keer, van Geba tot Gezer.
Amos kondigt het oordeel aan over Gaza, Asdod, Askelon en Ekron; Gaza heeft Gods volk weggevoerd om het aan Edom over te leveren.
De volgende bijbelgedeelten helpen u om de rol van Filistea in de Schrift beter te begrijpen.
Het land der Filistijnen lag in de zuidelijke kustvlakte van Kanaän, aan de Middellandse Zee, tussen de grens van Egypte ten zuiden van Gaza en Ekron in het noorden. Landinwaarts grensde het aan de Sefela, het heuvelland dat naar Juda oploopt. Nu ligt dit gebied in het zuiden van de Israëlische kustvlakte en in de Gazastrook.
In het Hebreeuws heten de Filistijnen Pelisjtim en hun land Pelesjet. Wat die naam oorspronkelijk betekent, is niet met zekerheid bekend; verklaringen als vreemdelingen of zwervers zijn gissingen. Zeker is dat de Griekse vorm van de naam, Palaistinē, de bron is van het latere woord Palestina.
De Bijbel zegt dat God de Filistijnen uit Kafthor heeft gevoerd (Amos 9:7) en noemt hen het overblijfsel des eilands van Kafthor (Jeremia 47:4). Kafthor wordt meestal met Kreta of het Egeïsche gebied verbonden. Veel geleerden zien hen als een van de zeevolken die rond 1200 voor Christus naar de oostkust van de Middellandse Zee kwamen. Hun aardewerk in Egeïsche stijl past daarbij, maar de precieze herkomst blijft onzeker.
Jozua 13:3 noemt vijf vorsten der Filistijnen: de Gazatiet, de Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en de Ekroniet. De vijf steden waren dus Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron. Bij de terugzending van de ark gaven de Filistijnen voor elk van deze steden een gouden speen als schuldoffer (1 Samuël 6:17). Asdod, Askelon, Gath en Ekron hebben op deze site een eigen pagina.
De Filistijnen komen voor van Genesis tot Zacharia, het meest in Richteren 13 tot 16 (Simson), 1 Samuël 4 tot 7 (de ark), 1 Samuël 13 tot 31 (Saul en David) en 2 Samuël 5 en 8. Daarna volgen 2 Koningen 18:8, 2 Kronieken 26 en 28, en profetieën in Jesaja 14, Jeremia 47, Ezechiël 25, Amos 1, Sefanja 2 en Zacharia 9.
Op enkele plaatsen gebruikt de Statenvertaling de naam Palestina voor het land der Filistijnen, zoals in Exodus 15:14, Psalm 60:10, Psalm 83:8, Jesaja 14:29 en Joël 3:4. Daarmee is steeds het kustland van de Filistijnen bedoeld, niet het hele land Israël. Het woord komt via het Grieks van de naam van de Filistijnen.
De Bijbel noemt Dagon, die een tempel had in Gaza en in Asdod (Richteren 16:23, 1 Samuël 5:2). De wapens van Saul werden gelegd in het huis van Astharoth (1 Samuël 31:10), en Ekron had een orakel van Baäl-Zebub, die koning Ahazia liet raadplegen (2 Koningen 1:2). Jesaja 2:6 noemt de Filistijnen bovendien bekend om hun waarzeggerij.
Genesis noemt Abimelech in Gerar de koning der Filistijnen (Genesis 26:1) en zegt dat Abraham als vreemdeling in hun land woonde (Genesis 21:34). Deze Filistijnen gedragen zich anders dan het krijgshaftige volk van de vijf steden later. Sommige uitleggers denken aan een vroegere groep uit hetzelfde gebied, anderen aan het gebruik van de latere naam voor de streek. Zeker uitmaken valt het niet.
Na eeuwen van wisselende macht kwamen de Filistijnse steden onder Assyrië en daarna onder Babylon. Aan het einde van de zevende eeuw voor Christus verwoestte Babylon onder meer Askelon, en daarna verdwijnen de Filistijnen als zelfstandig volk. Nehemia hoorde nog kinderen die half Asdodisch spraken (Nehemia 13:24). De profeten hadden dat einde aangekondigd.
De heuvels van de vijf steden zijn grotendeels bekend en voor een deel opgegraven. In Askelon, Asdod, Tel Miqne (Ekron) en Tell es-Safi (Gath) zijn stadsmuren, tempels, huizen en Filistijns aardewerk gevonden. In Ekron vond men een inscriptie met de namen van koningen van de stad. Het oude Gaza ligt onder de huidige stad en is weinig onderzocht.
Het volk niet meer, wel twee van hun steden. Een engel zendt de evangelist Filippus naar de weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, waar hij de kamerling uit Moorenland ontmoet (Handelingen 8:26). Daarna wordt Filippus gevonden te Azote, het oude Asdod, en predikt hij in alle steden tot Cesarea (Handelingen 8:40).
Gath
Gath is Tell es-Safi, in het Hebreeuws Tel Tsafit, in het midden van Israël; die identificatie is algemeen aanvaard
Asdod
De ligging is zeker
Ekron
De identificatie is algemeen aanvaard: Ekron is Tel Miqne, ook Khirbet el-Muqanna genoemd, in Israël
Askelon
De ligging is zeker
Gerar
Gerar wordt meestal gelijkgesteld met Tel Haror (Arabisch Tell Abu Hureira), een heuvel aan de beek Gerar in de westelijke Negev in Israël, tussen Gaza en Berseba
Beth-Semes
De ligging is zeker: Beth-Semes is Tel Beth Shemesh in Israël, een heuvel in het Sorekdal naast de moderne stad Beit Shemesh
Wilt u dieper ingaan op de geschiedenis, de bijbelteksten of de theologische betekenis van Filistea? Onze AI-assistent helpt u verder.
Terug naar het overzicht van bijbelse plaatsen.
Ontdek wie er leefden in Filistea.
Plaats Filistea in de bijbelse geschiedenis.
Lees de bijbelgedeelten over Filistea.
Uitleg bij bijbelgedeelten over Filistea.
Verken thema's die verbonden zijn met Filistea.