Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1020 v.Chr.

Goliath in de Bijbel

Goljat (גָּלְיָת, Hebreeuws) - “Betekenis onzeker”

Wie was Goliath?

Goliath was een Filistijnse kampvechter uit Gath. In het eikendal daagde hij Israël veertig dagen lang uit tot een tweegevecht en hoonde hij de slagorden van de levende God. De jonge David versloeg hem met een slinger en een steen en doodde hem met zijn eigen zwaard (1 Samuël 17:49-51).

Goliath komt in de Bijbel vooral voor in 1 Samuël 17. Daarna wordt hij nog genoemd wanneer de priester te Nob David zijn zwaard geeft (1 Samuël 21:9), wanneer Doeg dat aan Saul verraadt (1 Samuël 22:10) en in de lijsten van Filistijnse strijders uit Gath (2 Samuël 21:19 en 1 Kronieken 20:5). De Statenvertaling spelt zijn naam als Goliath, net als deze site, en noemt hem "Goliath, van Gath", "de Filistijn van Gath" of kortweg "den Filistijn". Hij wordt geïntroduceerd als "een kampvechter" (1 Samuël 17:4): een man die namens zijn leger in een tweegevecht trad. De verteller beschrijft hem uitvoerig, van zijn lengte tot het gewicht van zijn pantsier en de punt van zijn spies. Die nadruk is bewust. Alles wat zichtbaar is, spreekt in het voordeel van Goliath. Daarom zeggen ook zijn woorden zoveel: hij hoont niet alleen Saul en zijn knechten, hij hoont "de slagorden van den levenden God" (1 Samuël 17:26). De lijn van het verhaal is eenvoudig. Veertig dagen lang stelt Goliath zich 's morgens en 's avonds op, en niemand in Israël durft. Dan komt David, die op last van zijn vader Isaï eten brengt voor zijn broers (1 Samuël 17:17-18), en hoort de uitdaging. Hij biedt zich aan, legt de wapenrusting van Saul weer af en gaat met zijn staf, vijf gladde stenen en een slinger. Goliath veracht hem en vloekt hem bij zijn goden. Eén steen is genoeg. Het verhaal zelf, met David als hoofdpersoon, staat bij het verhaal van David en Goliath; deze pagina gaat over de vraag wie Goliath was. De naam Goliath is in het Nederlands spreekwoordelijk geworden voor een overmachtige tegenstander. In de Bijbel is hij meer dan een sterke man: hij is de tegenstander die de eer van de God van Israël aanvalt.

Historische context

Het tweegevecht in het eikendal vond plaats in de tijd van koning Saul, omstreeks 1020 voor Christus, geruime tijd voordat David koning werd. Exacte jaartallen geeft de Bijbel niet. De Filistijnen woonden in de kustvlakte in vijf steden met elk een eigen vorst: Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron (Jozua 13:3). Zij drongen het heuvelland van Israël binnen en hielden het smeden van wapens in eigen hand: "er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel" (1 Samuël 13:19). De Filistijnen legerden zich tussen Socho en Azeka in Juda, Israël in het eikendal (1 Samuël 17:1-2), het dal dat in andere vertalingen het dal van Ela heet. Het ligt ten zuidwesten van Bethlehem, waar het heuvelland van Juda overgaat in het lagere land richting de kust. De twee legers stonden elk op een berg, "en de vallei was tussen hen" (1 Samuël 17:3). De lengte van Goliath geeft de Statenvertaling als "zes ellen en een span" (1 Samuël 17:4). Een el was de afstand van elleboog tot vingertop, ongeveer 45 centimeter, en een span ongeveer de helft daarvan. Dat komt neer op ruwweg 2,9 meter, maar dat is een benadering: de lengte van de el verschilde per tijd en plaats. De Griekse vertaling (Septuaginta), een handschrift uit Qumran en de joodse geschiedschrijver Josephus lezen vier ellen en een span, ongeveer twee meter. Ook dan was hij voor die tijd een reus. Zijn pantsier woog vijfduizend sikkels koper en de punt van zijn spies zeshonderd sikkels ijzer (1 Samuël 17:5-7); bij een sikkel van ruim elf gram is dat ruwweg 55 tot 60 kilo en zo'n 7 kilo. Goliath kwam uit Gath. Volgens Jozua 11:21-22 roeide Jozua de Enakieten uit het gebergte uit, maar bleven zij over in Gaza, Gath en Asdod. Dat was het volk dat Israël bij de verkenning van het land als reuzen zag (Numeri 13:33). Ook later woonden er in Gath zeer grote strijders die "aan Rafa geboren" waren (2 Samuël 21:22). Veel uitleggers verbinden Goliath daarom met die overgebleven reuzen, al zegt 1 Samuël 17 dat niet met zoveel woorden. Een tweegevecht tussen kampvechters als beslissing van een oorlog was in de oudheid niet onbekend; ook 2 Samuël 2:14-16 beschrijft een strijd van twaalf tegen twaalf. Goliath stelde de voorwaarde zelf: wie verloor, zou het andere volk dienen (1 Samuël 17:9). Na zijn dood hielden de Filistijnen zich daar niet aan: zij vluchtten, en Israël vervolgde hen tot aan Gath en Ekron (1 Samuël 17:52). Dat David het hoofd naar Jeruzalem bracht (1 Samuël 17:54), is opvallend, omdat de stad pas later door David werd ingenomen (2 Samuël 5:6-7); uitleggers lezen dit als een vooruitblik of denken aan een latere plaatsing.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Een geoefend krijgsman, volgens Saul "een krijgsman van zijn jeugd af" (1 Samuël 17:33)
  • Imposant van gestalte en zwaar bewapend (1 Samuël 17:4-7)
  • Hij nam zelf het initiatief en stelde de voorwaarden van het tweegevecht (1 Samuël 17:8-9)

−Zwakke kanten

  • Hij hoonde de slagorden van Israël en daarmee de levende God (1 Samuël 17:10, 1 Samuël 17:26)
  • Hoogmoedig: hij verachtte David om zijn jeugd en zijn uiterlijk (1 Samuël 17:42)
  • Hij vloekte David bij zijn goden en dreigde met smaad over zijn lichaam (1 Samuël 17:43-44)

Theologische betekenis

In 1 Samuël 17 is de vraag niet in de eerste plaats wie de sterkste man is, maar wiens God de ware God is. Goliath maakt van het tweegevecht een zaak van eer: hij hoont de slagorden van Israël. David hoort het zo ook: "wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?" (1 Samuël 17:26). Het woord onbesneden plaatst Goliath buiten het verbond. Zijn vloek "bij zijn goden" (1 Samuël 17:43) maakt de strijd tot een strijd tussen de afgoden van de Filistijnen en de HEERE. Het antwoord staat in de woorden van David: "de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN" (1 Samuël 17:47). Dezelfde gedachte klinkt in de woorden tot Josafat: "de strijd is niet uwe, maar Gods" (2 Kronieken 20:15). Het verhaal komt direct na de zalving van David, waar de HEERE tegen Samuël zegt: "de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan" (1 Samuël 16:7). Goliath is het levende voorbeeld van wat voor ogen is. Opvallend is ook de rol van Saul. Hij was zelf "van zijn schouderen en opwaarts" hoger dan al het volk (1 Samuël 9:2) en had als koning de aangewezen tegenstander van Goliath kunnen zijn. Maar ook hij ontzette zich en vreesde zeer (1 Samuël 17:11). De gezalfde die God verkoren had, trad in zijn plaats naar voren. Later hield Jonathan zijn vader voor: "hij heeft den Filistijn geslagen" (1 Samuël 19:5). Veel uitleggers lezen het tweegevecht daarom ook als een vooruitwijzing. Goliath stelde zelf de regel dat één man voor zijn volk zou strijden en dat de uitslag voor allen zou gelden (1 Samuël 17:9). David, de gezalfde uit Bethlehem, trad in die plaats, en het bange volk deelde in zijn overwinning. Zo wijst het verhaal vooruit naar de Zoon van David, die door de dood "te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel" (Hebreeën 2:14), en die over de machten heeft getriomfeerd (Kolossenzen 2:15). Sommige uitleggers zien in de steen die het hoofd van Goliath treft een echo van Genesis 3:15; de tekst zelf legt dat verband niet. Tot slot is Goliath een voorbeeld van wat Paulus schrijft: "het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen" (1 Korinthe 1:27). Niet de jongeling met de slinger, maar de God van de slagorden van Israël kreeg de eer.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Goljat (גָּלְיָת, Hebreeuws)

Betekenis

Betekenis onzeker

Sleutelmomenten

1

De legers in het eikendal

De Filistijnen verzamelen zich tussen Socho en Azeka; Saul en Israël legeren zich in het eikendal. De twee legers staan elk op een berg, met de vallei ertussen.

1 Samuël 17:1-3

2

De kampvechter uit Gath

Goliath treedt naar voren uit het leger van de Filistijnen. Hij is zes ellen en een span hoog en draagt een koperen helm, een schubachtig pantsier, koperen scheenharnassen en een spies als een weversboom; zijn schilddrager gaat voor hem uit.

1 Samuël 17:4-7

3

De uitdaging aan Israël

Goliath eist dat Israël één man kiest voor een tweegevecht. Wint die man, dan dienen de Filistijnen Israël; wint Goliath, dan wordt Israël knecht. Saul en het hele volk ontzetten zich en vrezen zeer.

1 Samuël 17:8-11

4

Veertig dagen lang

De Filistijn treedt elke morgen vroeg en elke avond toe. Veertig dagen lang stelt hij zich op, en niemand in Israël gaat tegen hem in.

1 Samuël 17:16

5

Hij veracht David

Als Goliath de jonge David ziet naderen, veracht hij hem. Hij vraagt of hij een hond is dat David met stokken komt, vloekt hem bij zijn goden en dreigt zijn vlees aan de vogels te geven.

1 Samuël 17:41-44

6

In de Naam van de HEERE

David antwoordt dat Goliath komt met zwaard, spies en schild, maar hij in de Naam van de HEERE der heirscharen. De hele aarde zal weten dat Israël een God heeft, want de strijd is van de HEERE.

1 Samuël 17:45-47

7

De val van Goliath

David slingert een steen die in het voorhoofd van Goliath zinkt, zodat hij op zijn aangezicht valt. Met het zwaard van Goliath zelf doodt David hem en houwt hem het hoofd af. De Filistijnen vluchten.

1 Samuël 17:48-51

8

Het zwaard te Nob

Op de vlucht voor Saul vraagt David te Nob om een wapen. De priester geeft hem het zwaard van Goliath, dat in een kleed gewonden achter de efod lag. Daarmee vlucht David naar Achis, de koning van Gath.

1 Samuël 21:9-10

9

De broeder van Goliath

In een latere oorlog tegen de Filistijnen verslaat Elhanan Lachmi, de broer van Goliath, die net als hij een zware speer droeg. 2 Samuël 21:19 vertelt hetzelfde voorval en noemt hem Beth-Halachmi.

1 Kronieken 20:5

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Goliath beter te begrijpen.

1 Samuël 17:4

“Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.”

De introductie van Goliath: zijn naam, zijn stad en zijn lengte. Zes ellen en een span komt neer op ruwweg 2,9 meter; de lengte van de el is een benadering.

1 Samuël 17:10

“Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!”

De uitdaging die Goliath veertig dagen herhaalde. Het woord honen keert in het hoofdstuk steeds terug.

1 Samuël 17:26

“Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?”

David ziet wat de anderen niet zien: de smaad treft niet alleen het leger, maar de levende God.

1 Samuël 17:43

“De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.”

Goliath voelt zich beledigd door een tegenstander zonder wapenrusting en roept zijn eigen goden aan.

1 Samuël 17:45

“David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.”

Het antwoord van David zet de wapens van Goliath tegenover de Naam van de HEERE.

1 Samuël 17:47

“En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.”

De kern van het hoofdstuk: de uitkomst hangt niet af van wapens, maar van de HEERE.

1 Samuël 17:49

“En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.”

De steen trof de zwaargewapende kampvechter in het voorhoofd. Eén steen was genoeg.

1 Samuël 17:51

“Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.”

Goliath sterft door zijn eigen zwaard. De verteller noemt hem de geweldigste van de Filistijnen.

1 Samuël 21:9

“Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.”

Het zwaard van Goliath lag bewaard bij de priesters te Nob, achter de efod. Hoe het daar kwam, vertelt de Schrift niet.

Tijdperiode

~1020 v.Chr.

Goliath leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Goliath laat zien hoe misleidend uiterlijke kracht kan zijn. Alles aan hem was groot: zijn lengte, zijn pantsier, zijn spies, zijn woorden. Het hele leger van Israël keek naar wat voor ogen was en verstijfde. Ook wij kunnen ons laten leiden door wat indruk maakt, in de wereld om ons heen of in de kerk. De Schrift leert ons verder te kijken: de HEERE ziet het hart aan, en Hij verlost niet door zwaard of spies. Een tweede les gaat over de plaats die wij in het verhaal innemen. Het ligt voor de hand om onszelf als David te zien en problemen als reuzen die wij moeten verslaan. Maar de meeste lezers staan eerder bij de Israëlieten die veertig dagen lang vreesden. Zij werden niet gered door hun eigen moed, maar door een ander die voor hen in de strijd trad. Wie het verhaal zo leest, ziet uit naar de Zoon van David, die voor Zijn volk de overwinning behaalde. Een derde les is een waarschuwing. Goliath hoonde de levende God en vloekte bij zijn goden, in de overtuiging dat niemand hem kon raken. Hoogmoed maakt blind voor de eigen kwetsbaarheid. Wat onaantastbaar lijkt, kan in één ogenblik vallen. Ten slotte laat de geschiedenis zien dat God de eer van Zijn Naam zelf verdedigt. David ging niet uit om zijn eigen naam groot te maken, maar opdat "de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft" (1 Samuël 17:46). Daar mogen ook wij het in onze strijd van verwachten.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Goliath

Wie was Goliath in de Bijbel?
Goliath was een kampvechter van de Filistijnen, afkomstig uit de stad Gath. In de tijd van koning Saul daagde hij Israël veertig dagen lang uit tot een tweegevecht in het eikendal: "Kiest een man onder u, die tot mij afkome" (1 Samuël 17:8). De uitslag zou bepalen welk volk het andere zou dienen. Hij hoonde de slagorden van de levende God. De jonge David versloeg hem met een slinger en een steen en doodde hem met zijn eigen zwaard (1 Samuël 17:49-51).
Wat betekent de naam Goliath?
De betekenis van de naam Goliath is onzeker. De Hebreeuwse vorm is Goljat. Omdat Goliath een Filistijn was, is de naam waarschijnlijk niet Hebreeuws van oorsprong; sommige onderzoekers zoeken de herkomst in talen uit Klein-Azië, maar een vaststaande verklaring is er niet. In het Nederlands is de naam spreekwoordelijk geworden voor een overmachtige tegenstander.
Waar staat Goliath in de Bijbel?
Goliath staat vooral in 1 Samuël 17, het hoofdstuk over het tweegevecht in het eikendal. Zijn zwaard komt terug in 1 Samuël 21:9, waar de priester te Nob het aan David geeft, en in 1 Samuël 22:10, waar Doeg dat aan Saul verraadt. Zijn naam wordt verder genoemd in 2 Samuël 21:19 en 1 Kronieken 20:5, bij de strijd tegen andere Filistijnse strijders uit Gath, onder wie zijn broeder Lachmi.
Hoe schrijft u Goliath: Goliath, Goliat of Goljat?
De Statenvertaling schrijft Goliath, en zo spelt ook deze site de naam: "zijn naam was Goliath, van Gath" (1 Samuël 17:4). Goliat is een modernere spelling zonder h, die in nieuwere Nederlandse vertalingen voorkomt. Goljat is een weergave van de Hebreeuwse uitspraak van de naam. Het gaat in alle gevallen om dezelfde Filistijnse kampvechter uit Gath, die door David werd verslagen.
Was Goliath een reus?
Ja, de Bijbel beschrijft Goliath als buitengewoon groot: "zijn hoogte was zes ellen en een span" (1 Samuël 17:4), ruwweg 2,9 meter. Hij hoort bij een reeks bijbelse reuzen. Bij de verkenning van Kanaän zagen de verspieders de Enakieten als reuzen (Numeri 13:33). Jozua roeide hen uit, maar in Gaza, Gath en Asdod bleven zij over (Jozua 11:22). Ook later woonden in Gath strijders die "aan Rafa geboren" waren (2 Samuël 21:22). Veel uitleggers rekenen Goliath tot die groep.
Waar kwam Goliath vandaan?
Goliath kwam uit Gath, een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, naast Gaza, Asdod, Askelon en Ekron (Jozua 13:3). De Filistijnen woonden in de kustvlakte ten westen van het heuvelland van Juda. De Statenvertaling noemt hem "Goliath, van Gath" en elders "Goliath, den Gethiet", dat wil zeggen: de man uit Gath.
Welke wapenrusting droeg Goliath?
Goliath droeg een koperen helm, een schubachtig pantsier van vijfduizend sikkels koper, koperen scheenharnassen en een koperen schild tussen zijn schouders. De schacht van zijn spies was "als een weversboom" en de punt woog zeshonderd sikkels ijzer (1 Samuël 17:5-7). Bij een sikkel van ruim elf gram woog het pantsier ruwweg 55 tot 60 kilo. Een schilddrager ging voor hem uit.
Hoe stierf Goliath?
David slingerde een steen die Goliath in het voorhoofd trof, "zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde" (1 Samuël 17:49). Daarna nam David het zwaard van Goliath zelf en hieuw hem daarmee het hoofd af (1 Samuël 17:51). Toen de Filistijnen zagen dat hun sterkste strijder dood was, vluchtten zij. Het volledige verhaal staat bij het verhaal van David en Goliath.
Wie doodde Goliath: David of Elhanan?
Volgens 1 Samuël 17 doodde David Goliath. In 2 Samuël 21:19 sloeg Elhanan in een latere oorlog volgens de Statenvertaling "Beth-Halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet". 1 Kronieken 20:5 zegt dat hij "Lachmi, den broeder van Goliath" versloeg. Zo gelezen doodde Elhanan niet Goliath zelf, maar een verwant van hem. Uitleggers wijzen erop dat de Hebreeuwse tekst van 2 Samuël 21:19 lastig is en door 1 Kronieken 20:5 wordt verhelderd.
Wat gebeurde er met het zwaard van Goliath?
Het zwaard van Goliath werd bewaard bij de priesters te Nob, "gewonden in een kleed, achter den efod" (1 Samuël 21:9). Toen David op de vlucht voor Saul om een wapen vroeg, gaf de priester het hem. David zei: "Er is zijns gelijke niet; geef het mij." Daarna vluchtte hij uitgerekend naar Achis, de koning van Gath, de stad van Goliath (1 Samuël 21:10).
Waren er meer reuzen in Gath?
Ja. 2 Samuël 21:15-22 noemt vier Filistijnse strijders die "aan Rafa geboren te Gath" waren, onder wie een zeer lang man met zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet. Ook Lachmi, de broeder van Goliath, in 2 Samuël 21:19 Beth-Halachmi genoemd, hoorde bij die strijders (1 Kronieken 20:5-8). Eerder zegt Jozua 11:22 dat er Enakieten waren overgebleven in Gaza, Gath en Asdod. Veel uitleggers verbinden Goliath met die groep.
Wat kunnen wij leren van Goliath?
Goliath leert ons dat uiterlijke kracht niet beslist. Hij vertrouwde op zijn lengte en zijn wapens en hoonde de levende God, maar viel door één steen. David zei vooraf dat "de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost" (1 Samuël 17:47). Het verhaal waarschuwt tegen hoogmoed en bemoedigt Gods volk dat zich door angst laat verlammen: de krijg is des HEEREN.

Stel een vraag over Goliath

Wilt u meer weten over Goliath? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Goliath

Bijbelverhalen rond Goliath

Verdiep u verder