Ga naar hoofdinhoud

Assyrië in de Bijbel

Assur (Hebreeuws אַשּׁוּר) is de naam van het land, van de oude hoofdstad en van de oppergod van de Assyriërs. In Genesis 10:22 is Assur ook een zoon van Sem. De Statenvertaling schrijft afwisselend Assur en Assyrie; de inwoners heten Assyriers.

Assyrië was het rijk aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak. In de achtste eeuw voor Christus voerde het het tienstammenrijk Israël weg, en het belegerde Jeruzalem onder Hiskia. Jesaja noemt het de roede van Gods toorn (Jesaja 10:5), Nahum kondigt de val van Nineve aan.

Ook bekend als: Assur, Assyrie, het land van Assur, het Assyrische rijk

Ligging

Het kernland lag in het noorden van Mesopotamië, langs de Tigris en de zijrivieren de Grote en de Kleine Zab, tussen de bergen van het latere Koerdistan en de steppe naar de Eufraat. De grote steden waren Assur, Kalach, Nineve en het door Sargon gebouwde Dur-Sharrukin. Op het hoogtepunt reikte het rijk van Iran tot de Middellandse Zee en een tijd lang tot in Egypte. Vanuit Israël gezien kwam Assyrië altijd uit het noorden, over Damaskus en Hamath.

Vandaag

Het oude Assyrië ligt in het noorden van het huidige Irak, rond Mosul, met uitlopers in Syrië en Turkije. De ligging is zeker: de ruïnes van Assur (Qal’at Sherqat), Kalach (Nimrud), Nineve (tegenover Mosul) en Dur-Sharrukin (Khorsabad) zijn sinds de negentiende eeuw opgegraven. Veel reliëfs en inscripties staan nu in musea in Londen, Parijs en Bagdad. De christelijke Assyriërs van vandaag ontlenen hun naam aan dit gebied.

Geschiedenis

De Bijbel noemt Assur al in de volkenlijst. Assur is een zoon van Sem (Genesis 10:22), en van het land Sinear staat er: "Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve" (Genesis 10:11). De Hebreeuwse tekst laat ook de lezing toe dat Nimrod naar Assur uittrok; Micha 5:5 spreekt in één adem van het land van Assur en het land van Nimrod. Bileam zag Assur al als een macht die volken gevankelijk wegvoert (Numeri 24:22). Voor Israël werd Assyrië pas echt een factor in de achtste eeuw voor Christus. Koning Menahem van Israël kocht Pul, de koning van Assyrië, af met duizend talenten zilver (2 Koningen 15:19-20). Pul wordt gewoonlijk gelijkgesteld met Tiglath-Pilezer III, die in Babel onder die naam regeerde; 1 Kronieken 5:26 noemt beide namen naast elkaar. Onder koning Pekah nam Tiglath-Pilezer Galilea en Gilead in en voerde de bewoners weg (2 Koningen 15:29). Achaz van Juda riep hem zelf te hulp tegen Syrië en Israël, betaalde met het zilver en goud van de tempel en liet een altaar naar Damasceens voorbeeld bouwen (2 Koningen 16:7-10). Kronieken zegt er nuchter bij dat de koning van Assyrië hem benauwde en niet hielp (2 Kronieken 28:20-21). Toen Hosea van Israël de schatting staakte en steun zocht bij Egypte, belegerde Salmaneser Samaria drie jaar. In het negende jaar van Hosea viel de stad en voerde de koning van Assyrië Israël weg naar Halah, Habor aan de rivier Gozan en de steden der Meden (2 Koningen 17:3-6). Volgens de gangbare datering was dat in 722 voor Christus; Sargon II eist de inname in zijn eigen inscripties op. Assyrië bracht volk uit Babel, Chuta, Avva, Hamath en Sefarvaim naar de steden van Samaria (2 Koningen 17:24). Sargon wordt in de Bijbel één keer genoemd, bij de inname van Asdod (Jesaja 20:1). In het veertiende jaar van Hiskia (in de Statenvertaling Hizkia) trok Sanherib op tegen alle vaste steden van Juda (2 Koningen 18:13). Vanuit Lachis eiste hij schatting en zond hij de Rabsake naar Jeruzalem. De HEERE beloofde door Jesaja dat de koning de stad niet zou binnenkomen, en in één nacht sloeg de Engel des HEEREN in het Assyrische leger honderdvijfentachtigduizend man (2 Koningen 19:32-35). Sanherib keerde naar Nineve terug en werd daar later door zijn zonen gedood; Esar-Haddon volgde hem op (2 Koningen 19:36-37). Onder een van zijn opvolgers (de Bijbel noemt de naam niet; men denkt aan Esar-Haddon of Assurbanipal) werd Manasse van Juda met koperen ketenen naar Babel gevoerd (2 Kronieken 33:11), en Ezra 4:2 en 4:10 noemen Esar-Haddon en Asnappar als koningen die volken naar Samaria brachten. Na Esar-Haddon verdwijnt Assyrië uit de geschiedverhalen; Nahum en Sefanja kondigen de val van Nineve aan (het boek Nahum; Sefanja 2:13). Nineve viel volgens de gangbare datering in 612 voor Christus voor Babyloniërs en Meden. Toen Farao Necho optoog "tegen den koning van Assyrie, naar de rivier Frath" en Josia hem bij Megiddo tegemoet ging (2 Koningen 23:29), was het rijk al aan zijn einde. Buiten de Bijbel is Assyrië goed bekend. De Zwarte Obelisk van Salmanassar III, een eerdere koning dan de Salmaneser van 2 Koningen 17, noemt Jehu als schatplichtige. Het Taylorprisma met de annalen van Sanherib vertelt dat hij Hiskia in Jeruzalem opsloot als een vogel in een kooi, maar meldt geen inname van de stad. De reliëfs van het beleg van Lachis uit het paleis in Nineve staan in het British Museum.

Betekenis in de Bijbel

Assyrië is in de Bijbel het eerste wereldrijk dat Gods volk uit het land verdrijft. De wegvoering van de tien stammen staat in 2 Koningen 17 niet als een politiek ongeluk beschreven, maar als oordeel: "alzo werd Israel weggevoerd uit zijn land naar Assyrie, tot op dezen dag" (2 Koningen 17:23), omdat Israël het verbond had overtreden en niet naar de profeten had gehoord. Wat Amos en Hosea hadden aangezegd, kwam uit door de hand van Assur. Tegelijk laat de Schrift zien dat het rijk een werktuig is en geen eindmacht. Jesaja noemt de Assyriër de roede van Gods toorn (Jesaja 10:5), maar de koning denkt dat hij alles door eigen kracht heeft gedaan (Jesaja 10:13). Daarom zal de HEERE de koning bezoeken om de grootsheid van zijn hart (Jesaja 10:12). De belegering van Jeruzalem onder Hiskia werd zo een toets van vertrouwen. De Rabsake hoonde de levende God en vroeg of de goden van Hamath en Arpad hun land hadden gered (2 Koningen 18:33-34). Hiskia legde de brief voor de HEERE neer en bad dat alle koninkrijken der aarde zouden weten dat de HEERE alleen God is (2 Koningen 19:19). De uitkomst maakte Jeruzalem tot een teken van Gods trouw aan Zijn belofte aan David (2 Koningen 19:34). De profeten waarschuwen ook tegen het zoeken van hulp bij Assur. Hosea verwijt Efraïm dat het als een botte duif naar Assur en Egypte gaat (Hosea 7:11), en laat het berouwvolle volk zeggen: "Assur zal ons niet behouden" (Hosea 14:4). Nahum en Sefanja kondigen de val van Nineve aan, en Jona laat zien dat God ook over deze stad bewogen was. Opvallend is de toekomst die Jesaja voor Assyrië tekent. Er komt een gebaande weg van Egypte naar Assyrië, en de HEERE zal zeggen: "Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriers, het werk Mijner handen, en Israel, Mijn erfdeel" (Jesaja 19:25). De vijand van gisteren wordt genoemd onder de volken die de HEERE zullen dienen.

Sleutelgebeurtenissen in Assyrië

1

Assur in de volkenlijst

Uit het land Sinear gaat Assur uit en worden Nineve, Rehoboth, Ir, Kalach en Resen gebouwd. Zo staat het latere Assyrische kernland al in de eerste hoofdstukken van de Bijbel.

Genesis 10:11-12

2

Menahem koopt Pul af

Pul, de koning van Assyrië, valt Israël binnen. Menahem betaalt duizend talenten zilver, opgebracht door een heffing van vijftig sikkels per vermogend man, en de koning trekt weer weg.

2 Koningen 15:19-20

3

Galilea en Gilead weggevoerd

Tiglath-Pilezer neemt in de dagen van Pekah het noorden van Israël in, het hele land van Naftali, en voert de bewoners weg naar Assyrië. Het is de eerste grote wegvoering.

2 Koningen 15:29

4

Achaz zoekt hulp bij Assyrië

Achaz noemt zich de knecht van Tiglath-Pilezer en koopt zijn steun met de schatten van de tempel. Assyrië neemt Damaskus in, maar Juda wordt er schatplichtig door.

2 Koningen 16:7-9

5

De val van Samaria

Na een beleg van drie jaar valt Samaria. Israël wordt weggevoerd naar Halah, Habor aan de rivier Gozan en de steden der Meden. Het tienstammenrijk houdt op te bestaan.

2 Koningen 17:5-6

6

Sanherib tegen Juda

Sanherib neemt de vaste steden van Juda in en legt Hiskia een zware schatting op. Vanuit Lachis zendt hij Tartan, Rabsaris en Rabsake met een leger naar Jeruzalem.

2 Koningen 18:13-17

7

De nacht van de Engel des HEEREN

In één nacht slaat de Engel des HEEREN honderdvijfentachtigduizend man in het Assyrische leger. Sanherib keert terug naar Nineve en wordt daar door zijn zonen gedood.

2 Koningen 19:35-37

8

Manasse geboeid weggevoerd

De legeroversten van de koning van Assyrië voeren Manasse met koperen ketenen naar Babel. In zijn benauwdheid bekeert hij zich, en de HEERE brengt hem terug in Jeruzalem.

2 Kronieken 33:11-13

9

Nahum over de koning van Assur

Nahum besluit zijn profetie met een klacht over de koning van Assur: zijn herders sluimeren, zijn volk is verstrooid, en er is geen herstel voor zijn breuk.

Nahum 3:18-19

Theologische betekenis

De geschiedenis van Assyrië in de Bijbel leert dat God regeert over de grote machten van de wereld. Jesaja zegt het met een beeld: "Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt" (Jesaja 10:15). Het rijk dat toen het Nabije Oosten beheerste, was in Gods hand een bijl en een scheermes (Jesaja 7:20). Het voerde Zijn oordeel uit over een ongehoorzaam volk, maar bleef zelf verantwoordelijk voor zijn hoogmoed en wreedheid. Gereformeerde uitleggers zien hier de leer van Gods voorzienigheid (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13): God gebruikt ook de zonde van mensen voor Zijn doel, zonder dat Hij de zonde goedkeurt. Het beleg van Jeruzalem plaatst daar het gebed tegenover. Hiskia had geen leger dat tegen Sanherib opgewassen was. Hij sprak het volk moed in met de woorden "met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen" (2 Kronieken 32:8) en bracht de dreigbrief in het huis des HEEREN. De verlossing kwam niet door wapens, maar om Gods Naam en om David (2 Koningen 19:34). Zo wijst deze geschiedenis vooruit naar de Zoon van David, in Wie God Zijn belofte bewaart tegen elke vijand in. Ook de genade is zichtbaar. Manasse, die door de Assyriërs in ketenen werd weggevoerd, leerde in de benauwdheid de HEERE kennen (2 Kronieken 33:13). En de belofte van Jesaja 19 over Assyrië wijst vooruit naar de tijd waarin het Evangelie tot de heidenen gaat.

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten helpen u om de rol van Assyrië in de Schrift beter te begrijpen.

Veelgestelde vragen over Assyrië

Waar lag Assyrië?

Assyrië lag in het noorden van Mesopotamië, langs de Tigris, in wat nu het noorden van Irak is, rond de stad Mosul. De belangrijkste steden waren Assur, Kalach, Nineve en Dur-Sharrukin. In de achtste en zevende eeuw voor Christus beheerste het rijk een gebied van Iran tot de Middellandse Zee, en een tijd ook Egypte. Voor Israël kwam de dreiging steeds uit het noorden, via Syrië.

Wat betekent de naam Assur?

Assur is in de eerste plaats de naam van de oude hoofdstad aan de Tigris en van de god die daar vereerd werd. Het land en het volk zijn naar die stad genoemd. In de Bijbel is Assur bovendien een zoon van Sem (Genesis 10:22). Een betrouwbare uitleg van wat het woord Assur oorspronkelijk betekende, is er niet; die laten we daarom open.

Is Assur in de Bijbel een persoon of een land?

Beide. In Genesis 10:22 is Assur een zoon van Sem, naast Elam, Arfachsad, Lud en Aram. Elders is Assur de naam van het land en het volk, en soms wordt het volk als één persoon aangesproken, zoals in "Wee den Assyrier, die de roede Mijns toorns is" (Jesaja 10:5). De Statenvertaling wisselt de namen Assur en Assyrie af; de inwoners heten daar Assyriers.

Waar staat Assyrië in de Bijbel?

Assyrië komt vooral voor in 2 Koningen 15 tot 19, in 2 Kronieken 28 tot 33, en in de profeten Jesaja (hoofdstuk 7, 10, 19, 20 en 36 tot 37), Hosea, Micha, Nahum en Sefanja. Het boek Jona speelt in Nineve, de hoofdstad van het rijk. Genesis 10:11 en 10:22 noemen Assur al in de volkenlijst, en Ezra 4:2 kijkt terug op de volken die Assyrië naar Samaria bracht.

Wat is de Assyrische ballingschap?

Zo heet de wegvoering van het noordelijke rijk Israël door Assyrië. Tiglath-Pilezer voerde eerst Galilea, Naftali en Gilead weg (2 Koningen 15:29, 1 Kronieken 5:26). Na het beleg van Samaria voerde de koning van Assyrië de rest van Israël weg naar Halah, Habor en de steden der Meden (2 Koningen 17:6). Volgens de gangbare datering viel Samaria in 722 voor Christus. De Bijbel noemt het een oordeel over het gebroken verbond (2 Koningen 17:7).

Welke koningen van Assyrië noemt de Bijbel?

De Bijbel noemt Pul (2 Koningen 15:19), Tiglath-Pilezer (2 Koningen 15:29), Salmaneser (2 Koningen 17:3), Sargon (Jesaja 20:1), Sanherib (2 Koningen 18:13) en Esar-Haddon (2 Koningen 19:37). Ezra 4:10 noemt nog Asnappar, die meestal met Assurbanipal wordt gelijkgesteld. Pul en Tiglath-Pilezer zijn volgens de meeste geleerden dezelfde koning. Hosea spreekt van een koning Jareb (Hosea 5:13, 10:6), wat waarschijnlijk een bijnaam is.

Waarom nam Assyrië Jeruzalem niet in?

De Bijbel zegt dat de HEERE de stad beschermde om Zijnentwil en om David (2 Koningen 19:34): in één nacht sloeg de Engel des HEEREN honderdvijfentachtigduizend man in het Assyrische leger (2 Koningen 19:35). De Assyrische bronnen vullen het beeld aan. Het Taylorprisma met de annalen van Sanherib somt de ingenomen steden van Juda en de schatting van Hiskia op, maar meldt geen inname van Jeruzalem. De vertelling zelf staat in het verhaal over Hiskia en Sanherib.

Is Assyrië hetzelfde als Nineve of Babylon?

Nee. Nineve was een stad, in de laatste eeuw van het rijk de hoofdstad van Assyrië; de pagina over Nineve gaat over die stad en over Jona. Babylon lag verder naar het zuiden aan de Eufraat en was een ander rijk. Assyrië voerde Israël weg, Babylon later Juda. Jeremia zegt het zo: de koning van Assur at Israël eerst op, Nebukadrezar verbrijzelde de beenderen (Jeremia 50:17).

Bestaat Assyrië nog?

Als rijk niet: na de val van Nineve, volgens de gangbare datering in 612 voor Christus, hield een restrijk rond Haran nog kort stand en verdween het kort daarna van het toneel. Het gebied ligt nu in het noorden van Irak. De ruïnes van Assur, Nimrud, Nineve en Khorsabad zijn opgegraven, en veel reliëfs staan in musea, onder meer het reliëf van het beleg van Lachis in het British Museum. Christenen in de regio die zich Assyriërs noemen, dragen de oude naam nog.

Wat zegt Jesaja 19 over Assyrië?

Jesaja 19:23-25 ziet een tijd waarin een gebaande weg loopt van Egypte naar Assyrië en beide volken samen met Israël de HEERE dienen. De HEERE noemt Assyrië dan het werk Mijner handen. Uitleggers lezen dit als een belofte over de bekering van de heidenen. De vijand die Israël wegvoerde, krijgt een plaats onder de gezegende volken.

Gerelateerde plaatsen

Bijbelse personen verbonden aan Assyrië

Bijbelhoofdstukken die zich in Assyrië afspelen

Leer meer over Assyrië met AI BijbelAssistent

Wilt u dieper ingaan op de geschiedenis, de bijbelteksten of de theologische betekenis van Assyrië? Onze AI-assistent helpt u verder.

Verdiep u verder