Ga naar hoofdinhoud

Ammon en Rabba in de Bijbel

Ammon (Hebreeuws עַמּוֹן) gaat in de Bijbel terug op Ben-Ammi, de zoon van de jongste dochter van Lot (Genesis 19:38); die naam wordt meestal uitgelegd als zoon van mijn volk. Rabba (רַבָּה) betekent de grote. De volle naam is Rabba der kinderen Ammons (Deuteronomium 3:11).

Ammon was het land van de Ammonieten, op de hoogvlakte ten oosten van Gilead aan de bovenloop van de Jabbok. De hoofdstad Rabba is het huidige Amman in Jordanië. Bij het beleg van Rabba sneuvelde Uria; Joab nam de koninklijke stad en de waterstad in, en daarna nam David zelf de stad in (2 Samuël 12:26-29).

Ook bekend als: Ammonieten, Rabba der kinderen Ammons, Rabbath-Ammon, Philadelphia, Amman

Ligging

Het land van de Ammonieten lag op de hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, aan de rand van de woestijn. In het westen grensde het aan Gilead, in het zuiden aan Moab; de Jabbok gold als landpale (Deuteronomium 3:16). Rabba lag bij de bronnen van die beek, op en rond een steile heuvel. Een deel van de stad heet in de Bijbel de waterstad (2 Samuël 12:27); veel uitleggers denken aan de benedenstad bij het water.

Vandaag

Rabba is met zekerheid het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. In de Grieks-Romeinse tijd heette de stad Philadelphia en hoorde zij bij de Dekapolis, de groep van tien steden. Op de citadelheuvel midden in Amman liggen resten uit vele perioden, ook uit de tijd van de Ammonieten; daar is onder meer een korte inscriptie in het Ammonitisch gevonden. Het oude land van Ammon ligt rond Amman, op de hoogvlakte in het westen van het huidige Jordanië, ten oosten van het oude Gilead.

Geschiedenis

Genesis voert de Ammonieten terug op Lot. Na de ondergang van Sodom baarde zijn jongste dochter een zoon, "en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag" (Genesis 19:38). Het land waar Ammon ging wonen, was eerder bewoond door een volk dat de Ammonieten Zamzummieten noemden (Deuteronomium 2:20). Op de woestijnreis mocht Israël Ammon niet aanvallen, want de HEERE had het land aan Lots kinderen ter erfenis gegeven (Deuteronomium 2:19). Israël veroverde wel het rijk van Sihon tot aan de Jabbok, want de landpale van Ammon was vast (Numeri 21:24). Te Rabba stond de ijzeren bedstede van Og, de koning van Basan (Deuteronomium 3:11). In de richterentijd trok Ammon met Eglon van Moab tegen Israël op (Richteren 3:13). Later onderdrukten de Ammonieten achttien jaar lang de Israëlieten in Gilead (Richteren 10:8). Jefta versloeg hen van Aroer tot Minnith (Richteren 11:33). Aan het begin van Sauls koningschap belegerde Nahas, de Ammoniet, Jabes in Gilead, en Saul verloste de stad (1 Samuël 11:1-11). Nahas had David weldadigheid bewezen, maar toen David na zijn dood gezanten stuurde, liet Hanun hun baard half afscheren en hun kleren half afsnijden (2 Samuël 10:1-4). Er volgde een oorlog, waarin Ammon Syrische huurlegers inzette. Het jaar daarop belegerde Joab Rabba, terwijl David in Jeruzalem bleef (2 Samuël 11:1). In die tijd viel David in zonde met Batseba, en bij een uitval uit de stad sneuvelde Uria (2 Samuël 11:17). Joab nam de koninklijke stad en de waterstad in en liet David komen, zodat de koning zelf de stad innam en de zware kroon van de koning van Ammon ontving (2 Samuël 12:26-30). Later bracht Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba voedsel aan de vluchtende David in Mahanaïm (2 Samuël 17:27-29). Salomo trouwde onder anderen met Ammonietische vrouwen en bouwde een hoogte voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons (1 Koningen 11:1-7). Ammon trok later met Moab op tegen Josafat (2 Kronieken 20:1) gaf Uzzia geschenken en betaalde Jotham drie jaar lang schatting (2 Kronieken 26:8, 27:5). Na de val van Jeruzalem stuurde Baalis, de koning der kinderen Ammons, Ismaël om Gedalia te doden (Jeremia 40:14). Na de ballingschap verzette Tobia, de Ammonietische knecht, zich tegen de herbouw van de muur (Nehemia 2:10). In de Hellenistische tijd kreeg Rabba de naam Philadelphia, volgens de gangbare opvatting naar de Egyptische koning Ptolemeüs II Philadelphus.

Betekenis in de Bijbel

Ammon is in de Bijbel een verwant volk, net als Moab, en tegelijk een vaste tegenstander van Israël. God gaf Ammon een eigen land en verbood Israël het in te nemen (Deuteronomium 2:19). Omdat Ammon Israël op de reis niet met brood en water tegemoetkwam, mocht geen Ammoniet in de vergadering des HEEREN komen (Deuteronomium 23:3-4). Nehemia paste die regel na de ballingschap streng toe (Nehemia 13:1-3). Toch was Naama, de Ammonietische, de moeder van koning Rehabeam (1 Koningen 14:21), zodat een Ammonietische vrouw staat aan het begin van de koningen van Juda na Salomo. Rabba is ook het toneel van een donkere bladzijde uit het leven van David. Terwijl het leger voor de stad lag, bleef de koning thuis, en bij de muur van Rabba sneuvelde Uria (2 Samuël 11:14-17); het verhaal over Natan en het ooilam vertelt wat daarop volgde. De profeten spreken meermalen over Ammon. Amos veroordeelt de wreedheid waarmee Ammon in Gilead oorlog voerde "om hun landpale te verwijden" (Amos 1:13) en kondigt een vuur aan "in den muur van Rabba" (Amos 1:14). Ezechiël noemt het leedvermaak van Ammon toen de tempel werd ontheiligd en zegt: "En Ik zal Rabba tot een kemelstal maken" (Ezechiël 25:5). Sefanja 2:8 noemt de scheldwoorden waarmee Ammon Gods volk beschimpte. Jeremia eindigt zijn profetie tegen Ammon echter met een belofte: "Maar daarna zal Ik de gevangenis der kinderen Ammons wenden, spreekt de HEERE" (Jeremia 49:6).

Sleutelgebeurtenissen in Ammon en Rabba

1

Ben-Ammi wordt geboren

De jongste dochter van Lot baart een zoon, Ben-Ammi. Genesis noemt hem de vader van de kinderen Ammons.

Genesis 19:38

2

Israël mag Ammon niet aanvallen

Op de woestijnreis verbiedt de HEERE Israël om de Ammonieten te beangstigen: Hij heeft hun land aan Lots kinderen ter erfenis gegeven.

Deuteronomium 2:19

3

Jefta verslaat de Ammonieten

Na achttien jaar onderdrukking van Gilead trekt Jefta tegen Ammon op. De HEERE geeft hem de overwinning, van Aroer tot Minnith.

Richteren 11:32-33

4

Nahas belegert Jabes

Nahas, de Ammoniet, belegert Jabes in Gilead en eist het rechteroog van alle mannen. Saul roept Israël op en verlost de stad.

1 Samuël 11:1-2

5

Hanun beschimpt Davids gezanten

David stuurt troosters na de dood van Nahas. Zijn vorsten maken Hanun wantrouwig; hij laat hun baard half afscheren en stuurt hen beschaamd terug.

2 Samuël 10:1-4

6

Uria sneuvelt bij Rabba

Tijdens het beleg van Rabba laat David Uria vooraan in de strijd zetten. Bij een uitval van de verdedigers sneuvelt Uria, de Hethiet.

2 Samuël 11:14-17

7

David neemt Rabba in

Nadat Joab de koninklijke stad en de waterstad heeft ingenomen, komt David zelf en neemt de stad in. De kroon van de koning van Ammon wordt op Davids hoofd gezet.

2 Samuël 12:29-30

8

Tobia de Ammoniet tegen Nehemia

Na de ballingschap ergeren Sanballat en Tobia, de Ammonietische knecht, zich eraan dat iemand het goede zoekt voor Israël.

Nehemia 2:10

Theologische betekenis

Wat Ammon eigen is in de Schrift, is de honger naar land. Amos veroordeelt de wreedheid in Gilead, begaan "om hun landpale te verwijden" (Amos 1:13), en Jeremia vraagt: "Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad" (Jeremia 49:1). Toch had de HEERE Ammon zelf een land gegeven en de vroegere bewoners voor hen verdreven (Deuteronomium 2:21), zoals Hij dat ook voor Israël deed. Hij is de God van alle volken, en Ezechiël eindigt het oordeel over Ammon met: "en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezechiël 25:5). De god van Ammon, die de Bijbel Milchom noemt (1 Koningen 11:5) en die in 1 Koningen 11:7 als Molech en in Jeremia 49 als Malcham terugkomt, werd voor Israël een strik. De wet verbood uitdrukkelijk om kinderen voor den Molech door het vuur te doen gaan (Leviticus 18:21), en toch bouwde Salomo voor deze afgod een hoogte. Jeremia spot met de afgod die zelf in ballingschap moet: "want Malcham zal wandelen in gevangenis" (Jeremia 49:3). Rabba herinnert er ook aan dat de zonde van Gods knecht niet verborgen blijft. De Schrift vertelt de inname van Rabba pas nadat Natan David had bestraft en hij zijn zonde had beleden (2 Samuël 12:13, 26-30); de vergeving hief de gevolgen niet op, maar de HEERE liet Zijn beloften aan David niet vallen. En over Ammon zelf eindigt Jeremia met genade: de HEERE zal hun gevangenis wenden (Jeremia 49:6).

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten helpen u om de rol van Ammon en Rabba in de Schrift beter te begrijpen.

Veelgestelde vragen over Ammon en Rabba

Waar lagen Ammon en Rabba?

Het land Ammon lag op de hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, ten oosten van Gilead en ten noorden van Moab, aan de rand van de woestijn. De bovenloop van de Jabbok vormde de grens (Deuteronomium 3:16). De hoofdstad Rabba lag bij de bronnen van die beek. Rabba is het huidige Amman in Jordanië. Er is ook een ander Rabba in Juda (Jozua 15:60), maar dat is een andere plaats.

Wat betekenen de namen Ammon en Rabba?

Ammon gaat terug op Ben-Ammi, de zoon van de jongste dochter van Lot (Genesis 19:38). Die naam wordt meestal uitgelegd als zoon van mijn volk. Het volk heet in de Statenvertaling meestal de kinderen Ammons of de Ammonieten. Rabba betekent de grote. De volle naam van de hoofdstad is Rabba der kinderen Ammons, zoals in Deuteronomium 3:11 en 2 Samuël 12:26.

Is Rabba hetzelfde als Amman?

Ja. Rabba der kinderen Ammons ligt op de plaats van het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië. De naam Amman bewaart de oude naam van het volk. In de Grieks-Romeinse tijd heette de stad Philadelphia en hoorde zij bij de Dekapolis. Op de citadelheuvel in het centrum van Amman zijn resten van de oude stad gevonden, ook uit de tijd van de Ammonieten.

Wie waren de Ammonieten?

De Ammonieten woonden op de rand van de woestijn ten oosten van Gilead, rond hun hoofdstad Rabba, met de Jabbok als grens (Deuteronomium 3:16). Genesis noemt hen nakomelingen van Ben-Ammi, de zoon van Lot, en dus verwant aan Israël en aan Moab (Genesis 19:38). Hun god heet in de Bijbel Milchom, Molech of Malcham (1 Koningen 11:5-7, Jeremia 49:1). Bekende Ammonieten in de Bijbel zijn koning Nahas, zijn zoon Hanun, Naama, de moeder van Rehabeam, en Tobia, de tegenstander van Nehemia.

Waar staan Ammon en Rabba in de Bijbel?

De afkomst staat in Genesis 19. Ammon komt verder voor in Deuteronomium 2, 3 en 23, Richteren 10 en 11 (Jefta), 1 Samuël 11 (Nahas en Jabes), 2 Samuël 10 tot 12 (de oorlog van David en het beleg van Rabba), 1 Koningen 11, 2 Kronieken 20, 26 en 27 en Nehemia 2, 4 en 13. De profeten spreken over Ammon in Jeremia 49, Ezechiël 21 en 25, Amos 1 en Sefanja 2.

Wat gebeurde er in Rabba?

In Rabba stond de ijzeren bedstede van Og, de koning van Basan (Deuteronomium 3:11). In de tijd van David belegerde Joab de stad, terwijl de koning in Jeruzalem bleef (2 Samuël 11:1); bij dat beleg sneuvelde Uria. Joab nam de koninklijke stad en de waterstad in, daarna nam David zelf de stad in en kreeg de kroon van de koning, een talent gouds met edelgesteente, op zijn hoofd (2 Samuël 12:26-30). Later bracht Sobi uit Rabba voedsel naar David in Mahanaïm (2 Samuël 17:27). Amos, Jeremia en Ezechiël kondigen het oordeel over Rabba aan (Amos 1:14, Jeremia 49:2, Ezechiël 25:5).

Wat deed David met de inwoners van Rabba?

Volgens 2 Samuël 12:31 voerde David het volk uit en legde het onder zagen, ijzeren dorswagens en bijlen, en deed hen door den ticheloven doorgaan; zo deed hij met alle steden van Ammon. De uitleg van dit vers verschilt. De weergave in de Statenvertaling, en nog duidelijker 1 Kronieken 20:3 (hij zaagde ze met de zaag), wijst op een harde straf; zo lazen veel oudere uitleggers het. Anderen lezen het als dwangarbeid met zagen, bijlen en het maken van tichelstenen. De tekst zelf geeft geen oordeel.

Wie was Milchom of Molech, de god van Ammon?

Milchom was de god van de Ammonieten. 1 Koningen 11:5 noemt hem Milchom, het verfoeisel der Ammonieten, en vers 7 spreekt van Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons; Jeremia 49:1 en 3 schrijft Malcham. Of al deze namen dezelfde god aanduiden, is onder uitleggers niet zeker. De wet verbood om kinderen voor Molech door het vuur te laten gaan (Leviticus 18:21). Salomo bouwde voor hem een hoogte, die Josia verontreinigde (2 Koningen 23:13).

Is Philadelphia (Amman) hetzelfde als Filadelfia in Openbaring?

Nee. Rabba heette in de Grieks-Romeinse tijd Philadelphia, maar die stad komt onder die naam niet in de Bijbel voor. De gemeente Filadelfia uit Openbaring 3:7 lag in Klein-Azië, in het westen van het huidige Turkije. Beide steden kregen hun naam van een koning met de bijnaam Philadelphus, die broeder- of zusterliefde betekent, maar het zijn twee verschillende plaatsen.

Wat zeggen de profeten over Ammon?

Amos 1:13-15 veroordeelt Ammon om zijn wreedheid in Gilead en kondigt een vuur aan in de muur van Rabba. Jeremia 49:1-6 vraagt waarom Malcham het land van Gad erft, en voorzegt dat Rabba een woeste hoop wordt. Ezechiël 25:1-7 noemt de vreugde van Ammon over de verwoesting van de tempel en zegt dat Rabba een kemelstal wordt. Sefanja 2:8-9 spreekt over hun scheldwoorden. Jeremia 49:6 belooft dat de HEERE daarna Ammons gevangenis zal wenden.

Bijbelverhalen in Ammon en Rabba

Gerelateerde plaatsen

Bijbelse personen verbonden aan Ammon en Rabba

Bijbelhoofdstukken die zich in Ammon en Rabba afspelen

Leer meer over Ammon en Rabba met AI BijbelAssistent

Wilt u dieper ingaan op de geschiedenis, de bijbelteksten of de theologische betekenis van Ammon en Rabba? Onze AI-assistent helpt u verder.

Verdiep u verder