Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~600 v.Chr.

Sadrach, Mesach en Abednego in de Bijbel

Hananja, Misaël en Azarja (Hebreeuws); hofnamen Sadrach, Mesach en Abed-nego (Babylonisch) - “Hofnamen, betekenis grotendeels onzeker”

Wie waren Sadrach, Mesach en Abednego?

Sadrach, Mesach en Abednego waren drie Joodse ballingen in Babel en vrienden van Daniël, met de Hebreeuwse namen Hananja, Misaël en Azarja (Daniël 1:6-7). Zij weigerden het gouden beeld van koning Nebukadnezar te aanbidden, werden in een brandende oven geworpen en kwamen er ongedeerd uit (Daniël 3:26-27).

Sadrach, Mesach en Abednego staan in de Bijbel altijd samen. Zij komen voor in Daniël 1 tot en met 3: als jonge ballingen aan het hof van Nebukadnezar, als metgezellen die met Daniël om uitkomst bidden en als de drie mannen die in de brandende oven werden geworpen. Na Daniël 3:30 noemt de Bijbel hen niet meer bij naam. Hun eigen namen waren Hebreeuws: Hananja, Misaël en Azarja, "uit de kinderen van Juda" (Daniël 1:6). Aan het hof kregen zij nieuwe namen: "en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego" (Daniël 1:7). De Statenvertaling schrijft de derde naam met een koppelteken, Abed-nego; in de meeste Nederlandse teksten en zoekvragen staat Abednego. Daniël zelf heette aan het hof Beltsazar. Het verhaal loopt in drie stappen. In Daniël 1 laten de vier jongemannen de spijs en de wijn van de koning staan en vragen zij om het gezaaide en water. Na tien dagen zien zij er beter uit dan de anderen, en na drie jaar vindt de koning hen "tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers" (Daniël 1:20). In Daniël 2 bidden zij met Daniël om de openbaring van de droom van de koning, en daarna krijgen zij een bestuursambt in de provincie Babel (Daniël 2:49). In Daniël 3 weigeren zij voor het gouden beeld neer te vallen. Hun antwoord aan de koning, "Maar zo niet" (Daniël 3:18), is in de kerk een gevleugelde uitdrukking geworden. Daniël zelf wordt in hoofdstuk 3 niet genoemd. Het is het enige verhaal waarin de drie vrienden zonder hem optreden. Niet te verwarren zijn zij met de andere mannen die in het Oude Testament Hananja of Azarja heten, zoals de valse profeet Hananja uit Jeremia 28 en koning Azaria van Juda (2 Koningen 15:1), die in Kronieken Uzzia heet. Ook een Misaël komt elders voor: een neef van Aäron, de zoon van Uzziël (Leviticus 10:4).

Niet te verwarren met Hananja, de valse profeet die het juk van Jeremia verbrak (Jeremia 28:10); Sadrach heette eerst ook Hananja (Daniël 1:7).

Historische context

De geschiedenis begint "In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim" (Daniël 1:1), volgens de gangbare berekening rond 605 voor Christus. Jeremia 25:1 noemt dit jaar het vierde van Jojakim; het verschil komt waarschijnlijk door een andere telling van de regeringsjaren. Nebukadnezar, de nieuwe koning van Babel, onderwierp Juda en nam een deel van de tempelvaten mee naar het huis van zijn god. Ook liet hij jongemannen "uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen" naar Babel brengen (Daniël 1:3). Hun leeftijd noemt de tekst niet; zij heten jongelingen. Daniël 3 is niet gedateerd, maar valt in de regering van Nebukadnezar, die volgens Babylonische bronnen van 605 tot 562 voor Christus regeerde. De gebeurtenissen spelen zich dus af rond 600 voor Christus. Het hof van Babel nam begaafde jongens uit onderworpen volken op en vormde hen tot bestuurders. Zij leerden "de boeken en spraak der Chaldeen" (Daniël 1:4), waarschijnlijk het spijkerschrift en de geleerdheid van de Babylonische wijzen. Een nieuwe naam hoorde daarbij, en zo'n naam bevatte vaak de naam van een god. Nebukadnezar zegt van Daniël dat hij Beltsazar heet "naar den naam mijns gods" (Daniël 4:8). Bij Abed-nego lezen veel uitleggers de betekenis knecht van Nebo, naar de Babylonische god die ook in Jesaja 46:1 genoemd wordt, met een licht gewijzigde uitspraak. De betekenis van Sadrach en Mesach is onzeker. Hun Hebreeuwse namen spraken juist van de God van Israël: de naam Hananja betekent de HEERE is genadig, Azarja betekent de HEERE helpt; bij Misaël is de verklaring minder zeker, waarschijnlijk: wie is wat God is? Waarom zij de spijs van de koning weigerden, zegt de tekst niet precies. Uitleggers denken aan onrein vlees volgens de wet, aan vlees en wijn die eerst aan de goden waren gewijd, of aan de band met de koning die het eten van zijn tafel met zich meebracht. Het gouden beeld stond "in het dal Dura, in het landschap van Babel" (Daniël 3:1). Het was zestig ellen hoog en zes ellen breed, ongeveer zevenentwintig bij drie meter. Of het een godenbeeld was of een beeld van de koning zelf, laat de tekst open; de koning spreekt over "mijn goden" en over het gouden beeld in één adem (Daniël 3:14). Een oven die zevenmaal heter gestookt kon worden, was waarschijnlijk een oven zoals men die gebruikte voor het bakken van stenen of het smelten van metaal. Daniël 3 is, net als de rest van Daniël 2:4 tot 7:28, in het Aramees geschreven. In dezelfde jaren schreef Jeremia aan de ballingen dat zij de vrede van de stad moesten zoeken waarheen zij waren weggevoerd (Jeremia 29:7). De drie vrienden deden dat als bestuurders in Babel, maar trokken een grens bij de aanbidding.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Trouw aan Gods geboden aan een heidens hof (Daniël 1:11-12)
  • Afhankelijk in gebed bij levensgevaar (Daniël 2:17-18)
  • Door God met wijsheid begiftigd, bekwaam bevonden en aangesteld in het bestuur (Daniël 1:17-20; 2:49)
  • Vrijmoedig tegenover de machtigste koning van hun tijd (Daniël 3:16)
  • Vertrouwen op God zonder de afloop af te dwingen (Daniël 3:17-18)

Theologische betekenis

Daniël 3 draait om de vraag wie aanbidding toekomt. Het bevel van de koning raakte het eerste en tweede gebod: "Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen" (Exodus 20:5). Voor de drie vrienden was dat geen bijzaak. Zij erkenden het gezag van de koning in het bestuur, maar niet over hun geweten. Het Nieuwe Testament zegt het later met de woorden van Petrus en de apostelen: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen" (Handelingen 5:29). Hun antwoord heeft twee kanten. Eerst belijden zij Gods macht: "onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen" (Daniël 3:17). Daarna laten zij de uitkomst aan Hem: "Maar zo niet" (Daniël 3:18). Dat is geen twijfel aan Gods macht, maar overgave aan Zijn wil. Geloof is hier niet de zekerheid van een bepaalde afloop, maar vertrouwen op God zelf. De koning had gevraagd: "wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?" (Daniël 3:15). Het antwoord kwam in het vuur. Nebukadnezar zag vier mannen, "en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden" (Daniël 3:25). Wie die vierde was, zegt de koning daarna zelf: de God van Sadrach, Mesach en Abednego heeft "Zijn engel gezonden" (Daniël 3:28). Veel oudere christelijke uitleggers zagen in deze gestalte de Zoon van God vóór Zijn menswording, zoals zij dat ook deden bij de Engel des HEEREN elders in het Oude Testament. Anderen houden het bij een engel. Beide lezingen zijn het erover eens dat God Zijn knechten niet buiten het vuur hield, maar er in het vuur bij was. Jesaja 43:2 had dat al beloofd: "wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden". Het verhaal past in de lijn van het hele boek Daniël: God heerst over de koningen van de wereld. De koning die eerst vroeg welke god kon redden, verklaarde aan het slot: "er is geen ander God, Die alzo verlossen kan" (Daniël 3:29). Hebreeën 11 noemt de drie niet bij naam, maar spreekt van gelovigen die "De kracht des vuurs hebben uitgeblust" (Hebreeën 11:34). Uitleggers denken daarbij doorgaans aan hen, zoals de woorden ervoor, "de muilen der leeuwen toegestopt" (Hebreeën 11:33), aan Daniël herinneren. Hetzelfde weigeren aan een heidens hof vinden wij bij Mordechai tegenover Haman: "maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neder" (Esther 3:2). Openbaring 13:15 laat zien dat de druk om een beeld te aanbidden ook voor de gemeente van later werkelijkheid blijft.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Hananja, Misaël en Azarja (Hebreeuws); hofnamen Sadrach, Mesach en Abed-nego (Babylonisch)

Betekenis

Hofnamen, betekenis grotendeels onzeker

Sleutelmomenten

1

Weggevoerd en hernoemd

Hananja, Misaël en Azarja horen bij de jongemannen van koninklijke of adellijke afkomst die naar Babel worden gebracht. De overste der kamerlingen geeft hun de hofnamen Sadrach, Mesach en Abednego.

Daniël 1:3-7

2

Tien dagen groente en water

Daniël vraagt Melzar om hem en zijn drie vrienden tien dagen het gezaaide (groente of peulvruchten) en water te geven. Na die tien dagen zien zij er gezonder uit dan de jongemannen die van de spijs van de koning eten.

Daniël 1:11-16

3

Tienmaal wijzer bevonden

God geeft de vier jongemannen wetenschap en verstand. Bij het examen voor Nebukadnezar vindt de koning hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers van zijn rijk.

Daniël 1:17-20

4

Samen bidden om de droom

Als alle wijzen van Babel ter dood veroordeeld zijn, vertelt Daniël het aan zijn metgezellen Hananja, Misaël en Azarja, opdat zij van de God des hemels barmhartigheid verzoeken.

Daniël 2:17-18

5

Bestuurders in Babel

Nadat Daniël de droom heeft uitgelegd, stelt Nebukadnezar op zijn verzoek de drie vrienden over het bestuur van de provincie Babel.

Daniël 2:49

6

Geen knieval voor het gouden beeld

Chaldeeuwse mannen klagen hen aan omdat zij het gouden beeld niet aanbidden. Voor de koning zeggen zij dat hun God hen kan verlossen, en dat zij ook als Hij dat niet doet zijn goden niet zullen eren.

Daniël 3:12-18

7

Vier mannen in het vuur

De oven wordt zevenmaal heter gestookt; de mannen die hen erin werpen komen om. De koning ziet daarna vier mannen los wandelen in het vuur, de vierde gelijk eens zoons der goden.

Daniël 3:19-25

8

Ongedeerd uit de oven

Op het woord van de koning komen zij naar buiten. Hun haar is niet verschroeid en hun mantels ruiken niet naar vuur. Nebukadnezar looft hun God en maakt hen voorspoedig in de provincie Babel.

Daniël 3:26-30

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Sadrach, Mesach en Abednego beter te begrijpen.

Daniël 1:7

“En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.”

De Hebreeuwse namen maken plaats voor Babylonische hofnamen. Hier staan beide reeksen namen naast elkaar.

Daniël 1:17

“Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.”

Hun bekwaamheid aan het hof wordt aan God toegeschreven, niet aan de Babylonische opleiding.

Daniël 3:17

“Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.”

Het eerste deel van hun antwoord: zij belijden dat God machtig is te redden.

Daniël 3:18

“Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.”

Het tweede deel: hun trouw hangt niet af van de afloop. "Maar zo niet" is de kern van het hoofdstuk.

Daniël 3:25

“Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.”

Drie mannen werden gebonden in het vuur geworpen; de koning ziet er vier, los en ongedeerd.

Daniël 3:27

“Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.”

De hoge ambtenaren van het rijk zijn getuigen: zelfs de reuk van het vuur hangt niet aan hen.

Daniël 3:28

“Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.”

De koning die hen in het vuur liet werpen, looft hun God en noemt hen knechten die op Hem vertrouwd hebben.

Hebreeën 11:34

“De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen”

Hebreeën 11 noemt geen namen, maar uitleggers denken bij de kracht des vuurs doorgaans aan de drie vrienden in de oven.

Tijdperiode

~600 v.Chr.

Sadrach, Mesach en Abednego leefden in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Het verhaal leert ons eerst dat trouw aan God en trouw in het werk samengaan. Hananja, Misaël en Azarja leerden de taal en de boeken van Babel, droegen een Babylonische naam en dienden in het bestuur. Zij trokken zich niet terug uit de samenleving waarin zij terecht waren gekomen. Pas waar aanbidding werd geëist, zeiden zij nee. Dat helpt ons om onderscheid te maken tussen wat wij in een seculiere omgeving kunnen meedoen en waar de grens ligt. Wij leren ook dat gehoorzaamheid niet afhangt van de uitkomst. "Maar zo niet" (Daniël 3:18) is de taal van mensen die God liefhebben om wie Hij is, niet om wat Hij geeft. Dat is van betekenis voor ieder die bidt en geen verhoring ziet. God is niet minder machtig of minder goed wanneer Hij anders handelt dan wij hopen. Verder laat het verhaal zien dat God Zijn kinderen niet altijd voor de beproeving bewaart, maar wel in de beproeving. De drie werden niet buiten de oven gehouden; zij werden erin geworpen, en daar was Hij bij hen. Petrus vergelijkt de beproeving van het geloof met goud dat door het vuur beproefd wordt (1 Petrus 1:7). Ten slotte stonden zij niet alleen. Zij baden samen om uitkomst (Daniël 2:17-18) en stonden samen voor de koning. Wie onder druk staat om het geloof, heeft broeders en zusters nodig die met hem bidden en naast hem gaan staan. Ook dat is een opdracht voor de gemeente van vandaag.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Sadrach, Mesach en Abednego

Wie waren Sadrach, Mesach en Abednego in de Bijbel?
Sadrach, Mesach en Abednego waren drie jonge mannen uit Juda die met Daniël in ballingschap naar Babel werden gebracht, rond 605 voor Christus (Daniël 1:1-6). Zij kregen een opleiding aan het hof van Nebukadnezar en werden bestuurders in de provincie Babel (Daniël 2:49). Bekend zijn zij doordat zij weigerden het gouden beeld van de koning te aanbidden. Zij werden in een brandende oven geworpen en kwamen er ongedeerd uit (Daniël 3).
Wat betekenen de namen Sadrach, Mesach en Abednego?
Het zijn Babylonische hofnamen, en hun betekenis is grotendeels onzeker. Bij Abed-nego denken veel uitleggers aan de betekenis knecht van Nebo, naar een Babylonische god (Jesaja 46:1), met een licht gewijzigde uitspraak. Voor Sadrach en Mesach bestaan verschillende verklaringen, maar geen daarvan is zeker. Dat de namen naar goden verwezen, ligt voor de hand: van Daniëls hofnaam Beltsazar zegt Nebukadnezar dat die "naar den naam mijns gods" is gegeven (Daniël 4:8).
Wat waren de Hebreeuwse namen van Sadrach, Mesach en Abednego?
Hun Hebreeuwse namen waren Hananja, Misaël en Azarja. Daniël 1:7 zegt: "en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego." De naam Hananja betekent de HEERE is genadig, Azarja betekent de HEERE helpt. Bij Misaël is de verklaring minder zeker, waarschijnlijk: wie is wat God is? In Daniël 1:11, 1:19 en 2:17 gebruikt de Bijbel hun Hebreeuwse namen; vanaf Daniël 2:49 en in heel Daniël 3 alleen de Babylonische.
Waar staan Sadrach, Mesach en Abednego in de Bijbel?
Zij staan alleen in het boek Daniël, in de hoofdstukken 1 tot en met 3. Daniël 1 vertelt over hun wegvoering, hun nieuwe namen en hun opleiding aan het hof. In Daniël 2:17-18 bidden zij met Daniël om de openbaring van de droom van de koning, en in Daniël 2:49 krijgen zij een bestuursambt. Daniël 3 beschrijft het gouden beeld en de brandende oven. Na Daniël 3:30 worden zij niet meer bij naam genoemd.
Hoe schrijft u Abednego?
De Statenvertaling schrijft Abed-nego, met een koppelteken: "en Azarja Abed-nego" (Daniël 1:7). In de meeste Nederlandse teksten, kinderbijbels en zoekvragen staat Abednego aan elkaar. Beide vormen duiden dezelfde persoon aan. In Engelstalige bronnen staan de namen als Shadrach, Meshach en Abednego. Sadrach en Mesach worden in de Statenvertaling zonder h geschreven.
Wat gebeurde er met Sadrach, Mesach en Abednego in de vurige oven?
Nebukadnezar liet in het dal Dura een gouden beeld oprichten en beval iedereen het te aanbidden. De drie vrienden weigerden. De koning liet de oven zevenmaal heter stoken dan gewoonlijk en hen gebonden erin werpen; de soldaten die hen erin wierpen, kwamen om door het vuur (Daniël 3:19-22). Daarna zag de koning vier mannen los in het vuur wandelen. De drie kwamen ongedeerd naar buiten; zelfs hun mantels roken niet naar vuur (Daniël 3:27).
Wie was de vierde man in de vurige oven?
Nebukadnezar zag vier mannen in het vuur, "en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden" (Daniël 3:25). Even later zegt hij dat God "Zijn engel gezonden" heeft (Daniël 3:28). Veel oudere christelijke uitleggers zagen in de vierde de Zoon van God vóór Zijn menswording; anderen houden het bij een engel, zoals de koning zelf zegt. De tekst laat het bij deze woorden. In beide lezingen is de kern dat God bij Zijn knechten was in het vuur.
Waarom was Daniël niet bij de vurige oven?
Dat zegt de Bijbel niet. Daniël wordt in Daniël 3 nergens genoemd. Hij bekleedde een hoge positie "aan de poort des konings" (Daniël 2:49) en was mogelijk elders in het rijk aan het werk, of als hoogste ambtenaar niet verplicht aanwezig. Dat zijn vermoedens van uitleggers. Wel is zeker dat Daniël later zelf voor eenzelfde keuze stond, toen hij bleef bidden ondanks het verbod van Darius en in de leeuwenkuil werd geworpen (Daniël 6).
Wat betekent "Maar zo niet" in Daniël 3?
Met "Maar zo niet" (Daniël 3:18) zeggen de drie vrienden tegen de koning: onze God is machtig ons te verlossen, maar ook als Hij dat niet doet, zullen wij uw goden niet eren en het gouden beeld niet aanbidden. Het is geen twijfel aan Gods macht, maar overgave aan Zijn wil. Hun gehoorzaamheid hing niet af van een goede afloop. Daarom geldt deze uitdrukking als een belijdenis van geloof dat ook zonder redding standhoudt.
Wat gebeurde er later met Sadrach, Mesach en Abednego?
De Bijbel vertelt alleen dat de koning hen na de oven voorspoedig maakte in de provincie Babel (Daniël 3:30). Daarna worden zij niet meer genoemd. Hoe lang zij leefden en of zij de terugkeer uit Babel meemaakten, is onbekend. Latere geschriften buiten de Bijbel noemen hen wel: het apocriefe boek 1 Makkabeeën gebruikt hen als voorbeeld van geloof, en de Griekse vertaling van Daniël bevat een toegevoegd gebed van Azarja en een lofzang van de drie jongelingen. Die toevoegingen horen niet bij de canonieke tekst.
Worden Sadrach, Mesach en Abednego in het Nieuwe Testament genoemd?
Niet bij naam. Hebreeën 11 spreekt over gelovigen die "De kracht des vuurs hebben uitgeblust" (Hebreeën 11:34). Uitleggers denken daarbij doorgaans aan de drie vrienden in de oven, zoals de woorden ervoor, "de muilen der leeuwen toegestopt" (Hebreeën 11:33), aan Daniël herinneren. Daarmee rekent het Nieuwe Testament hen waarschijnlijk tot de geloofsgetuigen van het Oude Testament.
Wat kunnen wij leren van Sadrach, Mesach en Abednego?
Wij leren dat trouw in het werk en trouw aan God samengaan: zij dienden de koning van Babel, maar weigerden te aanbidden wat God verbiedt. Hun "Maar zo niet" (Daniël 3:18) leert ons gehoorzamen zonder de afloop te kennen. Het verhaal laat ook zien dat God de Zijnen niet altijd voor de beproeving bewaart, maar wel in de beproeving bij hen is. En het toont de kracht van samen bidden en samen staan (Daniël 2:17-18).

Stel een vraag over Sadrach, Mesach en Abednego

Wilt u meer weten over Sadrach, Mesach en Abednego? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Sadrach, Mesach en Abednego

Bijbelverhalen rond Sadrach, Mesach en Abednego

Verdiep u verder