Ga naar hoofdinhoud
Markus, MattheüsMarkus 10:13-16; Mattheüs 19:13-15

Jezus zegent de kinderen

De Heere Jezus neemt de kinderen in Zijn armen

Samenvatting

Jezus zegent de kinderen (Markus 10:13-16; Mattheüs 19:13-15) gaat over mensen die kleine kinderen bij Jezus brachten, zodat Hij hen zou aanraken en voor hen zou bidden. De discipelen wilden hen tegenhouden, maar Jezus nam het hun zeer kwalijk en zei: "Laat de kinderkens tot Mij komen". Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, komt er niet in. Daarna nam Jezus de kinderen in Zijn armen en zegende hen.

Bijbelgedeelte

“Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.”
Markus 10:14 (Statenvertaling)
“Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.”
Markus 10:15 (Statenvertaling)
“En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.”
Markus 10:16 (Statenvertaling)
“Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.”
Mattheüs 19:14 (Statenvertaling)
“En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.”
Mattheüs 18:3 (Statenvertaling)

Het verhaal

De geschiedenis waarin Jezus de kinderen zegent, staat in Markus 10:13-16 en in Mattheüs 19:13-15. Lukas vertelt haar kort in Lukas 18:15-17. Jezus is dan op weg naar Jeruzalem, waar Hij zal lijden en sterven. Markus zegt dat Hij naar de landpalen van Judea ging, door de overzijde van de Jordaan, dat de scharen weer bij Hem samenkwamen en dat Hij hen leerde, zoals Hij gewoon was (Markus 10:1).

Waar en wanneer zegende Jezus de kinderen?

Mattheüs en Markus plaatsen de geschiedenis tussen twee gesprekken. Eerst vroegen de Farizeeën Jezus of een man zijn vrouw mocht verlaten. Jezus wees hen terug naar het begin van de schepping: God heeft de mens man en vrouw gemaakt, en wat God samengevoegd heeft, mag de mens niet scheiden (Markus 10:2-12). Direct na de kinderen komt een rijke man die vraagt wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven (Markus 10:17). Eerst het huwelijk, dan de kinderen, dan de vraag hoe een mens zalig wordt. Die volgorde helpt om de woorden van Jezus te verstaan.

Waarom brachten de mensen hun kinderen bij Jezus?

"En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou" (Markus 10:13). Mattheüs zegt waarvoor: "opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden" (Mattheüs 19:13). De mensen wilden dus dat Jezus hun kinderen zou zegenen. Wie de kinderen brachten, zegt de tekst niet. Het ligt voor de hand dat het ouders of familieleden waren, maar de rij moeders die op schilderijen vaak te zien is, staat er niet. Lukas gebruikt in het Grieks voor de kinderen hetzelfde woord als voor het Kindeken in de kribbe (Lukas 2:12). Er waren dus ook heel jonge kinderen bij.

Waarom wilden de discipelen de kinderen wegsturen?

De discipelen bestraften degenen die de kinderen brachten (Markus 10:13). Zij spraken hen streng toe en wilden hen tegenhouden. Waarom, zegt geen van de evangelisten. Mogelijk wilden de discipelen hun Meester beschermen tegen drukte, of vonden zij kinderen niet belangrijk genoeg voor Zijn tijd. Dat laatste zou passen bij wat er kort tevoren gebeurd was. De discipelen hadden onderweg met elkaar gesproken over de vraag wie de meeste zou zijn, en Jezus had toen een kindeken midden onder hen gesteld en het met Zijn armen omvangen (Markus 9:33-37). Die les hadden zij blijkbaar nog niet begrepen.

Wat zei Jezus over de kinderen en het Koninkrijk van God?

Markus vertelt hoe Jezus reageerde: "Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods" (Markus 10:14). Alleen Markus noemt dat Jezus het zeer kwalijk nam. Hij was verontwaardigd, niet over de kinderen, maar over Zijn discipelen die hen tegenhielden. Lukas voegt toe dat Jezus de kinderkens tot Zich riep (Lukas 18:16). Zij hoefden niet te blijven staan waar de discipelen hen hadden gehouden.

Derzulken is het Koninkrijk Gods: het Koninkrijk behoort aan zulke kinderen, en aan ieder die aan hen gelijk is. Daarom voegt Jezus eraan toe: "Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan" (Markus 10:15). Hij zegt niet dat kinderen het Koninkrijk verdienen omdat zij onschuldig of lief zijn. Hij zegt dat het Koninkrijk ontvangen wordt, en dat niemand er op een andere manier binnenkomt.

Hoe zegende Jezus de kinderen?

Markus besluit met drie werkwoorden: "En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve" (Markus 10:16). De mensen wilden dat Hij de kinderen zou aanraken. Jezus gaf meer: Hij nam de kinderen in Zijn armen, legde hun de handen op en zegende hen. Mattheüs eindigt kort: toen Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar (Mattheüs 19:15). De weg naar Jeruzalem ging verder. Wie de gedeelten vers voor vers wil lezen, vindt de uitleg bij Markus 10 en de uitleg bij Mattheüs 19.

Achtergrond

De overzijde van de Jordaan is het gebied ten oosten van de rivier, dat de geschiedschrijver Josephus Perea noemt (Joodse Oorlog 3.3.3). Wie vanuit Galilea naar Jeruzalem reisde, kon die route nemen. Kort na deze geschiedenis schrijft Markus dat zij op de weg waren, "gaande op naar Jeruzalem" (Markus 10:32). Onderweg kondigde Jezus Zijn lijden voor de derde keer aan (Markus 10:33-34).

Handen opleggen en zegenen kende Israël van oudsher. De aartsvader Jakob legde zijn handen op het hoofd van Efraïm en Manasse en zegende hen (Genesis 48:14-16). De priesters moesten het volk zegenen met de woorden: "De HEERE zegene u, en behoede u" (Numeri 6:24). Zegenen is meer dan iemand iets goeds toewensen. De zegen wordt gegeven in de Naam van de HEERE, en Hij belooft Zelf: "Ik zal hen zegenen" (Numeri 6:27). Dat mensen hun kinderen bij een leraar brachten voor handoplegging en gebed, lag dus in de lijn van wat zij uit de Schrift kenden.

De drie evangelisten vertellen de geschiedenis elk op hun eigen manier. Mattheüs noemt het gebed, Markus de verontwaardiging en de armen van Jezus, Lukas de heel jonge kinderen en het roepen van Jezus. De woorden over het ontvangen van het Koninkrijk als een kindeken staan bij Markus en bij Lukas (Lukas 18:17).

Betekenis

In deze geschiedenis laat de Heere Jezus zien hoe God omgaat met wie klein is en niets kan inbrengen. De discipelen hielden de kinderen tegen, en Jezus nam hun dat zeer kwalijk. Hij zegt van zulke kinderen dat het Koninkrijk van God van hen is. Dat is geen oordeel over hun onschuld. De Bijbel noemt ook kinderen zondaars: "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren" (Psalm 51:7). Het is een woord van genade. Het Koninkrijk is een gave van God, en Hij geeft het aan wie niets heeft om mee te betalen.

Daarom is het Koninkrijk ontvangen gelijk een kindeken de enige weg naar binnen. Een klein kind laat zich dragen en neemt aan wat het gegeven wordt. De volgorde in Markus 10 maakt dat duidelijk. Direct na de kinderen komt een rijke man met de vraag: "wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve" (Markus 10:17)? Hij vraagt wat hij moet doen. De kinderen deden niets en werden gezegend. Mattheüs legt elders dezelfde nadruk: "Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan" (Mattheüs 18:3). Het gaat om bekering: de eigen grootheid loslaten en zich door God laten geven.

Tegelijk zegt de geschiedenis iets over de kinderen zelf. Jezus zegt niet alleen dat volwassenen moeten worden als kinderen. Hij roept de kinderen werkelijk tot Zich en zegent hen. Dat sluit aan bij Gods belofte aan Abraham, "om u te zijn tot een God, en uw zaad na u" (Genesis 17:7), en bij de woorden van Petrus op de Pinksterdag: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen" (Handelingen 2:39). De Heidelbergse Catechismus noemt in vraag en antwoord 74 als reden voor de doop van jonge kinderen dat zij evenals de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn. Veel gereformeerde uitleggers lezen deze geschiedenis daarom als een steun voor de doop van een kind. Andere christenen wijzen erop dat Jezus hier niet doopte maar zegende, en dat de tekst niet over de doop gaat. Daar denken christenen verschillend over. Dat Jezus kleine kinderen bij Zich wil hebben, staat er wel.

Ook Wie de zegen geeft, doet ertoe. In Israël legden de priesters de Naam van de HEERE op het volk. Hier zegent Jezus met Zijn eigen handen. Lukas vertelt dat Hij bij Zijn hemelvaart Zijn handen ophief en Zijn discipelen zegende, en dat Hij al zegenend van hen scheidde en werd opgenomen in de hemel (Lukas 24:50-51). Zegenen hoort bij Wie Hij is.

Lessen voor vandaag

De Heere Jezus wil dat kinderen tot Hem gebracht worden. Dat is eerst een belofte en daarna een opdracht. Ouders, grootouders, de kerk en de zondagsschool brengen kinderen bij Hem als zij voor hen bidden, hun de Bijbel voorlezen en hen meenemen onder het Woord. Paulus schrijft aan Timotheüs dat hij "van kinds af de heilige Schriften geweten" heeft (2 Timotheüs 3:15). Het woord van Jezus om de kinderen niet te verhinderen, geldt ook voor ons: niets in onze manier van doen mag kinderen bij Hem vandaan houden. Meer hierover leest u bij kinderen in de Bijbel.

God geeft Zijn Koninkrijk als een gave. Wij komen er niet binnen door wat wij zijn of doen, maar door te ontvangen wat Hij geeft. Dat is een troost voor wie zich klein en arm weet, en een waarschuwing voor wie meent iets te kunnen inbrengen. De rijke man die direct na de kinderen bij Jezus kwam, ging bedroefd weg (Markus 10:22). De kinderen, die niets meebrachten, werden gezegend.

Christus neemt de tijd voor wie onaanzienlijk is. Zijn discipelen hielden de kinderen tegen op de weg naar Jeruzalem, maar Hij nam hen in Zijn armen. Wat Hij voor kleinen over heeft, leert ook ons hoe wij met kleinen omgaan. Jezus had kort tevoren gezegd: "En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij" (Mattheüs 18:5). In de gemeente zijn kinderen dus geen bijzaak. Het zijn mensen die de Heere Zelf tot Zich roept.

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 4 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

De Heere Jezus was op reis. Hij was in het land aan de andere kant van de rivier de Jordaan. Hij was op weg naar Jeruzalem. Er kwamen weer veel mensen bij Hem. En de Heere Jezus leerde hen, zoals Hij altijd deed.

Toen kwamen er mensen aan met kinderen. Het waren kleine kinderen. De mensen brachten de kinderen bij de Heere Jezus. Ze wilden dat Hij de kinderen zou aanraken. Ze wilden dat Hij Zijn handen op hen zou leggen en voor hen zou bidden.

Dat heet zegenen. Als iemand zegent, vraagt en belooft hij dat God goed zal zijn voor een ander. Als de Heere Jezus zegent, geeft Hij die goedheid Zelf. In Israël deden de priesters dat al heel lang. Maar nu kwamen de mensen bij de Heere Jezus Zelf.

De discipelen zagen de mensen met de kinderen aankomen. De discipelen waren de leerlingen van de Heere Jezus. Zij gingen overal met Hem mee. Maar nu wilden ze de mensen tegenhouden. Ze bestraften hen. Dat betekent dat ze hen streng toespraken. De Bijbel vertelt niet waarom ze dat deden. Ze wilden in elk geval niet dat de kinderen bij Jezus kwamen.

Maar de Heere Jezus zag wat Zijn discipelen deden. De Bijbel zegt dat Hij het zeer kwalijk nam. Hij was er boos over. Niet op de kinderen, en ook niet op de mensen die hen brachten. Hij was boos op Zijn discipelen, omdat ze de kinderen tegenhielden.

De Heere Jezus riep de kinderen bij Zich. En Hij zei tegen de discipelen: "Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods".

Kinderkens zijn kleine kinderen. Verhinderen betekent tegenhouden. De Heere Jezus wilde dus niet dat iemand de kinderen bij Hem vandaan hield. Ze mochten bij Hem komen. Het Koninkrijk van God is voor zulke kinderen. Het Koninkrijk van God is daar waar God Koning is, en waar mensen bij Hem horen.

Toen zei de Heere Jezus nog iets tegen Zijn discipelen. Het waren ernstige woorden: "Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan".

Geenszins betekent: helemaal niet. Wie het Koninkrijk niet aanneemt zoals een klein kind, komt er niet in.

Wat bedoelde Hij daarmee? Een klein kind kan niets verdienen. Het kan niets betalen. Het krijgt wat het nodig heeft. Zo is het ook met het Koninkrijk van God. Niemand kan het verdienen, ook grote mensen niet. Je kunt het alleen krijgen, als een geschenk van God.

Daarna deed de Heere Jezus nog meer. De Bijbel zegt: "En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve". De mensen wilden dat Hij de kinderen zou aanraken. Maar de Heere Jezus deed nog meer: Hij nam de kinderen in Zijn armen. Hij legde Zijn handen op hen. En Hij zegende hen.

Toen Hij de kinderen gezegend had, ging de Heere Jezus weg van die plaats. Hij ging verder op Zijn weg naar Jeruzalem. Daar zou Hij lijden en sterven, en weer opstaan uit de dood.

De Heere Jezus stuurde de kinderen niet weg. Hij riep hen bij Zich en zegende hen. Hij is nu in de hemel. En nog altijd wil Hij dat kinderen bij Hem komen.

Om te onthouden
“Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.” (Markus 10:14)

Tips voor de verteller

  • De Bijbel zegt niet wie de kinderen brachten, hoeveel het er waren of wat zij deden. Vertel daarom niet over een rij moeders, over spelende kinderen of over een gesprek met een kind op schoot. Spreek van mensen die kinderen bij de Heere Jezus brachten. Wat er wel staat, is genoeg: Hij nam hen in Zijn armen, legde hun de handen op en zegende hen.
  • Leg de moeilijke woorden één keer uit: kinderkens (kleine kinderen), verhinderen (tegenhouden), zegenen (God vragen en beloven dat Hij goed zal zijn voor iemand) en het Koninkrijk van God (waar God Koning is en mensen bij Hem horen). Voor kleuters is het genoeg dat de Heere Jezus de kinderen niet wegstuurde, maar bij Zich riep en zegende.
  • Een kind kan vragen of het ook bij de Heere Jezus mag komen, nu Hij in de hemel is. Antwoord eerlijk: wij kunnen Hem niet zien, maar Hij hoort wie tot Hem bidt en Hij spreekt door Zijn Woord. Hij zegt Zelf: "die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen" (Johannes 6:37). Beloof niet meer dan de Bijbel belooft.
  • Kinderen vragen soms waarom de Heere Jezus boos werd. Zeg dat Hij niet boos was op de kinderen, maar op de discipelen die hen tegenhielden. Lees daarna Markus 10:13-16 zelf voor uit de Bijbel en laat de kinderen de onthoudtekst nazeggen. De woorden "Laat de kinderkens tot Mij komen" kunnen ook jonge kinderen leren.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWie werden er bij de Heere Jezus gebracht?
  2. NavertellenWat deden de discipelen toen de kinderen kwamen?
  3. VerwonderenWat deed de Heere Jezus met de kinderen?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenDe mensen wilden dat Jezus de kinderen zou aanraken. Welke drie dingen deed Hij volgens Markus 10:16?
  2. BetekenisWaarom nam Jezus het Zijn discipelen zo kwalijk dat zij de kinderen tegenhielden?
  3. VerbindingLees Lukas 24:50-51. Wat deed Jezus vlak voordat Hij naar de hemel ging, en waar lijkt dat op?
  4. ToepassingJezus zei dat kinderen tot Hem mogen komen. Hoe kun jij nu, terwijl Hij in de hemel is, tot Hem komen?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Markus 10:17-22, het gesprek dat direct volgt. De rijke man vraagt wat hij moet doen. Hoe zet Markus hem tegenover de kinderen van Markus 10:15?
  2. Wie is God?Jezus werd verontwaardigd toen de kinderen werden tegengehouden. Wat leert dat je over hoe God kijkt naar mensen die klein zijn of niet meetellen?
  3. Moeilijke vraagChristenen verschillen over de vraag of deze geschiedenis iets zegt over de doop van kleine kinderen. Wat staat er wel en niet in de tekst, en welke andere gedeelten spelen mee?
  4. PersoonlijkHet Koninkrijk ontvangen als een kind betekent: met lege handen komen. Wat vind jij daar moeilijk aan, of juist goed?

Gebedspunt: Dank de Heere Jezus dat Hij kinderen niet wegstuurt, maar hen tot Zich roept en zegent. Bid voor de kinderen in uw gezin, klas en gemeente, dat zij bij Hem gebracht worden en Zijn Koninkrijk ontvangen.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

Het Koninkrijk van GodKinderen bij JezusZegenOntvangen als een kindGods verbond

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over Jezus zegent de kinderen

Waar staat het verhaal van Jezus en de kinderen in de Bijbel?

De geschiedenis waarin Jezus de kinderen zegent, staat in drie evangeliën: Markus 10:13-16, Mattheüs 19:13-15 en Lukas 18:15-17. Markus vertelt haar het uitvoerigst. Alleen hij noemt dat Jezus het de discipelen zeer kwalijk nam en dat Hij de kinderen in Zijn armen nam. Bij Mattheüs en Markus staat de geschiedenis tussen het gesprek over het huwelijk en de ontmoeting met de rijke jongeling. Jezus is dan op weg naar Jeruzalem. Hij ging naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan (Markus 10:1).

Wat betekent laat de kinderen tot Mij komen?

Met die woorden berispt Jezus Zijn discipelen, die de kinderen wilden tegenhouden. Het hele vers luidt: "Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods" (Markus 10:14). Kinderkens zijn kleine kinderen, verhinderen is tegenhouden. Jezus wil dat kinderen bij Hem gebracht worden en dat niemand hen in de weg staat. De reden geeft Hij erbij: het Koninkrijk van God behoort aan zulken.

Wat betekent "derzulken is het Koninkrijk Gods"?

Derzulken betekent: van zulken. Het Koninkrijk van God behoort aan zulke kinderen en aan allen die aan hen gelijk zijn. Jezus zegt daarmee niet dat kinderen het Koninkrijk verdienen. Hij zegt dat God Zijn Koninkrijk geeft aan wie klein is en niets kan inbrengen. Jezus noemt het als de reden waarom de discipelen de kinderen niet mogen tegenhouden (Markus 10:14).

Wat bedoelt Jezus met het Koninkrijk ontvangen als een kind?

Een klein kind kan niets betalen en niets verdienen. Het neemt aan wat het gegeven wordt. Zo komt een mens in Gods Koninkrijk: door te ontvangen wat God geeft. Markus laat het zien door wat volgt. Een rijke man vraagt: "wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve" (Markus 10:17)? De kinderen deden niets en werden gezegend. Mattheüs verbindt het met bekering: "Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens" (Mattheüs 18:3).

Waren het moeders die hun kinderen bij Jezus brachten?

Dat staat er niet. Markus schrijft alleen: "En zij brachten kinderkens tot Hem" (Markus 10:13). Ook Mattheüs en Lukas noemen niet wie de kinderen brachten. Het ligt voor de hand dat ouders of andere familieleden het deden, en op schilderijen en in kinderbijbels zijn het vaak moeders. Maar de Bijbel noemt geen moeders, geen vaders en geen aantal kinderen. Wie de geschiedenis vertelt, kan het beste spreken van mensen die kinderen bij Jezus brachten.

Zegt Jezus dat kinderen onschuldig zijn?

Nee. Jezus prijst kinderen niet om hun onschuld of hun goedheid. De Bijbel zegt dat ieder mens in zonde geboren wordt: "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren" (Psalm 51:7). Het punt van Jezus is dat het Koninkrijk een gave is. Kinderen kunnen niets inbrengen en moeten alles ontvangen. Zo wordt ieder mens zalig: niet om eigen verdienste, maar door Gods genade. Het beeld van het onschuldige kind past daarom niet bij deze geschiedenis.

Gaat deze geschiedenis over de kinderdoop?

Niet rechtstreeks. Jezus doopte hier niet maar zegende: Hij nam de kinderen in Zijn armen, legde hun de handen op en zegende hen (Markus 10:16). Johannes schrijft elders dat Jezus Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen (Johannes 4:2). Toch lezen veel gereformeerde uitleggers deze geschiedenis als een steun voor de kinderdoop. Jezus zegt dat het Koninkrijk van God aan zulke kinderen behoort, en dat past bij Gods belofte aan de gelovigen en hun kinderen (Genesis 17:7; Handelingen 2:39). De Heidelbergse Catechismus noemt in vraag en antwoord 74 als reden dat jonge kinderen evenals volwassenen in het verbond begrepen zijn. Christenen die alleen dopen na een eigen geloofsbelijdenis, lezen de geschiedenis anders.

Hoe oud waren de kinderen die bij Jezus werden gebracht?

Dat zegt de Bijbel niet precies. Markus en Mattheüs spreken van kinderkens, kleine kinderen. Lukas gebruikt voor hen in het Grieks hetzelfde woord als voor het Kindeken in de kribbe (Lukas 2:12), een woord dat ook voor zuigelingen gebruikt wordt. Er waren dus in elk geval heel jonge kinderen bij, die waarschijnlijk nog gedragen werden. Dat Jezus hen in Zijn armen nam (Markus 10:16), past daarbij. Een leeftijd of een aantal noemt de tekst niet.

Waarom werd Jezus boos op Zijn discipelen?

Markus schrijft dat Jezus het zeer kwalijk nam (Markus 10:14). Zijn verontwaardiging gold niet de kinderen en niet de mensen die hen brachten, maar de discipelen die hen tegenhielden. Zij stonden in de weg van wat Jezus wilde: dat de kinderen tot Hem kwamen. Zijn boosheid was dus geen ongeduld, maar heilige verontwaardiging uit liefde voor de kinderen. Direct daarna nam Hij hen in Zijn armen en zegende hen (Markus 10:16).

Hoe vertelt u de geschiedenis van Jezus en de kinderen aan kinderen?

Deze geschiedenis is geschikt vanaf ongeveer 6 jaar. Met de verteltips is ze ook voor kleuters goed te volgen. Op deze pagina staat een vertelling die dicht bij Markus 10:13-16 en Mattheüs 19:13-15 blijft, met een tekst om te onthouden en tips voor de verteller. Laat de Heere Jezus centraal staan: Hij riep de kinderen tot Zich, nam hen in Zijn armen en zegende hen. Leg woorden als kinderkens, verhinderen, zegenen en Koninkrijk van God kort uit. Verzin geen moeders, spelletjes of gesprekken erbij.

Stel een vraag over Jezus zegent de kinderen

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder