Ga naar hoofdinhoud
LukasLukas 18:9-14

De Farizeeër en de tollenaar

Twee gebeden in de tempel, en één man gerechtvaardigd naar huis

Samenvatting

De Farizeeër en de tollenaar is de gelijkenis van Jezus over twee mannen die in de tempel bidden, in Lukas 18:9-14. De Farizeeër dankt God dat hij niet is zoals andere mensen en noemt op wat hij doet. De tollenaar blijft van verre staan en vraagt alleen om genade. Jezus zegt dat juist de tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging.

Bijbelgedeelte

“En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:”
Lukas 18:9 (Statenvertaling)
“De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.”
Lukas 18:11 (Statenvertaling)
“En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!”
Lukas 18:13 (Statenvertaling)
“Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.”
Lukas 18:14 (Statenvertaling)

Het verhaal

De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar staat alleen in het evangelie naar Lukas, in Lukas 18. Lukas plaatst haar in het deel van zijn evangelie waarin Jezus op weg is naar Jeruzalem (Lukas 9:51), direct na de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter, die over het volhouden in het gebed gaat (Lukas 18:1-8). Ook nu gaat het over bidden, maar met een andere vraag: met welk hart komt een mens tot God?

Aan wie vertelde Jezus de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar?

Lukas noemt eerst de hoorders. Jezus sprak deze gelijkenis "tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten" (Lukas 18:9). Hij noemt geen namen en ook geen groep. Het gaat om een houding: vertrouwen op de eigen rechtvaardigheid en neerzien op anderen. Die twee horen bij elkaar. Wie meent dat hij voor God in orde is, stelt zich gemakkelijk boven een ander.

Wat bad de Farizeeër in de tempel?

Twee mannen gaan op naar de tempel om te bidden. De een is een Farizeeër, de ander een tollenaar (Lukas 18:10). De Farizeeër gaat staan, zoals men gewoonlijk staande bad (vergelijk Markus 11:25), en bidt bij zichzelf. Hij begint met dank: "O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar" (Lukas 18:11). Daarna noemt hij wat hij doet: "Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit" (Lukas 18:12).

Het gebed begint bij God, maar het gaat over de bidder. Er staat geen schuldbelijdenis in en geen enkele vraag. De Farizeeër meet zich aan anderen en wijst daarbij naar de man die verderop staat. Niets in de gelijkenis zegt dat hij loog over zijn vasten of zijn tienden, en Jezus keurt het vasten en het geven hier niet af. Het probleem is waarop deze man vertrouwt.

Wat betekent: O God, wees mij zondaar genadig?

De tollenaar blijft van verre staan. Hij wil zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, en hij slaat op zijn borst (Lukas 18:13). Dat is een teken van rouw en berouw; zo keerden ook de scharen bij het kruis terug, "slaande op hun borsten" (Lukas 23:48). Zijn gebed is kort: "O God! wees mij zondaar genadig" (Lukas 18:13). Hij noemt geen werk en geen ander mens. Hij noemt God, en hij noemt zichzelf zondaar. In het Grieks staat er zelfs: mij, de zondaar. Hij vergelijkt zich niet, hij belijdt.

Het Griekse werkwoord voor genadig zijn hoort bij de woorden voor verzoening. De tollenaar vraagt dus niet om een vriendelijk oog, maar om verzoening van zijn schuld.

Wat betekent: deze ging gerechtvaardigd naar huis?

Dan spreekt Jezus Zijn oordeel uit: "Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die" (Lukas 18:14). Gerechtvaardigd betekent: door God vrijgesproken, rechtvaardig verklaard. Dat is precies wat de hoorders uit Lukas 18:9 voor zichzelf meenden te bezitten. De woorden meer dan die worden meestal verstaan als: deze wel, en die niet. Het verrassende is niet dat de Farizeeër tekortschiet, maar dat de tollenaar wordt aangenomen zonder dat hij iets kon aanbieden.

Jezus sluit af met een regel die Hij vaker uitsprak: "want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden" (Lukas 18:14). Dezelfde regel staat in Lukas 14:11 en Mattheüs 23:12. Het is God Die vernedert en verhoogt.

Wat volgt er na de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar?

Direct daarna brengen mensen kleine kinderen bij Jezus, en de discipelen bestraffen hen (Lukas 18:15). Jezus roept de kinderen tot Zich en zegt dat wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, er geenszins in zal komen (Lukas 18:17). Veel uitleggers zien die twee gedeelten als een paar: wie niets heeft om te bieden, ontvangt. Zie Jezus zegent de kinderen. Een hoofdstuk later gaat Jezus het huis binnen van een andere tollenaar, Zacheüs (Lukas 19:1-10).

Achtergrond

De Farizeeën waren een beweging binnen het jodendom die de wet nauwgezet wilde houden, ook in het dagelijks leven. Paulus noemt zichzelf vroeger "naar de wet een Farizeer" en zegt dat hij naar de rechtvaardigheid die in de wet is, onberispelijk was (Filippenzen 3:5-6). Niet alle Farizeeën stonden tegenover Jezus: Nikodemus, die Jezus opzocht, was een van hen (Johannes 3:1-2).

Tollenaars inden tol en belasting voor de Romeinen of voor de vorsten die onder Rome regeerden. Velen eisten meer dan was vastgesteld. Johannes de Doper zei tegen hen: "Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is" (Lukas 3:13). Daarom werden zij in één adem genoemd met zondaars (Lukas 15:1).

De wet schreef één vastendag per jaar voor. Op de Grote Verzoendag moest Israël de zielen verootmoedigen (Leviticus 16:29), wat werd verstaan als vasten. Tienden vroeg de wet van de opbrengst van het land (Deuteronomium 14:22). De Farizeeër deed beide veel vaker en ruimer dan geboden was. De tempel stond in Jeruzalem op de tempelberg, en daarom spreekt de tekst van opgaan.

Betekenis

De gelijkenis laat in de eerste plaats zien hoe God een zondaar rechtvaardigt. Niet de man met de meeste goede werken gaat vrijgesproken naar huis, maar de man die alleen om genade vraagt. De Farizeeër vertrouwde bij zichzelf dat hij rechtvaardig was; de tollenaar zocht het buiten zichzelf, bij God. Paulus zegt later hetzelfde zonder beeld: God is Hij "Die den goddeloze rechtvaardigt" (Romeinen 4:5), en "de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet" (Romeinen 3:28). In de reformatorische uitleg staat deze gelijkenis daarom dicht bij de leer van de rechtvaardiging (vergelijk Heidelbergse Catechismus, Zondag 23, vraag 60).

De gelijkenis laat ook zien dat God het hart ziet. Tegen de Farizeeën had Jezus gezegd: "God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God" (Lukas 16:15). Vasten en tienden geven waren niet verkeerd. Maar ze werden de grond van het vertrouwen en de maat om anderen te verachten. De HEERE zegt bij Jesaja: "op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest" (Jesaja 66:2), en in Psalm 51 staat: "een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten" (Psalm 51:19).

Nederigheid is hier geen nieuwe prestatie. De tollenaar wordt niet vrijgesproken omdat hij zo nederig bad, alsof zijn borstslag zijn zonden goedmaakte. Hij wordt vrijgesproken omdat God genadig is, en daar vraagt zijn gebed om. Zijn bede om verzoening wijst vooruit naar Christus. Hetzelfde Griekse werkwoord gebruikt de brief aan de Hebreeën voor Hem: Hij moest de broederen gelijk worden om een barmhartig en een getrouw Hogepriester te zijn, "om de zonden des volks te verzoenen" (Hebreeën 2:17).

Lessen voor vandaag

God wil gezocht worden met lege handen. Wie bidt, hoeft niet eerst op te sommen wat hij gedaan heeft. Het gebed van de tollenaar is kort genoeg voor ieder mens, en het is genoeg, omdat God genadig is: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve" (1 Johannes 1:9).

Het vergelijken met anderen loopt dood. Naar menselijke maat leefde de Farizeeër beter dan de tollenaar. Maar God legt niet de ene mens naast de andere. Hij legt ons naast Zijn heilige wet. Dan wordt alle mond gestopt, "want door de wet is de kennis der zonde" (Romeinen 3:19-20).

Deze gelijkenis heeft ook een valkuil. Wie haar leest, kan gaan denken: gelukkig ben ik niet zoals die Farizeeër. Dan bidt men zijn gebed opnieuw, alleen met een andere naam erin. De gelijkenis is gericht tot ieder die op zichzelf vertrouwt en anderen niets acht, ook tot wie in de kerk is opgegroeid en de afloop al kent. God geeft genade aan de nederigen (Jakobus 4:6), en nederigheid begint waar wij onze eigen schuld belijden en niet die van een ander.

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 4 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

De Heere Jezus vertelde vaak gelijkenissen. Een gelijkenis is een vergelijking. Jezus vertelde dan over mensen en dingen uit het gewone leven, om iets duidelijk te maken over God. Deze keer sprak Hij tegen mensen die dachten dat zij rechtvaardig waren. Rechtvaardig betekent: goed voor God, zonder schuld. Die mensen vertrouwden op zichzelf. En op andere mensen keken ze neer.

Jezus vertelde over twee mannen. Ze gingen allebei naar de tempel om te bidden. De tempel in Jeruzalem was het huis van God.

De ene man was een Farizeeër. De Farizeeën wilden heel precies leven volgens de wet van God. De andere man was een tollenaar. Een tollenaar haalde belasting op. Veel tollenaars vroegen meer geld dan mocht. Daarom noemden de mensen hen zondaars.

De Farizeeër ging staan en bad. Hij zei: "O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen". Toen noemde hij mensen op die stalen en onrecht deden. Zo was hij niet, zei hij. Hij was ook niet zoals deze tollenaar, die daar in de tempel stond.

Daarna vertelde hij God wat hij allemaal goed deed. "Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit". Vasten betekent: een tijd niet eten, om je helemaal op God te richten. Tienden geven betekent: van alles wat je hebt een tiende deel aan God geven. Van tien muntjes geef je er één.

Luister nog eens naar dat gebed. De Farizeeër dankte God wel, maar hij sprak vooral over zichzelf. Hij vroeg God nergens om. Hij zei niets over zijn zonden.

De tollenaar bleef ver weg staan. Hij wilde zijn ogen niet eens opslaan naar de hemel. Hij sloeg op zijn borst. Dat deed iemand die diep verdriet had. Hij bad maar een paar woorden: "O God! wees mij zondaar genadig". Een zondaar is iemand die zonden doet tegen God. Genadig zijn betekent: iemand niet straffen zoals hij verdient, maar hem toch goed doen. De tollenaar noemde niets goeds van zichzelf. Hij noemde ook geen andere mensen. Hij noemde zichzelf een zondaar en vroeg God alleen om genade.

Toen zei de Heere Jezus wat God van deze twee mannen vond. Maar Jezus zei: "Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die". Ulieden betekent: jullie. Met deze bedoelde Jezus de tollenaar. Gerechtvaardigd betekent: God spreekt iemand vrij. Hij rekent hem zijn zonden niet meer toe.

Dus de tollenaar ging naar huis, vrijgesproken door God. Hij had zichzelf niet goed gemaakt. Hij had niets aan God kunnen geven. God had hem genade gegeven, omdat God genadig is. Over de Farizeeër zei Jezus dat niet.

Jezus zei er nog iets bij: "want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden". Jezelf verhogen is: doen alsof je groot en goed bent tegenover God. Jezelf vernederen is: eerlijk zeggen dat je een zondaar bent. God maakt klein wie zich groot maakt. En wie zich voor God klein maakt, maakt Hij groot.

Zo eindigt deze gelijkenis. De Heere spreekt niet vrij wie op zichzelf vertrouwt. Hij hoort de zondaar die om genade roept, want Hij is genadig.

Om te onthouden
“O God! wees mij zondaar genadig!” (Lukas 18:13)

Tips voor de verteller

  • Leg vooraf kort uit wat een Farizeeër, een tollenaar, vasten, tienden, genadig en gerechtvaardigd betekenen. Voor kinderen van 4-7 jaar kunt u de opsomming van mensen die stalen en onrecht deden weglaten en u beperken tot de twee mannen, hun twee gebeden en wat Jezus erover zegt. Lees daarna Lukas 18:10-14 uit de Bijbel zelf voor.
  • Maak van de Farizeeër geen karikatuur met een boos gezicht, mooie kleren of een harde stem; de Bijbel zegt daar niets over. Zijn leven was naar buiten ernstig en vroom. Maak ook van de tollenaar geen held die het goed deed omdat hij zo nederig was. Hij ging vrijgesproken naar huis omdat God genadig is.
  • Een kind kan vragen: maar de Farizeeër deed toch veel goeds? Zeg eerlijk dat vasten en geven niet verkeerd zijn. Maar hij vertrouwde erop en keek neer op een ander. Voor God is niemand goed genoeg om op zichzelf te rekenen; daarom hebben wij allemaal genade nodig, ook wie in de kerk is opgegroeid.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWelke twee mannen gingen naar de tempel om te bidden?
  2. NavertellenWat vroeg de tollenaar aan God?
  3. VerwonderenGod hoorde het korte gebed van de tollenaar. Wat vind je daarvan?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenWat noemde de Farizeeër op in zijn gebed? En wat vroeg hij aan God?
  2. BetekenisWaarom sprak God de tollenaar vrij, terwijl hij niets goeds over zichzelf kon vertellen?
  3. VerbindingZacheüs was ook een tollenaar. Wat zei de Heere Jezus bij hem in Lukas 19:10?
  4. ToepassingMet welke woorden van de tollenaar kun jij zelf ook tot God bidden? Waarom zijn dat goede woorden?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Filippenzen 3:4-9. Paulus was zelf een Farizeeër. Waarop vertrouwde hij eerst, en waarop later? Wat heeft dat met deze gelijkenis te maken?
  2. Wie is God?God spreekt de tollenaar vrij en niet de man die zo trouw vastte en gaf. Wat leert dat over God? Betrek Romeinen 4:5 erbij.
  3. Moeilijke vraagWie deze gelijkenis leest, kan gaan neerkijken op de Farizeeër. Waarom is het zo moeilijk om dat niet te doen? Hoe kom je daaruit, als dat al kan?
  4. PersoonlijkDe tollenaar bracht niets mee naar de tempel dan zijn schuld. Wat betekent het voor jou dat God zo’n gebed hoort?

Gebedspunt: Dank God dat Hij genadig is voor zondaars die niets meebrengen dan hun schuld. Bid om een nederig hart dat niet op zichzelf vertrouwt en niet op anderen neerkijkt.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

rechtvaardiging uit genadegebednederigheidhoogmoedschuldbelijdenis

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over De Farizeeër en de tollenaar

Waar staat het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar in de Bijbel?

De gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar staat in Lukas 18:9-14. Alleen Lukas vertelt haar; Mattheüs, Markus en Johannes hebben haar niet. Zij volgt direct op de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter (Lukas 18:1-8), die ook over het gebed gaat. Daarna brengen mensen kleine kinderen bij Jezus (Lukas 18:15-17) en komt de rijke overste met zijn vraag (Lukas 18:18). Jezus vertelt de gelijkenis op Zijn reis naar Jeruzalem.

Wat is de betekenis van de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar?

Lukas geeft het doel zelf: Jezus vertelde haar aan mensen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en op anderen neerkeken (Lukas 18:9). De Farizeeër bidt over zijn eigen goede werken; de tollenaar belijdt dat hij een zondaar is en vraagt om genade. Jezus zegt dat juist de tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging. God spreekt niet vrij wie op zichzelf vertrouwt, maar wie zijn schuld belijdt en alleen op Zijn genade hoopt.

Was de Farizeeër een slecht mens?

Niet naar menselijke maat. Hij vastte twee keer per week en gaf tienden van alles wat hij bezat (Lukas 18:12), meer dan de wet vroeg. Niets in de gelijkenis zegt dat hij daarover loog. De fout zat in zijn vertrouwen: hij rekende op zijn eigen rechtvaardigheid en keek neer op de tollenaar. Het is ook een misverstand dat alle Farizeeën huichelaars waren. Nikodemus was een Farizeeër die Jezus opzocht (Johannes 3:1-2), en Paulus noemt zichzelf vroeger "naar de wet een Farizeer" (Filippenzen 3:5).

Wat was een tollenaar in de Bijbel?

Een tollenaar inde tol en belasting voor de Romeinen of voor een vorst die onder Rome regeerde. Velen eisten meer dan was vastgesteld en verrijkten zich. Johannes de Doper zei tegen tollenaars die zich kwamen laten dopen: "Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is" (Lukas 3:13). Daarom werden tollenaars in één adem genoemd met zondaars (Lukas 15:1). Jezus riep toch een tollenaar tot discipel, Levi (Lukas 5:27), en ging het huis binnen van Zacheüs, een overste der tollenaren (Lukas 19:2).

Werd de tollenaar gerechtvaardigd omdat hij nederig was?

Nee, niet als beloning voor zijn nederigheid. Dan zou nederigheid een nieuwe prestatie worden waarop een mens kan rekenen. De tollenaar bood God niets aan; hij vroeg alleen: "O God! wees mij zondaar genadig" (Lukas 18:13). Hij werd vrijgesproken omdat God genadig is. Zijn nederigheid is de houding van iemand die weet dat hij niets heeft om te geven. Paulus zegt het zo: God is Hij "Die den goddeloze rechtvaardigt" (Romeinen 4:5).

Waarom sloeg de tollenaar op zijn borst?

Op de borst slaan was een teken van rouw en diep berouw. Lukas noemt het ook bij het kruis: de scharen keerden terug, "slaande op hun borsten" (Lukas 23:48). De tollenaar bleef bovendien van verre staan en wilde zijn ogen niet opheffen naar de hemel (Lukas 18:13). Zijn houding past bij zijn gebed. Hij kwam niet als iemand die recht had om daar te staan, maar als iemand die wist dat hij schuldig was voor God.

Waarom vastte de Farizeeër twee keer per week?

De Bijbel geeft zijn reden niet. De wet van Mozes schreef maar één vastendag per jaar voor: op de Grote Verzoendag moest Israël de zielen verootmoedigen (Leviticus 16:29), wat werd verstaan als vasten. Wie twee keer per week vastte, deed dus veel meer dan geboden was. Zo ook met de tienden: de wet vroeg tienden van de opbrengst van het land (Deuteronomium 14:22), en de Farizeeër gaf tienden van alles wat hij bezat. Jezus keurt hier niet het vasten af, maar het vertrouwen erop.

Wat betekent: wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden?

Met deze woorden sluit Jezus de gelijkenis af (Lukas 18:14). Zichzelf verhogen is zich voor God groter en beter voordoen dan men is, zoals de Farizeeër deed. Zichzelf vernederen is eerlijk worden over de eigen schuld, zoals de tollenaar. Het is God Die vernedert en verhoogt. Jezus sprak dezelfde regel uit aan een maaltijd (Lukas 14:11) en in Zijn rede over de Schriftgeleerden en Farizeeën (Mattheüs 23:12). Jakobus schrijft: "God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade" (Jakobus 4:6).

Hoe vertelt u de Farizeeër en de tollenaar aan kinderen?

Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar. Leg eerst kort uit wat een Farizeeër en een tollenaar waren. Laat dan beide gebeden horen in de woorden van de Statenvertaling, en geef de meeste ruimte aan wat Jezus zegt: de tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis. Maak van de Farizeeër geen karikatuur en van de tollenaar geen held. Het korte gebed uit Lukas 18:13 is goed om samen te leren. De gespreksvragen zijn er voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar.

Stel een vraag over De Farizeeër en de tollenaar

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder