Rond Allerzielen, op 2 november, worden in rooms-katholieke kerken de overledenen herdacht en wordt er voor hen gebeden. Achter die gewoonte staat de leer van het vagevuur. Op deze pagina leest u wat de Rooms-Katholieke Kerk leert, waarop zij zich beroept en waarom de Reformatie op grond van de Schrift anders oordeelde.
Wat is het vagevuur?
Het vagevuur is volgens de rooms-katholieke leer een toestand van reiniging na de dood. Het woord hangt samen met het oude werkwoord vagen, schoonmaken; het Latijnse purgatorium komt van purgare, reinigen. Het gaat dus om een louteringsvuur, en uitdrukkelijk niet om de hel.
Volgens de Catechismus van de Katholieke Kerk (1992, nummers 1030-1031) is het vagevuur bestemd voor wie in Gods genade en vriendschap sterft, maar nog niet volkomen gereinigd is. Zo iemand is zeker van zijn heil, maar moet eerst gelouterd worden om de vreugde van de hemel binnen te gaan. Rooms-katholieke uitleggers wijzen erop dat niets wat onrein is het hemelse Jeruzalem binnengaat (Openbaring 21:27).
Het vagevuur is in die leer dus geen tweede kans voor wie zonder geloof stierf. Het hangt samen met een onderscheid tussen de schuld van de zonde, die vergeven wordt, en tijdelijke straffen die na de vergeving nog overblijven (Catechismus, nummers 1472-1473).
Waarop baseert de Rooms-Katholieke Kerk het vagevuur?
De Rooms-Katholieke Kerk beroept zich vooral op drie plaatsen.
- 2 Makkabeeën 12: Judas de Makkabeeër laat een zoenoffer brengen voor gesneuvelde soldaten, opdat zij van hun zonde verlost zouden worden. Dat veronderstelt dat doden nog geholpen kunnen worden.
- 1 Korinthe 3: Paulus schrijft over iemand wiens werk verbrandt en die schade lijdt, 'maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur' (1 Korinthe 3:15). Hierin zien rooms-katholieke uitleggers een reinigend vuur voor wie behouden wordt.
- Mattheüs 12: de Heere Jezus zegt dat de lastering tegen de Heilige Geest niet vergeven wordt, 'noch in deze eeuw, noch in de toekomende' (Mattheüs 12:32). Paus Gregorius de Grote (Dialogen, boek IV) leidde hieruit af dat sommige zonden ook na dit leven vergeven kunnen worden.
Daarnaast wijst de Rooms-Katholieke Kerk op het oude kerkelijke gebruik om voor de doden te bidden. Haar catechismus noemt het Concilie van Florence (1439) en het Concilie van Trente (1563) als de plaatsen waar de leer werd vastgelegd (nummer 1031).
Staat het vagevuur in de Bijbel?
Het woord vagevuur komt in de Bijbel niet voor, net zomin als het woord Drie-eenheid. De vraag is of de zaak er staat.
Het sterkste argument uit de Bijbel zelf is 1 Korinthe 3. Paulus spreekt daar over het werk van hen die aan de gemeente bouwen, op het enige fundament, Jezus Christus (1 Korinthe 3:11). Op de dag van het oordeel wordt dat werk openbaar: 'want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt' (1 Korinthe 3:13). Het vuur beproeft het werk, niet de persoon. Dat gebeurt op de jongste dag; van een periode tussen sterven en opstanding spreekt Paulus hier niet. Wie slecht gebouwd heeft, verliest zijn loon, maar ontkomt zelf als uit een brand. Over een reiniging van de ziel spreekt de tekst niet. In de uitleg van 1 Korinthe 3 leest u het hele verband.
Mattheüs 12:32 zegt dat één zonde nooit vergeven wordt; daaruit volgt niet dat andere zonden na de dood alsnog vergeven worden. Markus 3:29 zegt zelfs dat wie tegen de Heilige Geest lastert, in der eeuwigheid geen vergeving heeft.
En 2 Makkabeeën hoort bij de apocriefe boeken. De kerken van de Reformatie lezen die met respect als oude geschriften, maar gronden er geen leer op. Artikel 6 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat uit deze boeken geen artikel van het geloof bevestigd kan worden.
Waarom wees de Reformatie het vagevuur af?
De Reformatie begon in 1517 met de stellingen van Maarten Luther tegen de aflaathandel. Een aflaat beloofde verkorting van de straf in het vagevuur, voor uzelf of voor een overledene. Luther en na hem Calvijn (Institutie, boek III, hoofdstuk 5) gingen terug naar de Schrift en vonden daar een volkomen Verlosser.
De kern is het werk van Christus. Hebreeën 10 stelt Zijn offer tegenover de offers in de tempel, die steeds herhaald moesten worden: 'Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden' (Hebreeën 10:14). Waar vergeving is, daar is geen offerande meer voor de zonde (Hebreeën 10:18). Als Christus de Zijnen volmaakt heeft, blijft er na het sterven geen reiniging over. Meer hierover in de uitleg van Hebreeën 10.
Johannes schrijft: 'het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde' (1 Johannes 1:7). Daarom kan Paulus zeggen: 'Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn' (Romeinen 8:1). Ook de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jesaja 53:5). Dat God Zijn kinderen in dit leven kan tuchtigen (Hebreeën 12:6), is iets anders: de tucht van een Vader is geen betaling.
Daar komt bij wat de Bijbel zegt over het sterven van de gelovige. Tegen de misdadiger aan het kruis zei de Heere Jezus: 'Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn' (Lukas 23:43). Die man had geen leven van heiliging achter zich en was toch diezelfde dag bij Christus. Paulus verlangde ernaar ontbonden te worden en met Christus te zijn (Filippenzen 1:23). Een tussenstation noemt hij niet.
Waar christenen verschillen
Alle christenen belijden dat God heilig is en dat niemand in eigen kracht voor Hem kan bestaan (Psalm 130:3). Het verschil gaat over de vraag hoe een mens rein wordt voor de hemel.
- Rooms-katholiek: wie in genade sterft, is behouden, maar wordt zo nodig na de dood gelouterd. Gebeden en missen voor overledenen helpen hen daarbij. De leer rust op Schrift en overlevering samen.
- Oosters-orthodox: deze kerken bidden voor de doden, maar hebben de Latijnse leer van een louteringsvuur niet overgenomen.
- Reformatorisch en breder protestants: Christus heeft alles volbracht (Johannes 19:30). De ziel van de gelovige wordt bij het sterven volmaakt (Hebreeën 12:23) en gaat terstond naar Christus. Wie zonder Christus sterft, krijgt geen tweede kans (Hebreeën 9:27).
Rooms-katholieke christenen zien de loutering als een werk van Gods genade en ontkennen niet dat Christus de enige Verlosser is. Toch raakt dit verschil de kern van het evangelie: is het werk van Christus genoeg om een zondaar volkomen rein voor God te stellen?
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 57) belijdt de gelovige dat 'mijn ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden'. Terstond: dat woord laat geen ruimte voor een tussentijd van loutering.
In Zondag 30 (vraag 80) belijdt de catechismus dat het Avondmaal ons betuigt 'dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hijzelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft'. In dezelfde vraag wijst hij de leer van de mis af, dat levenden en doden pas vergeving ontvangen door een offer dat steeds opnieuw gebracht wordt.
Artikel 21 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat Christus Zichzelf eenmaal geofferd heeft en dat wij geen ander middel hebben om met God verzoend te worden; het artikel gebruikt daarbij de woorden van Hebreeën 10:14. Artikel 22 zegt het scherp: wie meent dat er naast Christus nog iets nodig is, maakt Hem maar half tot Zaligmaker.
Wat betekent dit rond Allerzielen?
Op Allerzielen herdenken veel mensen hun gestorven geliefden; ook wie het vagevuur niet gelooft, mag dat doen met dankbaarheid en verdriet. Of bidden voor gestorvenen bijbels is, vindt u bij de verwante vragen hieronder. Wat er met de ziel gebeurt, leest u bij wat er na het sterven gebeurt.
De reformatorische troost is eenvoudig. Wie in Christus ontslaapt, hoeft niets meer te voldoen en niets meer te ondergaan. Paulus schrijft aan de gemeente in Thessalonica dat zij over haar ontslapenen niet bedroefd hoeft te zijn zoals de anderen, die geen hoop hebben (1 Thessalonicenzen 4:13). Die hoop rust op wat Christus volbracht heeft, niet op wat nabestaanden na hun sterven nog voor hen doen.
Wie rooms-katholiek is opgegroeid, of familie heeft die voor een overledene een mis laat opdragen, kan daarover rustig in gesprek gaan. Lees samen Hebreeën 10 en Lukas 23. Daar staat geen vonnis over anderen, wel een rijke belofte voor ieder die op Christus vertrouwt. Met persoonlijke vragen kunt u terecht bij uw predikant of ouderling.
'Zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan' (Openbaring 14:13)