Bijna iedereen hoopt na dit leven bij God te zijn. Vaak klinkt de gedachte dat het wel goed komt met wie zijn best doet en niemand kwaad doet. De Bijbel denkt daar strenger over, en tegelijk ruimer: de hemel staat open voor zondaren die zelf niets kunnen inbrengen. Op deze pagina leest u welke weg de Bijbel wijst, waarom goed leven niet genoeg is en hoe het begint. Hoe de hemel zelf beschreven wordt, leest u bij wat de Bijbel over de hemel zegt.
Hoe kom ik in de hemel volgens de Bijbel?
In de nacht voor Zijn sterven zei de Heere Jezus dat Hij heenging om plaats te bereiden in het huis van Zijn Vader (Johannes 14:2). Thomas zei eerlijk dat zij de weg niet kenden (Johannes 14:5). Christus wees naar Zichzelf: 'Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij' (Johannes 14:6). De weg naar de hemel is dus een Persoon: Christus Zelf. In de uitleg van Johannes 14 leest u dit gesprek in zijn verband.
Petrus zei later voor de Joodse raad dat de zaligheid in geen ander is en dat onder de hemel geen andere naam gegeven is waardoor mensen zalig moeten worden (Handelingen 4:12). Dat klinkt smal, en dat is het ook. Toch is het ruim: Christus wijst niemand af die door Hem tot de Vader komt.
De Bijbel noemt dit zalig worden: gered worden van de straf op de zonde en het eeuwige leven ontvangen. Dat leven begint al hier en wordt na het sterven volkomen.
Is goed leven genoeg om in de hemel te komen?
Veel mensen denken dat God aan het eind de goede en de slechte daden tegen elkaar afweegt. De Bijbel legt de lat hoger. God vraagt geen gemiddelde. Hij vraagt volmaakte liefde tot Hem en tot de naaste (Mattheüs 22:37-39). Paulus stelt vast: 'Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods' (Romeinen 3:23). Jakobus voegt eraan toe dat wie de hele wet houdt en in één gebod struikelt, schuldig is aan alle (Jakobus 2:10). Zelfs onze beste daden zijn voor God niet rein; Jesaja vergelijkt ze met een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6).
De Heere Jezus vertelde over een Farizeeër die God dankte dat hij niet was zoals andere mensen, en over een tollenaar die van verre bleef staan en alleen kon bidden: 'O God! wees mij zondaar genadig!' (Lukas 18:13). Het was de tollenaar die gerechtvaardigd naar huis ging (Lukas 18:14). Ook de misdadiger aan het kruis kon niets meer goedmaken, en toch beloofde Christus de man dat hij die dag met Hem in het paradijs zou zijn (Lukas 23:42-43).
Daarom schrijft Paulus: 'Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme' (Efeze 2:8-9). Genade is onverdiende gunst: God geeft wat de zondaar niet verdient. Meer daarover leest u bij wat genade in de Bijbel betekent. Dat God zondaren zo kan aannemen, komt doordat Christus in hun plaats de straf droeg (2 Korinthe 5:21). Waarom dat nodig was, leest u bij waarom Jezus moest sterven.
Wie komt er in de hemel?
Het bekendste vers van de Bijbel zegt het zo: 'Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe' (Johannes 3:16). Die liefde is ruim: een iegelijk, welk verleden iemand ook heeft. Tegelijk noemt het vers een grens: het eeuwige leven is er voor wie in de Zoon gelooft. Een paar verzen verder staat dat wie de Zoon ongehoorzaam is, het leven niet zal zien (Johannes 3:36). Christus sprak ook over een enge poort en een brede weg die naar het verderf leidt (Mattheüs 7:13-14).
Wie gaat er dan naar de hemel? Vroomheid aan de buitenkant is niet genoeg. Nicodemus was een Farizeeër en een leraar van Israël, en toch zei Christus tegen hem dat niemand het Koninkrijk Gods kan zien, tenzij hij wederom geboren wordt (Johannes 3:3). Wie in de hemel komt, is door God vernieuwd en heeft Christus aangenomen; die krijgt macht om een kind van God te worden (Johannes 1:12). Wat de Bijbel over jong gestorven kinderen zegt, leest u bij gaan baby's die sterven naar de hemel. Over het hart van een ander oordelen wij niet. De vraag die de Bijbel stelt, gaat over uw eigen hart.
Wat moet ik doen om zalig te worden?
Die vraag stelde de gevangenbewaarder in Filippi na een aardbeving (Handelingen 16:30). Paulus en Silas antwoordden: 'Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden' (Handelingen 16:31). De eerste prediking van de Heere Jezus klinkt hetzelfde: 'bekeert u, en gelooft het Evangelie' (Markus 1:15). Bekering is een omkeer: breken met de zonde en terugkeren naar God. Geloven is meer dan dingen voor waar houden. Het is vertrouwen op Christus en op Zijn werk alleen.
Is dat dan toch iets wat een mens moet presteren? De Bijbel houdt twee dingen samen. Bekering en geloof zijn Gods werk. God belooft een nieuw hart te geven en het stenen hart weg te nemen (Ezechiël 36:26). Paulus noemt het zalig worden door het geloof Gods gave (Efeze 2:8), en hij schrijft dat het de gelovigen uit genade gegeven is in Christus te geloven (Filippenzen 1:29). Tegelijk roept de Bijbel ieder mens werkelijk op. Christus vraagt om te strijden om door de enge poort in te gaan (Lukas 13:24). Paulus spoort de gelovigen aan hun zaligheid te werken met vreze en beven, juist omdat God in hen werkt het willen en het werken (Filippenzen 2:12-13).
Het geloof is dus geen prestatie waarmee iemand de hemel verdient. Het is de lege hand die aanneemt wat Christus verdiend heeft. Goede werken volgen daarop als vrucht: God heeft de Zijnen in Christus geschapen tot goede werken, opdat zij daarin zouden wandelen (Efeze 2:10).
Hoe begint de weg naar de hemel?
Wie zich afvraagt of hij wel genoeg berouw heeft of goed genoeg gelooft, kijkt vaak naar zichzelf. De Bijbel wijst van onszelf weg naar Christus. Hij belooft dat Hij wie tot Hem komt, geenszins zal uitwerpen (Johannes 6:37).
Het begint met horen wat God in Zijn Woord zegt. Lees bijvoorbeeld het Evangelie naar Johannes en bid met de tollenaar om genade. In de hemel is blijdschap over één zondaar die zich bekeert (Lukas 15:7). Zoek een kerk waar het Woord gepredikt wordt, en spreek over uw vragen met een predikant of ouderling. Wie Christus leert kennen, mag weten dat de Geest Zelf met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn (Romeinen 8:16).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De kerk vat dit onderwijs van de Schrift samen in Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus. Op de vraag of alle mensen door Christus zalig worden, antwoordt vraag 20: 'Neen; maar alleen diegenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 7, vraag 20). Vraag 21 legt uit dat een waar geloof meer is dan kennis: het is ook een vast vertrouwen, door de Heilige Geest in het hart gewerkt, dat God uit louter genade vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid schenkt, alleen om der verdienste van Christus wil.
HC Zondag 23 (vraag 60) belijdt dat iemand alleen door een waar geloof in Jezus Christus rechtvaardig is voor God. Ook al klaagt het geweten aan, God schenkt en rekent hem zonder enige verdienste de gerechtigheid van Christus toe (Romeinen 3:24). De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 22 en 23 hetzelfde: het geloof is het middel waardoor wij Christus omhelzen, en onze gerechtigheid voor God is de vergeving van onze zonden om Zijnentwil. Artikel 24 voegt eraan toe dat goede werken uit het ware geloof voortkomen, en toch niet meetellen om ons te rechtvaardigen. De Dordtse Leerregels (hoofdstuk III/IV, artikel 14) noemen het geloof zelf een gave van God.
'Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven' (Mattheüs 11:28)