Wie de Apostolische Geloofsbelijdenis uitspreekt, belijdt dat Christus geleden heeft, gekruisigd is, gestorven en begraven, en daarna: nedergedaald ter helle. Is de Zoon van God na Zijn sterven naar de plaats van de verdoemden gegaan? Wat betekent het woord hel hier, en wat bedoelt Petrus met de geesten in de gevangenis? Op deze pagina leest u welke teksten er spelen, hoe christenen ze uitleggen en wat de reformatorische belijdenis erover zegt.
Is Jezus in de hel geweest volgens de Bijbel?
De Bijbel beschrijft nergens dat de Heere Jezus na Zijn sterven een tocht maakte naar de plaats waar de verdoemden gestraft worden. Tegen de misdadiger naast Hem zegt Christus: 'Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn' (Lukas 23:43). Zijn laatste woorden aan het kruis zijn een gebed waarin Hij Zijn geest in de handen van Zijn Vader beveelt (Lukas 23:46). Kort daarvoor had Hij gezegd dat het volbracht was (Johannes 19:30).
Tegelijk spreekt de Bijbel wel over een hel die Christus doormaakte, en dan vóór Zijn sterven. In Gethsemane zegt Hij: 'Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe' (Mattheüs 26:38). Aan het kruis, na de duisternis van de zesde tot de negende ure, roept Hij: 'Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!' (Mattheüs 27:46). Daar droeg Hij wat de zonde verdient: de verlating door God. Meer over die kreet leest u bij de zeven woorden van Jezus aan het kruis. Het antwoord op de vraag hangt dus af van wat u met hel bedoelt: de plaats van de verdoemden na de dood, of de helse angst die de Zaligmaker aan het kruis onderging.
Wat betekent nedergedaald ter helle?
Het geloofsartikel nedergedaald ter helle, ook wel neergedaald ter helle, staat in artikel 4 van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Het hoorde nog niet bij de oudste vormen ervan. Rufinus van Aquileia schreef rond het jaar 400 in zijn uitleg van de geloofsbelijdenis (Commentarius in symbolum apostolorum) dat de kerk van Aquileia deze woorden had, terwijl de kerk van Rome en de kerken van het Oosten ze niet hadden.
Het woord hel heeft in de Statenvertaling twee betekenissen. Vaak staat het voor het rijk van de doden of het graf: in het Hebreeuws sjeool, in het Grieks hades. Daarnaast is de hel de plaats van de eeuwige straf, in het Grieks gehenna (Markus 9:43). Op de Pinksterdag haalt Petrus Psalm 16 aan: 'Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien' (Handelingen 2:27). Petrus legt het zelf uit: David sprak hier van de opstanding van Christus (Handelingen 2:31). In deze tekst staat hel voor het dodenrijk, de macht van de dood die Christus niet kon vasthouden. Zie ook de uitleg van Handelingen 2.
Ook Efeze 4 wordt vaak bij dit artikel genoemd. Paulus schrijft over Christus dat Hij, voordat Hij opvoer, 'ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde' (Efeze 4:9). Sommige uitleggers lezen daarin het graf of het dodenrijk, anderen de menswording: de Zoon daalde af naar de aarde zelf. De tekst alleen beslist die vraag niet.
Wie zijn de geesten in de gevangenis uit 1 Petrus 3?
De moeilijkste tekst bij deze vraag staat in de eerste brief van Petrus. Over Christus schrijft hij: 'Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest; In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft' (1 Petrus 3:18-19). Volgens vers 20 waren die geesten ongehoorzaam in de dagen van Noach. Luther noemde dit in zijn uitleg van de eerste Petrusbrief (1523) een wonderlijke en duistere tekst. De drie bekendste uitleggingen zijn deze.
- Christus predikte door Zijn Geest in de dagen van Noach. Noach heet een prediker der gerechtigheid (2 Petrus 2:5), en de Geest van Christus sprak al door de profeten (1 Petrus 1:11). De mensen die toen niet luisterden, zijn nu in de gevangenis. Zo las Augustinus het in zijn brief aan Evodius (brief 164), en veel protestantse uitleggers na hem.
- Christus maakte na Zijn dood of bij Zijn opstanding Zijn overwinning bekend aan opstandige geesten. Petrus eindigt het gedeelte met Christus aan Gods rechterhand, met engelen, machten en krachten aan Hem onderdanig (1 Petrus 3:22).
- Christus bood de doden een tweede kans. Die uitleg vindt geen steun in de Schrift, want het is de mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel (Hebreeën 9:27).
Wat vaststaat: Petrus schrijft dit om vervolgde christenen te bemoedigen met een Christus Die leeft en over alle machten regeert. Meer hierover leest u in de uitleg van 1 Petrus 3.
Waarom moest Christus de hel aan het kruis doormaken?
Het antwoord ligt in wat de hel is: de toorn van God over de zonde en de verlating door Hem. Die straf hadden wij verdiend. Paulus schrijft dat Christus ons van de vloek der wet verlost heeft, 'een vloek geworden zijnde voor ons' (Galaten 3:13).
De kreet van Mattheüs 27:46 is daarom geen wanhoop van iemand die zijn geloof kwijt is. Christus blijft roepen: Mijn God. Hij spreekt de woorden van Psalm 22:2 en ondergaat wat die psalm beschrijft. De straf die de verlorenen eeuwig dragen, droeg Hij in die uren als Borg, in lichaam en ziel. Wie in Hem gelooft, hoeft de hel niet meer te vrezen. Wat de Bijbel zegt over de straf van wie buiten Christus blijft, leest u bij de vraag hoe lang de straf van de verlorenen duurt.
Waar christenen verschillen
Alle christenen belijden dat Christus werkelijk gestorven en begraven is, op de derde dag is opgestaan en de dood en de duivel overwonnen heeft (Hebreeën 2:14). Over de betekenis van nedergedaald ter helle lopen de uitleggingen uiteen.
- Reformatorisch: de woorden zien op de helse angst en de godverlatenheid die Christus in Zijn hele lijden en vooral aan het kruis doormaakte (Mattheüs 27:46). Zo leert de Heidelbergse Catechismus het, in de lijn van Calvijn (Institutie, boek II, hoofdstuk 16, paragraaf 8-12).
- In de staat van de dood: andere protestanten, onder wie de opstellers van de Westminster Grote Catechismus (vraag 50), lezen het artikel als het blijven van Christus onder de macht van de dood tot de derde dag (Handelingen 2:27).
- Luthers: na Zijn begrafenis daalde Christus naar lichaam en ziel neer in de hel, als begin van Zijn verhoging, niet om te lijden, maar om de duivel Zijn overwinning te tonen. Zo leert de Formula Concordiae (1577, artikel IX); lutherse uitleggers wijzen daarbij op 1 Petrus 3:19 en Kolossenzen 2:15.
- Rooms-katholiek: de ziel van Christus daalde af in het rijk van de doden om de rechtvaardigen die vóór Hem gestorven waren te bevrijden. In de traditie heet die plaats de voorhel of het voorgeborchte (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 631-637).
De reformatorische kerken wijzen een plaats als de voorhel af, omdat de Schrift die nergens leert. Ook houden zij vast aan Lukas 23:43: de ziel van Christus ging na Zijn dood naar het Paradijs. Wie dit ene artikel anders uitlegt, belijdt daarmee geen andere Christus.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus behandelt dit artikel in Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus. Vraag 44 vraagt waarom er na de begrafenis volgt: nedergedaald ter helle. Het antwoord ziet het artikel als de samenvatting van wat Christus vóór Zijn sterven doormaakte, Zijn 'onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 16, vraag 44). Het doel is troost. De gelovige mag in zijn hoogste aanvechtingen weten dat hij door zijn Zaligmaker 'van de helse benauwdheid en pijn verlost' is (Heidelbergse Catechismus, Zondag 16, vraag 44).
Artikel 21 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, over de voldoening van Christus, sluit daarbij aan. Christus heeft naar lichaam en ziel de verschrikkelijke straf gedragen die onze zonden verdiend hadden. Zijn zweet werd als grote druppels bloed (Lukas 22:44), en Hij riep uit dat God Hem verlaten had. Calvijn wees erop dat de geloofsbelijdenis eerst het zichtbare lijden noemt en daarna het onzichtbare lijden van de ziel voor God (Institutie, boek II, hoofdstuk 16, paragraaf 10).
'Ik heb de sleutels der hel en des doods' (Openbaring 1:18)