Legt u de zeven psalmen naast elkaar, dan valt op dat ze steeds dezelfde twee kanten benoemen: wat de mens meebrengt, en wat God ermee doet. Psalm 32 zet het in twee regels bij elkaar: “Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is” en “Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent” (Psalm 32:1-2, Statenvertaling).
Achter die drie Nederlandse woorden staan drie Hebreeuwse. Pesja (overtreding) is opstand tegen iemand; chatta’t (zonde) betekent letterlijk het missen van het doel; awon (ongerechtigheid) duidt op kromheid, op schuld die blijft hangen. Samen dekken ze het hele veld: wat iemand bewust deed, wat hem niet lukte, en wat van beide overbleef.
Daartegenover staan drie even concrete werkwoorden voor wat God doet. Vergeven is in het Hebreeuws opheffen en wegdragen; bedekken is uit het zicht halen; niet toerekenen is van de rekening schrappen. In alle drie is God degene die handelt, niet de mens die het goedmaakt.
Waar dat alles begint, zeggen de psalmen er onomwonden bij: bij het uitspreken. “Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd” (Psalm 32:3) staat recht tegenover “Mijn zonde maakte ik U bekend” (Psalm 32:5). En Psalm 51 vraagt niet alleen om uitwissen, maar om herstel: “Schep mij een rein hart, o God” (Psalm 51:12). Meer daarover leest u bij wat de Bijbel over vergeving zegt.