Een troostpsalm is zelden een opgewekt lied. Wat deze psalmen troostend maakt, is juist dat ze de klacht eerst helemaal uitspreken en pas daarna omslaan. Wie verdriet heeft, hoeft zich er dus niet eerst overheen te zetten om mee te kunnen bidden.
Psalm 13 laat die beweging in zes verzen zien. De psalm opent met vier keer dezelfde aanhef: “Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?” (vers 2). Daarna volgt de smeekbede: “Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen” (vers 4). En dan komt, zonder dat er iets aan de omstandigheden is veranderd, de wending: “Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil” (vers 6).
Dat woordje “maar” is de kern van bijna elke troostpsalm. De dichter ontkent zijn verdriet niet en krijgt ook geen antwoord op zijn vraag; hij verlegt alleen waar hij naar kijkt. Psalm 42 doet het met een refrein dat binnen dezelfde psalm twee keer terugkeert: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God” (vers 6 en vers 12). De dichter spreekt zichzelf toe. Ook dat is troost: uzelf hardop herinneren aan wat u gelooft op een moment dat u het niet voelt.
Let bij het opzoeken op de versnummering. In Nederlandse bijbels telt het opschrift van een psalm mee als vers 1, in Engelstalige niet. Psalm 13:6 hierboven staat in een Engelse bijbel daarom als 13:5. Zoekt u geen psalm maar losse verzen, dan vindt u die bij bijbelteksten over troost, bijbelteksten ter bemoediging en, voor een rouwkaart of condoleance, bij bijbelteksten bij overlijden.