Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~5 v.Chr.

De wijzen uit het oosten in de Bijbel

Magoi (μάγοι, Grieks) - “Magiërs, oosterse geleerden”

Wie waren de wijzen uit het oosten?

De wijzen uit het oosten waren geleerden uit een land ten oosten van Israël die een ster volgden om de pasgeboren Koning der Joden te zoeken. Via Herodes in Jeruzalem kwamen zij in Bethlehem, waar zij Jezus aanbaden en goud, wierook en mirre gaven (Mattheüs 2:11).

De wijzen uit het oosten staan op één plek in de Bijbel: Mattheüs 2:1-12. De Statenvertaling begint dat gedeelte zo: "Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen" (Mattheüs 2:1). Het Grieks noemt hen magoi, een woord waarvan ons magiër is afgeleid. Het verhaal is kort en heeft een duidelijke lijn. De wijzen hebben een ster gezien en trekken naar de hoofdstad van Judea, omdat zij daar een pasgeboren koning verwachten. Hun vraag brengt Herodes en heel Jeruzalem in beroering. De overpriesters en Schriftgeleerden weten het antwoord uit de profeet Micha: in Bethlehem. Herodes roept de wijzen in het geheim bij zich, wil weten wanneer de ster verscheen en stuurt hen verder, met de vraag hem te laten weten waar het Kind is. Op weg naar Bethlehem gaat de ster hun voor. Zij vinden het Kind met Maria in een huis, vallen neer, aanbidden Hem en geven hun geschenken. Na een waarschuwing in een droom gaan zij langs een andere weg terug. Veel van wat wij bij de wijzen voor ons zien, komt niet uit Mattheüs. De Bijbel zegt niet dat het er drie waren; hij noemt drie geschenken. Hij noemt hen geen koningen en geeft hun geen namen. De namen Caspar, Melchior en Balthasar en het beeld van drie koningen uit verschillende werelddelen zijn latere kerkelijke overlevering. Daarover gaat de pagina over Driekoningen; deze pagina blijft bij wat de Schrift zegt. De wijzen van Mattheüs zijn niet dezelfde als de wijzen van Babel uit Daniël 2:48, al is een verband mogelijk. Ook met de tovenaars uit Handelingen hebben zij niets te maken: Bar-Jezus, ook Elymas genoemd, heet in het Grieks met hetzelfde woord magos (Handelingen 13:6-8), en bij Simon staat een verwant woord voor toverij (Handelingen 8:9-11).

Historische context

Mattheüs plaatst het bezoek "in de dagen van den koning Herodes" (Mattheüs 2:1). Dat is Herodes de Grote, die van 37 voor Christus tot zijn dood over Judea regeerde. Volgens de gangbare berekening uit gegevens bij de joodse geschiedschrijver Josephus stierf hij in 4 voor Christus. Jezus is dus enkele jaren vóór het begin van onze jaartelling geboren, en het bezoek van de wijzen valt waarschijnlijk rond 5 voor Christus. Het woord magoi had in de oudheid meer dan één betekenis. De Griekse geschiedschrijver Herodotus (vijfde eeuw voor Christus) noemt de magiërs als een stam van de Meden met priesterlijke taken, onder meer het uitleggen van dromen. Later werd het woord gebruikt voor geleerden aan de hoven van Perzië en Babylon die zich bezighielden met het waarnemen en duiden van de sterren, met droomuitleg en wijsheid. In het Nieuwe Testament kan hetzelfde woord ook een bedrieger aanduiden: de Statenvertaling noemt Bar-Jezus "een zekeren tovenaar" (Handelingen 13:6). Bij de wijzen in Mattheüs 2 is van die negatieve klank niets te merken. Waar zij precies vandaan kwamen, zegt de tekst niet. Met "het Oosten" kan Perzië, Babylonië of Arabië bedoeld zijn. Voor Babylonië pleit dat daar na de ballingschap een grote joodse gemeenschap bleef wonen, zodat de verwachting van een koning uit Juda er bekend kon zijn. Het boek Daniël vertelt dat Daniël in Babel werd aangesteld als "een overste der overheden over al de wijzen van Babel" (Daniël 2:48), en de oude Griekse vertaling van Daniël gebruikt voor een groep geleerden aan dat hof hetzelfde woord magoi (Daniël 2:2). Of dat de wijzen van Mattheüs 2 iets heeft meegegeven, blijft een vermoeden. Over de ster bestaan veel verklaringen. Johannes Kepler wees in de zeventiende eeuw op een samenstand van Jupiter en Saturnus in 7 voor Christus, waarbij hij zelf aan een nieuwe ster dacht; anderen denken aan een komeet. Mattheüs beschrijft echter een ster die voor de wijzen uit ging, "totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was" (Mattheüs 2:9). Veel uitleggers zien daarom in de ster een bijzonder teken van God, dat niet volledig met sterrenkunde te verklaren is. Het bezoek vond waarschijnlijk enige tijd na de geboorte plaats. Mattheüs spreekt van een huis, niet van een stal of kribbe (Mattheüs 2:11), en Herodes liet de kinderen doden "van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had" (Mattheüs 2:16). Hoe dit precies samengaat met het verslag van Lukas 2, vertellen de evangeliën niet. Goud, wierook en mirre waren kostbare handelswaren; wierook en mirre kwamen vooral uit Zuid-Arabië en Oost-Afrika en werden ook in de eredienst van Israël gebruikt (Exodus 30:23, 30:34).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Volhardend: zij reisden uit het oosten naar Jeruzalem om een Koning te zoeken die zij nog nooit hadden gezien (Mattheüs 2:1-2)
  • Leerbaar: toen de Schrift Bethlehem aanwees, gingen zij daarheen (Mattheüs 2:5-9)
  • Eerbiedig: zij vielen neer voor een klein Kind en aanbaden Hem (Mattheüs 2:11)
  • Vrijgevig: zij gaven kostbare geschenken uit hun schatten (Mattheüs 2:11)
  • Gehoorzaam aan Gods aanwijzing: na de droom gingen zij niet terug naar Herodes (Mattheüs 2:12)

−Zwakke kanten

  • Afhankelijk van verdere openbaring (geen fout, maar een grens): de ster bracht hen tot Jeruzalem, maar zij hadden het woord van de profeet nodig om Bethlehem te vinden (Mattheüs 2:2-6)

Theologische betekenis

Mattheüs opent zijn evangelie met Jezus als "den Zoon van David, den zoon van Abraham" (Mattheüs 1:1). In hoofdstuk 2 komen beide lijnen samen. De wijzen zoeken de Koning der Joden, de Zoon van David. Tegelijk komen zij als vreemdelingen van buiten Israël, uit de volken die in Abraham gezegend zouden worden (Genesis 12:3). Het eerste eerbetoon aan de Messias komt in dit evangelie niet uit Jeruzalem, maar van ver. Het verhaal laat zien hoe God hen leidt. De ster bracht hen tot Jeruzalem, maar de Schrift wees hun Bethlehem aan. De gereformeerde belijdenis spreekt over twee middelen waardoor God Zich laat kennen: de schepping en, klaarder en volkomener, Zijn Woord (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2). Bij de wijzen zien wij iets van die volgorde: een teken aan de hemel bracht hen op weg, het profetische woord van Micha 5:1 wees het doel. Daarmee keurt de Schrift de sterrenwichelarij niet goed, die zij elders afwijst (Jesaja 47:13). Uitleggers als Calvijn zien hier dat God de wijzen tegemoetkwam op het terrein dat zij kenden, om hen bij Zijn Woord te brengen. Daartegenover staan Herodes en de Schriftgeleerden. Herodes zag in het Kind een bedreiging en wilde het doden. De Schriftgeleerden wisten precies waar de Christus geboren zou worden, maar van hen lezen wij niet dat zij met de vreemdelingen meegingen. Dat patroon keert terug in het evangelie: "Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Johannes 1:11). De titel waarmee de wijzen naar Hem vroegen, Koning der Joden, staat aan het eind van Mattheüs boven het kruis (Mattheüs 27:37). Het Oude Testament klinkt op de achtergrond mee. Bileam, die "van het gebergte tegen het oosten" kwam (Numeri 23:7), zag in de verte: "Er zal een ster voortkomen uit Jakob" (Numeri 24:17). Jesaja zag de volken komen met "goud en wierook" (Jesaja 60:6), en Psalm 72 spreekt van koningen die geschenken brengen. Mattheüs haalt deze teksten niet aan, maar veel uitleggers lezen het bezoek van de wijzen als een eerste vervulling ervan. Het bezoek wijst ook vooruit. Jezus zegt later: "velen zullen komen van oosten en westen" (Mattheüs 8:11), en het evangelie eindigt met de opdracht: "onderwijst al de volken" (Mattheüs 28:19). De geschenken zijn al vroeg symbolisch uitgelegd: goud voor een koning, wierook voor God, mirre voor Zijn sterven. Die uitleg staat al bij de kerkvader Irenaeus, aan het eind van de tweede eeuw. Mattheüs zelf geeft geen uitleg, maar mirre keert terug bij het kruis en het graf (Markus 15:23, Johannes 19:39).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Magoi (μάγοι, Grieks)

Betekenis

Magiërs, oosterse geleerden

Sleutelmomenten

1

De vraag in Jeruzalem

De wijzen komen uit het oosten in Jeruzalem aan. Zij vragen waar de geboren Koning der Joden is, omdat zij Zijn ster in het oosten hebben gezien en gekomen zijn om Hem te aanbidden.

Mattheüs 2:1-2

2

Herodes en de Schriftgeleerden

Herodes wordt ontroerd, en heel Jeruzalem met hem. Hij vraagt de overpriesters en Schriftgeleerden waar de Christus geboren zou worden. Zij antwoorden met de woorden van de profeet: in Bethlehem.

Mattheüs 2:3-6

3

Het geheime gesprek

Herodes roept de wijzen heimelijk bij zich en vraagt nauwkeurig wanneer de ster verschenen is. Hij stuurt hen naar Bethlehem en vraagt hen terug te komen, zogenaamd om het Kind ook te aanbidden.

Mattheüs 2:7-8

4

De ster gaat hun voor

Op weg naar Bethlehem gaat de ster die zij in het oosten zagen voor hen uit, tot zij stilstaat boven de plaats waar het Kind is. De wijzen verheugen zich met zeer grote vreugde.

Mattheüs 2:9-10

5

Aanbidding en geschenken

In het huis vinden zij het Kind met Maria, Zijn moeder. Zij vallen neer, aanbidden Hem, openen hun schatten en geven goud, wierook en mirre.

Mattheüs 2:11

6

Langs een andere weg

In een droom worden de wijzen door God gewaarschuwd niet naar Herodes terug te keren. Zij reizen langs een andere weg naar hun land.

Mattheüs 2:12

7

Herodes voelt zich bedrogen

Als Herodes ziet dat de wijzen niet terugkomen, wordt hij zeer toornig. Op grond van de tijd die hij van hen had gehoord, laat hij de kinderen van twee jaar en jonger in en rond Bethlehem doden.

Mattheüs 2:16

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de wijzen uit het oosten beter te begrijpen.

Mattheüs 2:1

“Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.”

Het begin van het verhaal. Mattheüs noemt geen aantal en geen namen, alleen herkomst en tijd.

Mattheüs 2:2

“Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.”

De vraag van de wijzen brengt Jeruzalem in beroering. Zij komen niet uit nieuwsgierigheid, maar om te aanbidden.

Micha 5:1

“En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.”

De profetie waarmee de Schriftgeleerden Herodes antwoordden (Mattheüs 2:5-6). De ster bracht de wijzen naar Jeruzalem; dit woord wees hun Bethlehem.

Mattheüs 2:9

“En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.”

De ster gaat de wijzen voor tot de plaats zelf. Daarom zien veel uitleggers er een bijzonder teken van God in.

Mattheüs 2:10

“Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.”

Mattheüs stapelt de woorden voor blijdschap. De lange zoektocht krijgt hier haar antwoord.

Mattheüs 2:11

“En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.”

Het hoogtepunt van het verhaal: aanbidding en geschenken. De drie geschenken zijn de bron van de latere gedachte dat er drie wijzen waren.

Mattheüs 2:12

“En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.”

God beschermt het Kind en waarschuwt de wijzen. Daarna verdwijnen zij uit het verhaal.

Numeri 24:17

“Ik zal hem zien, maar nu niet; ik aanschouw Hem, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.”

De profetie van Bileam over een ster uit Jakob. Mattheüs citeert haar niet, maar veel uitleggers zien hier een achtergrond van het verhaal.

Jesaja 60:3

“En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan.”

Jesaja ziet de volken naar het licht van Sion komen. Samen met Psalm 72 ligt deze tekst aan de basis van de latere gedachte dat de wijzen koningen waren.

Tijdperiode

~5 v.Chr.

De wijzen uit het oosten leefden in de tijd van het Nieuwe Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De wijzen hadden maar weinig licht: een ster en een vermoeden dat er een koning geboren was. Met dat licht gingen zij op weg. Toen zij in Jeruzalem de Schrift te horen kregen, lieten zij zich door dat woord verder sturen. Wij hebben meer licht dan zij. Het ligt voor ons om ons te laten leiden door wat God in Zijn Woord heeft gezegd, en niet alleen door wat wij zelf vermoeden of voelen. Er is ook een ernstige kant. De Schriftgeleerden kenden het juiste antwoord, maar Mattheüs vertelt niet dat zij naar Bethlehem gingen. Kennis van de Bijbel is een groot goed, maar zij redt niet vanzelf. De vraag is niet alleen of wij weten wie Christus is, maar of wij Hem zoeken en eren. De wijzen gaven het beste wat zij hadden. Zij openden hun schatten voor een Kind in een gewoon huis, zonder dat zij iets terugkregen. Aanbidding en geven horen bij elkaar. Wat wij aan Christus geven, is geen betaling, maar dank voor wie Hij is. Ten slotte gingen zij "door een anderen weg weder naar hun land" (Mattheüs 2:12). Dat was in de eerste plaats gehoorzaamheid aan Gods waarschuwing. Veel uitleggers hebben er ook een beeld in gezien: wie Christus heeft ontmoet, gaat niet meer dezelfde weg terug. Wie Hem vindt, gaat met zeer grote vreugde verder.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de wijzen uit het oosten

Wie waren de wijzen uit het oosten in de Bijbel?
De wijzen uit het oosten waren geleerden uit een land ten oosten van Israël die een ster hadden gezien en de pasgeboren Koning der Joden kwamen zoeken (Mattheüs 2:1-2). In Jeruzalem stuurde koning Herodes hen naar Bethlehem. Daar vonden zij het Kind met Maria in een huis, aanbaden Hem en gaven goud, wierook en mirre. Na een waarschuwing in een droom reisden zij langs een andere weg terug naar hun land.
Wat betekent het woord wijzen in Mattheüs 2?
Het Griekse woord is magoi, waarvan ons magiër komt. Oorspronkelijk duidde het een priesterlijke groep bij de Meden en Perzen aan; later geleerden die zich bezighielden met het duiden van de sterren, droomuitleg en wijsheid. De Statenvertaling vertaalt het in Mattheüs 2 met wijzen: "enige wijzen van het Oosten" (Mattheüs 2:1). Elders kan hetzelfde woord een tovenaar aanduiden, zoals Bar-Jezus in Handelingen 13:6, maar die negatieve klank heeft het in Mattheüs 2 niet.
Waar staan de wijzen uit het oosten in de Bijbel?
Alleen in het Evangelie naar Mattheüs, hoofdstuk 2, verzen 1 tot en met 12. In vers 16 worden zij nog genoemd, wanneer Herodes merkt dat zij niet terugkomen. Lukas, Markus en Johannes vertellen niet over de wijzen. De Statenvertaling spreekt van "enige wijzen van het Oosten" (Mattheüs 2:1). Teksten die vaak met hen verbonden worden, zoals Numeri 24:17, Psalm 72:10-11 en Jesaja 60:3-6, noemen hen niet bij naam.
Waren het drie wijzen, en waren het koningen?
De Bijbel zegt geen van beide. Mattheüs noemt geen aantal, alleen drie geschenken: goud, wierook en mirre (Mattheüs 2:11). Uit die drie gaven is later de gedachte gegroeid dat er drie wijzen waren. Dat zij koningen waren, komt uit teksten als Psalm 72:11, "Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen", en Jesaja 60:3. Mattheüs zelf noemt hen wijzen, geen koningen. Het beeld van drie koningen is kerkelijke traditie.
Noemt de Bijbel de namen van de wijzen?
Nee. Mattheüs geeft hun geen namen. De namen Caspar, Melchior en Balthasar zijn een latere overlevering uit de westerse kerk, die pas eeuwen na het Nieuwe Testament opduikt. Andere tradities kennen andere namen en soms een ander aantal. Wie meer wil weten over deze overleveringen en over het feest van 6 januari, vindt dat op de pagina over Driekoningen. Mattheüs zelf houdt het bij "enige wijzen van het Oosten" (Mattheüs 2:1).
Uit welk land kwamen de wijzen?
Mattheüs zegt alleen dat zij "van het Oosten" kwamen (Mattheüs 2:1). Uitleggers denken aan Perzië, Babylonië of Arabië. Voor Babylonië pleit dat daar sinds de ballingschap veel Joden woonden, zodat de verwachting van een koning uit Juda er bekend kon zijn; Daniël was er gesteld over "al de wijzen van Babel" (Daniël 2:48). Voor Arabië pleit dat goud, wierook en mirre daar vandaan kwamen. Zekerheid is er niet.
Wat was de ster van Bethlehem?
Dat weten wij niet zeker. Johannes Kepler wees op een samenstand van Jupiter en Saturnus in 7 voor Christus, waarbij hij zelf aan een nieuwe ster dacht; anderen denken aan een komeet. Mattheüs beschrijft echter een ster die de wijzen voorging, "totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was" (Mattheüs 2:9). Daarom zien veel uitleggers er een bijzonder teken van God in, dat niet volledig met sterrenkunde te verklaren is.
Wat betekenen goud, wierook en mirre?
Het waren kostbare geschenken die in de oudheid bij koningen en tempels hoorden. Wierook en mirre werden ook in Israëls eredienst gebruikt (Exodus 30:23, 30:34). Al bij de kerkvader Irenaeus, aan het eind van de tweede eeuw, staat de uitleg: goud voor een koning, wierook voor God, mirre voor Zijn sterven. Mattheüs geeft zelf geen uitleg, maar mirre komt later terug bij het kruis en bij de begrafenis van Jezus (Markus 15:23, Johannes 19:39).
Wanneer kwamen de wijzen bij Jezus?
Waarschijnlijk enige tijd na de geboorte. Mattheüs spreekt van een huis, niet van een stal of kribbe (Mattheüs 2:11), en Herodes liet de kinderen doden "van twee jaren oud en daaronder" naar de tijd die hij van de wijzen had gehoord (Mattheüs 2:16). Het kan dus om maanden gaan, misschien langer. Kerststallen met wijzen naast de herders brengen twee verhalen samen. In de westerse kerkelijke traditie wordt het bezoek op 6 januari herdacht (Driekoningen).
Zijn de wijzen dezelfde als de wijzen van Babel of de tovenaars in Handelingen?
Nee. De wijzen van Babel in Daniël 2 leefden eeuwen eerder, aan het hof van Nebukadnezar; wel is het mogelijk dat de verwachtingen van de Joden in het oosten, ook door Daniël, bekend bleven. Bar-Jezus, ook Elymas genoemd, heet in het Grieks met hetzelfde woord magos (Handelingen 13:6-8); bij Simon in Handelingen 8:9-11 staat een verwant woord. De Statenvertaling spreekt bij hen van een tovenaar en van toverij. Zij hebben met de wijzen van Mattheüs 2 niets te maken.
Wat hebben Bileam en de wijzen met elkaar te maken?
Bileam was een ziener die "van het gebergte tegen het oosten" kwam (Numeri 23:7). Hij profeteerde: "Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen" (Numeri 24:17). Mattheüs citeert deze tekst niet, maar veel uitleggers zien een verband: Bileam, een man uit het oosten, sprak over een ster uit Jakob als beeld van een koning, en eeuwen later zien wijzen uit het oosten een ster en zoeken de Koning der Joden. Het blijft een uitleg, geen uitspraak van de tekst zelf.
Wat kunnen wij leren van de wijzen uit het oosten?
De wijzen lieten zich leiden door het licht dat zij kregen en daarna door de Schrift, die hun Bethlehem aanwees. Zij kwamen om te aanbidden en gaven het beste wat zij hadden. Tegelijk laat het verhaal zien dat kennis niet genoeg is: de Schriftgeleerden wisten waar de Christus geboren zou worden, maar van hen lezen wij niet dat zij gingen. Het verhaal vraagt ons of wij Christus werkelijk zoeken en eren, en niet alleen weten waar Hij te vinden is.

Stel een vraag over de wijzen uit het oosten

Wilt u meer weten over de wijzen uit het oosten? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de wijzen uit het oosten

Bijbelverhalen rond de wijzen uit het oosten

Verdiep u verder