Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~750 v.Chr.

Uzzia in de Bijbel

Uzzijahu (עֻזִּיָּהוּ, Hebreeuws) of Ozias (Grieks) - “De HEERE is mijn kracht”

Wie was Uzzia?

Uzzia, in 2 Koningen ook Azaria genoemd, was koning van Juda in de achtste eeuw voor Christus. Hij werd op zijn zestiende koning en regeerde tweeënvijftig jaar. Toen hij uit hoogmoed zelf reukwerk wilde branden in de tempel, werd hij melaats (2 Kronieken 26:16-21). In zijn sterfjaar werd Jesaja geroepen.

Uzzia was koning van Juda in de achtste eeuw voor Christus. Zijn geschiedenis staat op twee plaatsen: kort in 2 Koningen 14:21-22 en 15:1-7, uitvoeriger in 2 Kronieken 26. In Koningen heet hij meestal Azaria, in Kronieken en bij de profeten Uzzia, en in het geslachtsregister van Mattheüs 1:8-9 schrijft de Statenvertaling Ozias. Het gaat om één en dezelfde koning, de zoon van Amazia en de vader van Jotham. Het volk van Juda maakte hem koning toen hij zestien jaar was, en hij regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem (2 Kronieken 26:1-3). De Kroniekschrijver vertelt zijn leven in twee helften. De eerste is een geschiedenis van zegen: "in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig" (2 Kronieken 26:5). Uzzia versloeg de Filistijnen, bouwde torens in Jeruzalem en in de woestijn, liet putten uithouwen en bracht een goed uitgerust leger op de been, en "zijn naam ging tot den ingang van Egypte" (2 Kronieken 26:8). De tweede helft begint met het woord "Maar". Toen hij sterk geworden was, verhief zijn hart zich en ging hij de tempel in om reukwerk te branden op het reukaltaar, een dienst die alleen de priesters toekwam. De priester Azaria en tachtig priesters weerstonden hem. Uzzia werd toornig, en terwijl hij het reukwerk nog in de hand had, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd (2 Kronieken 26:16-20). Hij bleef melaats tot zijn dood en woonde in een afgezonderd huis, terwijl zijn zoon Jotham het bestuur waarnam. Bekend is Uzzia vooral door één zin uit de profetie: "In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere" (Jesaja 6:1). Niet te verwarren is hij met de priester Azaria die hem tegenhield. Evenmin is de Zacharia in wiens dagen hij God zocht dezelfde als de profeet Zacharia van na de ballingschap.

Historische context

Uzzia regeerde in de eerste helft van de achtste eeuw voor Christus. Zijn sterfjaar wordt meestal rond 740 v.Chr. gesteld, maar de precieze jaren zijn onzeker. De tweeënvijftig jaar van 2 Koningen 15:2 omvatten volgens veel uitleggers een periode waarin hij naast zijn vader regeerde en een periode waarin Jotham het bestuur voor hem voerde. Het zwaartepunt van zijn koningschap ligt dus rond het midden van die eeuw. Zijn vader Amazia was na een samenzwering in Lachis gedood (2 Kronieken 25:27). Het volk van Juda koos daarop zelf de zestienjarige zoon als koning (2 Koningen 14:21). Een van zijn eerste daden was de herbouw van Elath, in Kronieken Eloth genoemd: de havenstad aan de golf van de Rode Zee die Juda toegang gaf tot de handel in het zuiden (2 Koningen 14:22). In het noordelijke rijk regeerde in dezelfde jaren Jerobeam, de zoon van Joas (de tweede koning van die naam). 2 Koningen 15:1 dateert Uzzia's troonsbestijging in het zevenentwintigste jaar van Jerobeam; uitleggers verklaren dat getal meestal vanuit een periode van medeheerschappij. Beide rijken kenden een tijd van uitbreiding en welvaart, waarschijnlijk mede omdat Assyrië en Aram toen zwak waren. In die rust traden profeten op die tegen zelfgenoegzaamheid spraken: Amos en Hosea dateren hun woorden "in de dagen van Uzzia" (Amos 1:1, Hosea 1:1), en Jesaja begon in zijn tijd (Jesaja 1:1). 2 Kronieken 26 tekent een welvarend rijk: torens bij de Hoekpoort en de Dalpoort, torens en putten in de woestijn, vee in de laagten en wijngaarden op de bergen. Uzzia hield van de landbouw (2 Kronieken 26:10). Het leger telde tweeduizend zeshonderd hoofden en een krijgsheir van driehonderdzevenduizend vijfhonderd man, en op de torens van Jeruzalem stonden kunstige werken om pijlen en grote stenen te werpen (2 Kronieken 26:12-15). Amos dateert zijn woorden twee jaren voor de aardbeving, en eeuwen later herinnert Zacharia 14:5 nog aan het vluchten "voor de aardbeving in de dagen van Uzzia". De joodse geschiedschrijver Josephus verbindt die aardbeving met het moment dat Uzzia de tempel binnenging; de Bijbel zelf legt dat verband niet. Uzzia werd bij zijn vaderen begraven, volgens 2 Kronieken 26:23 in het veld bij de koningsgraven, omdat hij melaats was. Een Aramese grafplaat uit de tijd van de Tweede Tempel, in 1931 gepubliceerd door de archeoloog Eleazar Sukenik, vermeldt dat de beenderen van Uzzia, koning van Juda, daarheen waren overgebracht. Dat wijst op een latere herbegrafenis; over de oorspronkelijke plek zegt de plaat niets zekers.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Zocht God in zijn jonge jaren, in de dagen van Zacharia (2 Kronieken 26:5)
  • Daadkrachtig bouwer van torens in Jeruzalem en putten in de woestijn (2 Kronieken 26:9-10)
  • Zorgzaam voor land en vee: hij hield van de landbouw (2 Kronieken 26:10)
  • Hield zijn rijk weerbaar met een goed toegerust leger (2 Kronieken 26:14)

−Zwakke kanten

  • Werd hoogmoedig toen hij sterk geworden was en eigende zich de priesterdienst toe (2 Kronieken 26:16)
  • Werd toornig toen de priesters hem terechtwezen (2 Kronieken 26:19)
  • Liet de hoogten bestaan, waar het volk nog offerde (2 Koningen 15:4)

Theologische betekenis

De Kroniekschrijver vertelt Uzzia's leven als een les over zegen en hoogmoed, met twee zinnen vlak na elkaar als sleutel. Over de eerste helft: "zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was" (2 Kronieken 26:15). Over de tweede: "Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe" (2 Kronieken 26:16). Geholpen stond hij; sterk geworden viel hij. Het woord geholpen klinkt mee in zijn andere naam Azaria, die waarschijnlijk betekent dat de HEERE helpt. De tekst noemt de oorzaak zelf: zijn hart verhief zich (2 Kronieken 26:16). Die hoogmoed kreeg een godsdienstige vorm, want hij nam een dienst op zich die God aan de priesters had gegeven. Het branden van reukwerk was aan Aaron opgedragen (Exodus 30:7-8). Na de opstand van Korach werden de wierookvaten zelfs een gedenkteken, "opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aaron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des HEEREN" (Numeri 16:40). De priesters zeiden het Uzzia ronduit: "Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken" (2 Kronieken 26:18). In Israël waren koningschap en priesterschap gescheiden, en een koning die beide naar zich toe trok, maakte zich groter dan zijn ambt. De straf spiegelt de zonde. Wie zich de toegang tot het heiligdom nam, werd door zijn melaatsheid "van het huis des HEEREN afgesneden" (2 Kronieken 26:21); de wet zei van een melaatse dat hij alleen moest wonen (Leviticus 13:46). Van zijn zoon Jotham staat dat hij deed wat recht was, "behalve dat hij in den tempel des HEEREN niet ging" (2 Kronieken 27:2). Uitleggers verschillen over de vraag of dat een les uit zijn vaders val was of een verzuim. In het jaar dat de melaatse koning stierf, zag de profeet in de tempel "den Koning, den HEERE der heirscharen" (Jesaja 6:5) en hoorde hij de serafs roepen dat Hij heilig is. Veel uitleggers zien hier een bewust contrast: een aardse koning sterft, buitengesloten van de tempel, terwijl de ware Koning de tempel vult. Jesaja erkent dat hij een man van onreine lippen is en wordt gereinigd met een kool van het altaar (Jesaja 6:6-7). Waar Uzzia zich de toegang nam, ontvangt Jesaja verzoening. Het Nieuwe Testament wijst naar Een die wel koning en priester tegelijk is. Niemand neemt zichzelf die eer aan, "maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron" (Hebreeën 5:4), en ook Christus heeft Zichzelf niet verheerlijkt. Van de Spruite zegt Zacharia 6:13 al: "Hij zal priester zijn op Zijn troon". Wat Uzzia greep, ontvangt Christus van de Vader.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Uzzijahu (עֻזִּיָּהוּ, Hebreeuws) of Ozias (Grieks)

Betekenis

De HEERE is mijn kracht

Betekenis van de naam Uzzia: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Op zijn zestiende koning

Na de dood van Amazia neemt het volk van Juda de zestienjarige Uzzia en maakt hem koning. Hij herbouwt Eloth en regeert tweeënvijftig jaar te Jeruzalem; zijn moeder heet Jecholia.

2 Kronieken 26:1-3

2

God zoeken in de dagen van Zacharia

Uzzia doet wat recht is in de ogen des HEEREN. Hij zoekt God in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods, en zolang hij de HEERE zoekt, maakt God hem voorspoedig.

2 Kronieken 26:4-5

3

Overwinningen in het westen en zuiden

Uzzia breekt de muren van Gath, Jabne en Asdod. God helpt hem tegen de Filistijnen, de Arabieren van Gur-Baal en de Meunieten, en de Ammonieten brengen hem geschenken.

2 Kronieken 26:6-8

4

Torens, putten en een groot leger

Hij versterkt Jeruzalem met torens, laat putten uithouwen voor zijn vee en zorgt voor akkers en wijngaarden. Zijn leger krijgt schilden, spiesen, helmen en pantsers, en op de torens komen kunstige werken.

2 Kronieken 26:9-15

5

Reukwerk in de tempel

Toen hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart. Hij gaat de tempel in om te roken op het reukaltaar. De priester Azaria en tachtig priesters zeggen hem dat dit alleen de zonen van Aaron toekomt.

2 Kronieken 26:16-18

6

Melaats aan het voorhoofd

Uzzia wordt toornig, met het reukwerk nog in de hand. Op dat moment rijst de melaatsheid op aan zijn voorhoofd. De priesters drijven hem weg, en hij haast zich zelf ook naar buiten.

2 Kronieken 26:19-20

7

Een afgezonderd huis

De HEERE plaagt de koning, zodat hij melaats blijft tot zijn dood. Hij woont in een afgezonderd huis, en zijn zoon Jotham is over het huis van de koning en richt het volk des lands.

2 Koningen 15:5

8

Het sterfjaar en Jesaja's visioen

In het jaar dat Uzzia sterft, ziet Jesaja de Heere op een hoge en verheven troon, terwijl Zijn zomen de tempel vervullen. Met dit visioen begint zijn roeping tot profeet.

Jesaja 6:1

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Uzzia beter te begrijpen.

2 Kronieken 26:5

“Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.”

De samenvatting van Uzzia's goede jaren: zijn voorspoed hing samen met het zoeken van God.

2 Kronieken 26:15

“zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was.”

Het scharnier van het verhaal. Zolang Uzzia geholpen werd, ging het goed; de woorden totdat hij sterk was kondigen de val aan.

2 Kronieken 26:16

“Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar.”

De hoogmoed van de koning wordt zichtbaar in een concrete daad: hij neemt een dienst op zich die God aan de priesters had gegeven.

2 Kronieken 26:18

“En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aarons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.”

Tachtig priesters onder leiding van Azaria weerstaan de koning met een beroep op de wet van het priesterschap.

2 Koningen 15:5

“En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.”

Het boek Koningen vertelt de melaatsheid kort en noemt de koning hier niet bij naam; in de verzen eromheen heet hij Azaria.

Jesaja 6:1

“In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.”

De tijdsaanduiding van Jesaja's roeping. De dood van de koning die van de tempel werd afgesneden, staat naast het visioen van de Heere die de tempel vult.

Zacharia 14:5

“gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda”

Eeuwen later was de aardbeving uit Uzzia's tijd nog een bekend ijkpunt; Amos 1:1 noemt dezelfde aardbeving.

Mattheüs 1:9

“En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;”

In het geslachtsregister van Jezus staat Uzzia onder zijn Griekse naam Ozias, in de koningslijn van David.

Tijdperiode

~750 v.Chr.

Uzzia leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Uzzia's leven laat zien dat het gevaarlijkste moment niet altijd de nood is, maar het succes. Zolang hij geholpen werd, zocht hij God; toen hij sterk was, vergat hij van wie die kracht kwam. Voor ons is dat een nuchtere waarschuwing: zegen, gaven en een goede naam zijn geen bewijs dat ons hart goed staat. Juist wanneer het ons voor de wind gaat, is het tijd om te vragen of wij God nog zoeken. Ook leren wij dat hoogmoed zich kan kleden in godsdienst. Uzzia wilde iets doen in de tempel, maar buiten de weg die God had gewezen. Hoe God gediend wil worden, bepalen wij niet zelf. Dat geeft ook rust: wij hoeven ons de toegang tot God niet te verschaffen, omdat Christus als Hogepriester die weg heeft geopend. Het verhaal laat verder zien hoe een mens met tegenspraak omgaat. Tachtig priesters zeiden Uzzia de waarheid, en hij werd toornig. Wie een vermaning met boosheid beantwoordt, verliest vaak meer dan zijn gelijk. Het is wijsheid om ons te laten corrigeren, ook door mensen die minder macht hebben dan wij. En het sterfjaar van Uzzia wijst van een gevallen koning naar de levende God. Toen een lange, welvarende regering eindigde in ziekte en afzondering, zag Jesaja de Heere op een hoge en verheven troon. Wanneer zekerheden wegvallen, ligt daar ook voor ons het houvast: niet bij koningen en voorspoed, maar bij de HEERE die heilig is en blijft regeren.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Uzzia

Wie was Uzzia in de Bijbel?
Uzzia was koning van Juda in de achtste eeuw voor Christus, de zoon van Amazia en de vader van Jotham. Hij werd op zijn zestiende koning en regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem. Zolang hij God zocht, gaf God hem voorspoed in oorlog, bouw en landbouw. Toen hij sterk geworden was, wilde hij uit hoogmoed zelf reukwerk branden in de tempel en werd hij melaats tot zijn dood (2 Kronieken 26). Bekend is ook dat Jesaja in zijn sterfjaar geroepen werd.
Wat betekent de naam Uzzia?
De naam Uzzia, in het Hebreeuws Uzzijahu, wordt meestal uitgelegd als: de HEERE is mijn kracht. Zijn andere naam Azaria betekent waarschijnlijk de HEERE helpt, of de HEERE heeft geholpen. Beide namen passen bij zijn geschiedenis: de Kroniekschrijver zegt dat God hem hielp en dat hij wonderlijk geholpen werd, totdat hij sterk was (2 Kronieken 26:7, 2 Kronieken 26:15). Juist toen hij op eigen kracht ging vertrouwen, kwam zijn val.
Waar staat Uzzia in de Bijbel?
De uitvoerigste beschrijving staat in 2 Kronieken 26. Het boek Koningen vertelt zijn regering kort in 2 Koningen 14:21-22 en 15:1-7, waar hij meestal Azaria heet. Zijn naam komt verder voor in de opschriften van Jesaja 1:1, Hosea 1:1 en Amos 1:1, in Jesaja 6:1 en 7:1, in Zacharia 14:5, en als Azaria in het geslachtsregister van 1 Kronieken 3:12. In Mattheüs 1:8-9 staat hij in de stamboom van Jezus als Ozias.
Is Uzzia dezelfde als Azaria?
Ja. Koning Uzzia en koning Azaria zijn dezelfde persoon. 2 Koningen 15 noemt hem in de verzen 1 tot 7 Azaria, maar onder meer in vers 13, 30, 32 en 34 Uzzia, en zijn vader, moeder, leeftijd en regeringsduur zijn in Koningen en Kronieken gelijk. Waarschijnlijk droeg hij twee verwante namen of was Uzzia zijn koningsnaam. Niet te verwarren is hij met Azaria de priester, die hem in de tempel weerstond (2 Kronieken 26:17). In het Nieuwe Testament heet hij Ozias (Mattheüs 1:8).
Waarom werd koning Uzzia melaats?
Uzzia werd melaats omdat hij uit hoogmoed de tempel binnenging om op het reukaltaar te roken, een dienst die God alleen aan de priesters, de zonen van Aaron, had gegeven. De priesters zeiden hem: "Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken" (2 Kronieken 26:18). Uzzia werd toornig, en op dat moment rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd. De Bijbel zegt dat de HEERE hem geplaagd had (2 Kronieken 26:20).
Wat gebeurde er in het jaar dat koning Uzzia stierf?
In dat jaar werd Jesaja tot profeet geroepen. Hij schrijft: "In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel" (Jesaja 6:1). De serafs riepen dat de HEERE heilig is, Jesaja werd gereinigd en antwoordde dat hij gezonden wilde worden. Veel uitleggers zien het contrast tussen de gestorven koning, die van de tempel was afgesneden, en de Koning die de tempel vult.
Hoe lang regeerde Uzzia en hoe oud werd hij?
Uzzia was zestien jaar toen hij koning werd en regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem (2 Kronieken 26:3). Volgens die getallen werd hij ongeveer achtenzestig jaar. Alleen Manasse regeerde in Juda langer, vijfenvijftig jaar. Veel uitleggers rekenen in de tweeënvijftig jaar een tijd mee waarin hij naast zijn vader regeerde en de jaren waarin zijn zoon Jotham, vanwege de melaatsheid, het bestuur voerde. Na zijn dood werd Jotham koning (2 Kronieken 26:23).
Wie was de Zacharia in de dagen van Uzzia?
Over deze Zacharia zegt de Bijbel alleen dat hij "verstandig was in de gezichten Gods" en dat Uzzia in zijn dagen God zocht (2 Kronieken 26:5). Mogelijk was hij een raadsman of profeet aan het hof; de tekst zegt het niet. Hij is niet dezelfde als de profeet Zacharia van het bijbelboek, die na de ballingschap leefde, en ook niet Zacharia de zoon van Jerobeam, die zes maanden koning van Israël was (2 Koningen 15:8).
Wat was de aardbeving in de dagen van Uzzia?
Amos dateert zijn profetie "twee jaren voor de aardbeving" in de dagen van Uzzia (Amos 1:1). Die aardbeving moet zwaar zijn geweest, want eeuwen later spreekt Zacharia nog over het vluchten "voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda" (Zacharia 14:5). De joodse geschiedschrijver Josephus verbindt de aardbeving met Uzzia's binnengaan in de tempel, maar dat verband staat niet in de Bijbel.
Waar werd koning Uzzia begraven?
Volgens 2 Koningen 15:7 werd hij bij zijn vaderen begraven in de stad Davids. 2 Kronieken 26:23 voegt toe dat het was "in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats". Hij lag dus bij de koningsgraven, maar vanwege zijn melaatsheid apart. Een Aramese grafplaat uit de tijd van de Tweede Tempel vermeldt dat zijn beenderen later naar een andere plaats zijn overgebracht.
Wie schreef de geschiedenis van Uzzia?
Volgens 2 Kronieken 26:22 heeft "de profeet Jesaja, de zoon van Amos" het overige van Uzzia's geschiedenis beschreven, "de eerste en de laatste". Dat geschrift is ons niet overgeleverd; wat wij van Uzzia weten, staat in 2 Koningen en 2 Kronieken. De vader van Jesaja is niet de profeet Amos uit Thekoa, die eveneens in de dagen van Uzzia optrad (Amos 1:1). In Jesaja 1:1 spelt de Statenvertaling zijn naam als Amoz, en in het Hebreeuws zijn de twee namen verschillend.
Wat kunnen wij leren van Uzzia?
Uzzia leert ons dat voorspoed gevaarlijker kan zijn dan nood. Zolang hij God zocht en geholpen werd, ging het goed; toen hij sterk was, verhief zijn hart zich (2 Kronieken 26:16). Zijn verhaal leert ook dat God gediend wil worden op de manier die Hij zelf heeft gegeven, en dat het wijs is een vermaning aan te nemen in plaats van toornig te worden. Tegelijk wijst zijn sterfjaar naar de HEERE, de heilige Koning die blijft regeren.

Stel een vraag over Uzzia

Wilt u meer weten over Uzzia? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Uzzia

Bijbelverhalen rond Uzzia

Verdiep u verder