Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~30 n.Chr.

De rijke jongeling in de Bijbel

Neaniskos (νεανίσκος, Grieks) en archōn (ἄρχων, Grieks) - “Jongeling; overste (geen eigennaam)”

Wie was de rijke jongeling?

De rijke jongeling is de naamloze rijke man die Jezus vroeg wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven (Mattheüs 19:16). Hij had de geboden van jongs af onderhouden, maar toen Jezus hem opriep alles te verkopen en Hem te volgen, ging hij bedroefd weg, want hij had vele goederen.

Het verhaal van de rijke jongeling staat in drie evangeliën: Mattheüs 19:16-26, Markus 10:17-27 en Lukas 18:18-27. Geen van de drie noemt zijn naam. De gangbare naam rijke jongeling is samengesteld uit wat de evangelisten samen over hem zeggen. Mattheüs noemt hem twee keer een jongeling: "De jongeling zeide tot Hem" (Mattheüs 19:20) en "Als nu de jongeling dit woord hoorde" (Mattheüs 19:22). Lukas noemt hem "een zeker overste" (Lukas 18:18), een man met gezag of een leidende positie. Alle drie vermelden zijn rijkdom: hij "had vele goederen" (Markus 10:22), en Lukas zegt: "hij was zeer rijk" (Lukas 18:23). Het verhaal zelf is kort. Terwijl Jezus op weg is, loopt de man naar Hem toe, valt op zijn knieën en vraagt: "Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?" (Markus 10:17). Jezus wijst hem eerst op God, de enige die goed is, en dan op de geboden. De man antwoordt dat hij die van zijn jonkheid af heeft onderhouden en vraagt in Mattheüs: "wat ontbreekt mij nog?" Markus tekent dan een moment dat de andere twee niet noemen: "En Jezus, hem aanziende, beminde hem" (Markus 10:21). Jezus roept hem op alles te verkopen, het aan de armen te geven en Hem te volgen. De man gaat bedroefd weg. Daarna richt Jezus Zich tot Zijn discipelen met het bekende beeld van de kemel en het oog van een naald (de Statenvertaling schrijft "kemel", wij zeggen nu kameel). De discipelen schrikken en vragen: "Wie kan dan zalig worden?" Jezus antwoordt dat het bij mensen onmogelijk is, maar dat bij God alle dingen mogelijk zijn. De rijke jongeling is niet te verwarren met Zacheüs, de rijke overste der tollenaren uit Jericho die wel zijn bezit deelde (Lukas 19:1-10), en ook niet met de rijke man uit het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus (Lukas 16:19-31).

Historische context

De ontmoeting valt in de laatste maanden van het openbare optreden van Jezus, omstreeks 30 n.Chr. (de precieze jaartallen zijn onzeker). Jezus had Galilea verlaten en was "over de Jordaan, in de landpalen van Judea" gekomen (Mattheüs 19:1). Markus spreekt van "de overzijde van de Jordaan" (Markus 10:1), het gebied ten oosten van de rivier dat Josephus Perea noemt. Kort na deze ontmoeting zegt Jezus: "Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem" (Lukas 18:31), en de weg loopt dan via Jericho, waar Bartimeüs aan de weg zit en Zacheüs in de vijgeboom klimt (Markus 10:46; Lukas 19:1-10). In alle drie evangeliën gaat het zegenen van de kinderen eraan vooraf. Jezus zei: "Laat de kinderkens tot Mij komen" (Markus 10:14), en dat wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, er niet in zal komen (Markus 10:15). Direct daarna komt een volwassen, vermogende man die vraagt wat hij moet doen. Die volgorde valt veel uitleggers op. Rijkdom gold in Israël vaak als een teken van Gods zegen. Abram "was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud" (Genesis 13:2), en Mozes herinnerde het volk eraan dat de HEERE het is "Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen" (Deuteronomium 8:18). Dat verklaart de schrik van de discipelen: als zelfs een rijke, die door God gezegend lijkt, er moeilijk ingaat, wie kan dan zalig worden? Het woord "overste" zegt niet precies welke positie de man had. Lukas gebruikt het ook voor Jaïrus, "een overste der synagoge" (Lukas 8:41), en Johannes noemt Nikodemus "een overste der Joden" (Johannes 3:1). Mogelijk was hij een leider in een synagoge of lid van een plaatselijke raad; de tekst zegt het niet. Dat hij ook jongeling heet, botst daar niet mee: het woord past bij een man in de kracht van zijn leven. De geboden die Jezus noemt, komen uit de tweede tafel van de wet (Exodus 20:12-16). Mattheüs voegt het gebod uit Leviticus 19:18 toe: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven" (Mattheüs 19:19). Alleen Markus heeft "gij zult niemand te kort doen" (Markus 10:19); sommige uitleggers zien daarin een weergave van het tiende gebod, andere van Leviticus 19:13. In Mattheüs en Lukas ontbreekt het gebod "Gij zult niet begeren", en in Markus staat het hooguit indirect. Veel uitleggers vinden dat veelzeggend, want juist op dat punt bleek de man vast te zitten. Over het beeld van de kemel bestaan twee bekende verklaringen die het verzachten. De eerste spreekt van een kleine poort in Jeruzalem die het oog van de naald zou heten; daarvoor is geen oud bewijs. De tweede leest het Griekse woord voor kemel als kamilos, touw; die lezing staat alleen in enkele late handschriften. De meeste uitleggers houden het op een bewuste overdrijving: het grootste dier dat men in het land kende, door de kleinste opening.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Ernstig op zoek naar het eeuwige leven: hij liep naar Jezus toe en knielde (Markus 10:17)
  • Nauwgezet in het houden van de geboden, van jongs af (Mattheüs 19:20)
  • Eerlijk genoeg om te voelen dat hem iets ontbrak (Mattheüs 19:20)
  • Nam het woord van Jezus serieus: hij werd er treurig van in plaats van het weg te lachen (Markus 10:22)

−Zwakke kanten

  • Zocht het eeuwige leven in eigen doen: "wat zal ik goeds doen" (Mattheüs 19:16)
  • Zijn hart zat vast aan zijn bezit, zodat hij Jezus niet volgde (Mattheüs 19:22)
  • Schatte zijn eigen gehoorzaamheid hoog in, zoals veel uitleggers lezen (Lukas 18:21)

Theologische betekenis

De rijke jongeling stelt de vraag naar het eeuwige leven als een vraag naar iets wat hij moet doen: "wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?" (Mattheüs 19:16). Jezus antwoordt eerst met een tegenvraag: "Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God." Daarmee ontkent Jezus niet dat Hij goed is, maar Hij laat de man nadenken over zijn eigen woorden: alleen God is werkelijk goed. Daarna wijst Jezus op de wet. In de gereformeerde traditie wordt dit gesprek vaak gelezen als een voorbeeld van de wet die de mens zijn ellende laat zien. De Heidelbergse Catechismus zegt in vraag 3 dat wij onze ellende kennen uit de wet Gods. Paulus schrijft: "door de wet is de kennis der zonde" (Romeinen 3:20). De man meent de geboden gehouden te hebben, maar het ene gebod dat Jezus hem daarna voorlegt, legt bloot dat zijn bezit hem meer waard is dan God. Veel uitleggers zien hier het eerste en het tiende gebod aan het licht komen, ook al noemt Jezus ze niet. Het woord "Zo gij wilt volmaakt zijn" (Mattheüs 19:21) werd in de middeleeuwse kerk gelezen als een raad voor wie een hogere weg wilde gaan, zoals kloosterlingen. Athanasius vertelt dat de monnik Antonius in Egypte zijn bezit wegdeed nadat hij dit woord in de kerk had horen voorlezen. De Reformatie wees een tweedeling tussen gewone en volmaakte christenen af. Volmaaktheid is in Mattheüs geen extra trede, want Jezus zegt al in de Bergrede: "Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is" (Mattheüs 5:48). De kern is: "kom herwaarts, volg Mij." Het verkopen is de weg die voor deze man de afgod wegneemt. Het beeld van de kemel en de naald zegt niet dat rijken bij voorbaat verloren zijn. Het zegt dat geen mens zichzelf kan redden. "Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk" (Mattheüs 19:26). Lukas laat dat kort daarna zien in Zacheüs, een rijke man die zijn bezit deelt omdat Jezus bij hem komt (Lukas 19:8-9). Het verhaal eindigt met de belofte aan wie wel verlaten heeft. Petrus zegt: "Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd" (Lukas 18:28), en Jezus belooft honderdvoud en "in de toekomende eeuw het eeuwige leven" (Markus 10:30). Paulus vat het later samen in de genade van Christus, "dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden" (2 Korinthe 8:9).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Neaniskos (νεανίσκος, Grieks) en archōn (ἄρχων, Grieks)

Betekenis

Jongeling; overste (geen eigennaam)

Sleutelmomenten

1

Een vraag naar het eeuwige leven

Als Jezus op weg gaat, loopt een man naar Hem toe, knielt voor Hem en vraagt wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven.

Markus 10:17

2

Niemand is goed dan Een

Jezus vraagt waarom de man Hem goed noemt: niemand is goed dan Een, namelijk God.

Lukas 18:19

3

Onderhoud de geboden

Op de vraag welke geboden Hij bedoelt, noemt Jezus de geboden van de tweede tafel en het gebod om de naaste lief te hebben als zichzelf.

Mattheüs 19:17-19

4

Wat ontbreekt mij nog?

De jongeling zegt dat hij dit alles van zijn jonkheid af heeft onderhouden en vraagt wat hem nog ontbreekt.

Mattheüs 19:20

5

Jezus had hem lief

Jezus ziet hem aan en bemint hem. Hij zegt dat hem één ding ontbreekt: alles verkopen, het aan de armen geven, het kruis opnemen en Hem volgen.

Markus 10:21

6

Bedroefd weg

Als de jongeling dit hoort, gaat hij bedroefd weg, want hij heeft vele goederen.

Mattheüs 19:22

7

De kemel en het oog van een naald

Jezus ziet hoe droevig de man is en zegt dat het lichter is dat een kemel door het oog van een naald gaat dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods ingaat.

Lukas 18:24-25

8

Bij God zijn alle dingen mogelijk

De verslagen discipelen vragen wie dan zalig kan worden. Jezus antwoordt dat het bij mensen onmogelijk is, maar niet bij God.

Markus 10:26-27

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de rijke jongeling beter te begrijpen.

Lukas 18:18

“En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?”

Lukas noemt de man een overste. Zijn vraag gaat over het beërven van het eeuwige leven door iets te doen.

Mattheüs 19:17

“En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.”

Jezus wijst de man eerst op God, de enige die goed is, en dan op de geboden die God gegeven heeft.

Mattheüs 19:20

“De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?”

Hier noemt Mattheüs hem een jongeling. Ondanks zijn gehoorzaamheid voelt hij dat er iets ontbreekt.

Markus 10:21

“En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.”

Alleen Markus vermeldt dat Jezus hem liefhad. De oproep komt voort uit liefde en draait om het volgen van Jezus.

Mattheüs 19:22

“Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.”

De man gaat weg zonder Jezus te volgen. De evangelist noemt de reden zonder verder oordeel.

Markus 10:24

“En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!”

Jezus legt uit waar het probleem ligt: niet in het bezit zelf, maar in het vertrouwen dat men erop zet.

Mattheüs 19:24

“En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.”

Het bekende beeld van de kemel (kameel) en het oog van een naald, een bewuste overdrijving die de onmogelijkheid onderstreept.

Mattheüs 19:26

“En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.”

Het antwoord op de vraag wie dan zalig kan worden: redding is het werk van God, niet van de mens.

Tijdperiode

~30 n.Chr.

De rijke jongeling leefde in de tijd van het Nieuwe Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De rijke jongeling had veel om dankbaar voor te zijn: bezit, aanzien en een leven dat er van buiten goed uitzag. Toch vroeg hij: "wat ontbreekt mij nog?" Die vraag laat zien dat een net leven het hart niet tot rust brengt. Wij kunnen trouw naar de kerk gaan en de geboden kennen, en toch het ene missen dat nodig is: Christus Zelf. Het verhaal vraagt ons ook eerlijk te zijn over waar ons hart aan vastzit. Bij deze man was dat zijn geld. Bij ons kan het ook zekerheid, carrière, gezondheid of de goede naam zijn. Jezus zegt: "Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Mattheüs 6:21). De vraag is niet alleen wat wij bezitten, maar wat ons bezit. Jezus vraagt niet van iedere christen dat hij al zijn bezit verkoopt. Zacheüs beloofde de helft van zijn goederen aan de armen te geven, en Jozef van Arimathea was een rijk man en toch een discipel (Mattheüs 27:57). Maar wel vraagt Hij van ieder van ons dat niets tussen Hem en ons in staat. Dat kan betekenen dat wij ruimer geven, eenvoudiger leven of iets loslaten wat ons lief is. Tot slot troost dit verhaal ons. De discipelen vroegen verslagen wie dan zalig kan worden, en Jezus zei: "bij God zijn alle dingen mogelijk." Wij hoeven onze redding niet te verdienen. Wat de rijke jongeling niet kon, doet God uit genade. Dat maakt ons vrij om met open handen te leven.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de rijke jongeling

Wie was de rijke jongeling in de Bijbel?
De rijke jongeling is een naamloze rijke man die Jezus op Zijn laatste reis naar Jeruzalem vroeg wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven. Hij zei dat hij de geboden van jongs af had onderhouden. Toen Jezus hem opriep alles te verkopen, het aan de armen te geven en Hem te volgen, ging hij bedroefd weg, want hij had vele goederen (Mattheüs 19:22). Het verhaal staat in Mattheüs, Markus en Lukas.
Waarom heet hij de rijke jongeling, terwijl Lukas hem een overste noemt?
De naam is samengesteld uit wat de drie evangeliën samen zeggen. Mattheüs noemt hem een jongeling: "De jongeling zeide tot Hem" (Mattheüs 19:20). Lukas noemt hem "een zeker overste" (Lukas 18:18), een man met een leidende positie. Alle drie vermelden zijn rijkdom; Lukas zegt "hij was zeer rijk" (Lukas 18:23). Dat botst niet: een jonge man kon een vooraanstaande positie hebben. Engelstaligen spreken daarom van de rijke jonge overste.
Wat was de naam van de rijke jongeling?
Dat weten wij niet. Mattheüs, Markus en Lukas noemen zijn naam geen van drieën. Hij wordt alleen omschreven als jongeling (Mattheüs 19:20), overste (Lukas 18:18) en rijk. Latere pogingen om hem met een bekende persoon gelijk te stellen, bijvoorbeeld met Lazarus of met de jonge man in Markus 14:51, hebben geen grond in de tekst. Doordat zijn naam ontbreekt, krijgt het gesprek zelf alle aandacht.
Waar staat het verhaal van de rijke jongeling in de Bijbel?
Het staat in drie evangeliën: Mattheüs 19:16-26, Markus 10:17-27 en Lukas 18:18-27. Steeds volgt het direct op het zegenen van de kinderen, en steeds volgt erop het gesprek met Petrus over het verlaten van alles om Jezus te volgen. Markus vertelt als enige dat de man naar Jezus toe liep, voor Hem knielde en dat Jezus hem liefhad (Markus 10:17 en 10:21).
Wat betekent een kameel door het oog van een naald?
Jezus zei na het vertrek van de rijke jongeling: "Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods" (Mattheüs 19:24). De Statenvertaling schrijft kemel, wij zeggen kameel. Het is een bewuste overdrijving: het grootste dier dat men in het land kende, door de kleinste opening. Jezus bedoelt dat het voor mensen onmogelijk is, zoals Hij direct daarna zegt: "Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk."
Was het oog van de naald een poort in Jeruzalem?
Er wordt vaak verteld dat er in Jeruzalem een kleine poort was die het oog van de naald heette, waar een kameel alleen geknield en zonder bepakking door kon. Voor die poort is geen oud bewijs. Ook de lezing kamilos (touw) in plaats van kamelos (kameel) staat alleen in enkele late handschriften. De meeste uitleggers zien in de woorden van Jezus een opzettelijk onmogelijk beeld, juist om te laten zien dat redding alleen bij God mogelijk is.
Waarom zei Jezus: Wat noemt gij Mij goed?
De man sprak Jezus aan met "Goede Meester". Jezus antwoordde: "Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God" (Mattheüs 19:17). Daarmee ontkent Jezus niet dat Hij goed is. Hij laat de man nadenken over zijn eigen woorden: alleen God is werkelijk goed. Wie Jezus zo noemt, staat dus voor de vraag wie Hij werkelijk is. Tegelijk ondergraaft het de gedachte dat een mens zelf goed genoeg kan zijn voor het eeuwige leven.
Welke geboden noemde Jezus aan de rijke jongeling?
Jezus noemde geboden uit de tweede tafel van de wet: niet doden, geen overspel doen, niet stelen, geen valse getuigenis geven en vader en moeder eren (Mattheüs 19:18-19). Mattheüs voegt toe: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven." Markus heeft ook "gij zult niemand te kort doen" (Markus 10:19). Het tiende gebod, niet begeren, ontbreekt in Mattheüs en Lukas en staat in Markus hooguit indirect. Veel uitleggers vinden dat veelzeggend: juist op dat punt bleek de man vast te zitten toen Jezus hem vroeg zijn bezit weg te geven.
Moeten christenen al hun bezit verkopen?
Het verhaal is geen algemene regel dat iedere christen alles moet verkopen. Zacheüs beloofde de helft van zijn goederen aan de armen te geven (Lukas 19:8), en Jozef van Arimathea was "een rijk man" en toch een discipel van Jezus (Mattheüs 27:57). De oproep aan de rijke jongeling raakte wat zijn hart vasthield. Wel vraagt Jezus van iedere volgeling dat niets Hem in de weg staat, en Hij waarschuwt dat het moeilijk is voor hen die "op het goed hun betrouwen zetten" (Markus 10:24).
Is de rijke jongeling dezelfde als Zacheüs of de rijke man bij Lazarus?
Nee. Zacheüs was een rijke overste der tollenaren in Jericho die zijn bezit wel deelde nadat Jezus bij hem kwam (Lukas 19:1-10). Lukas vertelt zijn verhaal kort na dat van de rijke overste, als een tegenbeeld. De rijke man bij Lazarus is een figuur uit wat meestal als gelijkenis wordt gelezen (Lukas 16:19-31). Ook de wetgeleerde die dezelfde vraag naar het eeuwige leven stelde, is een ander, want hij wilde Jezus verzoeken (Lukas 10:25).
Is de rijke jongeling later toch tot geloof gekomen?
De Bijbel zegt het niet. Het verhaal eindigt ermee dat hij bedroefd wegging (Markus 10:22), en de evangeliën noemen hem daarna niet meer. Sommigen hopen of vermoeden dat hij later alsnog tot Jezus kwam, omdat Jezus hem liefhad en zei dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Dat blijft een vermoeden. De evangelisten laten het open, en juist dat open einde stelt de lezer voor dezelfde keuze.
Wat kunnen wij leren van de rijke jongeling?
Wij leren dat een keurig leven het eeuwige leven niet verdient: wat de man ontbrak, was Christus Zelf. Wij leren ook eerlijk na te gaan waar ons hart aan vastzit, want "waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Mattheüs 6:21). En wij leren dat redding Gods werk is. Op de vraag wie dan zalig kan worden, antwoordde Jezus: "Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk" (Mattheüs 19:26).

Stel een vraag over de rijke jongeling

Wilt u meer weten over de rijke jongeling? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de rijke jongeling

Bijbelverhalen rond de rijke jongeling

Verdiep u verder