Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~520 v.Chr.

Haggaï in de Bijbel

Chaggai (חַגַּי, Hebreeuws) - “Waarschijnlijk: feestelijk (van chag, feest)”

Wie was Haggaï?

Haggaï was een profeet in Jeruzalem na de Babylonische ballingschap. In 520 voor Christus, het tweede jaar van koning Darius, riep hij het volk op de stilgevallen bouw van de tempel te hervatten. Hij vroeg of het wel tijd was om in eigen huizen te wonen terwijl Gods huis woest lag (Haggaï 1:4).

Haggaï is de profeet van het bijbelboek dat zijn naam draagt, het tiende van de twaalf kleine profeten. Het boek telt twee hoofdstukken en is, gemeten in verzen, na Obadja het kortste boek van het Oude Testament. Daarnaast noemt Ezra hem tweemaal, samen met Zacharia: "Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden" (Ezra 5:1), en de tempel werd gebouwd "door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia" (Ezra 6:14). In de Statenvertaling wordt zijn naam zonder trema geschreven: Haggai. Over Haggaï zelf vertelt de Bijbel bijna niets. Er staat geen vader, geen stamboom en geen roepingsverhaal. Hij heet eenvoudig "Haggai, den profeet" (Haggaï 1:1) en "de bode des HEEREN" (Haggaï 1:13). Alle aandacht gaat naar het woord dat door zijn dienst tot het volk kwam. De lijn van het boek is helder. Het opent met een precieze datum: de eerste dag van de zesde maand in het tweede jaar van koning Darius. Het volk zegt dat de tijd om het huis van de HEERE te bouwen nog niet gekomen is. Haggaï antwoordt met een vraag: "Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?" (Haggaï 1:4). De mislukte oogsten zijn een gevolg van die verwaarlozing. Leiders en volk gehoorzamen, en drie weken later begint het werk opnieuw. Daarna volgen nog drie boodschappen: een bemoediging voor wie het nieuwe huis te klein vond, een les over rein en onrein met de belofte van zegen, en een woord voor Zerubbabel, die God als een zegelring zal stellen. Haggaï is niet te verwarren met zijn tijdgenoot Zacharia, die twee maanden later begon te profeteren (Zacharia 1:1). De Darius uit zijn boek is de Perzische koning Darius I, niet Darius de Meder uit Daniël 6. En de hogepriester Josua, de zoon van Jozadak, is een andere persoon dan Jozua, de zoon van Nun.

Historische context

Haggaï leefde in de Perzische tijd. In 539 voor Christus nam Kores (Cyrus) Babel in, en in zijn eerste jaar liet hij een bevel uitgaan dat de Joden terug mochten keren om het huis van de HEERE in Jeruzalem te bouwen (Ezra 1:1-3). Onder leiding van Zerubbabel en de hogepriester Jesua trok een eerste groep naar Juda (Ezra 2:2). In het tweede jaar na hun aankomst werd de grond van de tempel gelegd, met gejuich en met geween: de ouderen die het eerste huis nog gezien hadden, weenden met luider stem (Ezra 3:12). Daarna stokte het werk. Het volk van het land maakte de handen van Juda slap en huurde raadslieden tegen hen, "al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius" (Ezra 4:4-5). Ezra 4:24 vat samen dat het werk ophield tot in het tweede jaar van Darius. Uit Haggaï blijkt dat niet alleen de tegenstand de oorzaak was. De mensen hadden hun eigen huizen gebouwd, terwijl het huis van God woest bleef. Darius I regeerde van 522 tot 486 voor Christus. Zijn tweede jaar is dus 520. De vier boodschappen van Haggaï vallen alle in dat jaar: op de eerste dag van de zesde maand (Haggaï 1:1), op de eenentwintigste van de zevende maand (Haggaï 2:2) en tweemaal op de vierentwintigste van de negende maand (Haggaï 2:11 en 2:21). De tweede datum was de zevende dag van het Loofhuttenfeest, dat op de vijftiende van de zevende maand begon (Leviticus 23:34). Het werk werd hervat op de vierentwintigste van de zesde maand (Haggaï 2:1). Twee maanden na Haggaï begon Zacharia te profeteren (Zacharia 1:1). De landvoogd Zerubbabel, "den zoon van Sealthiel" (Haggaï 1:1), kwam uit het huis van David: volgens Mattheüs 1:12 was hij een kleinzoon van koning Jechonia. 1 Kronieken 3:19 noemt Pedaja als zijn vader, wat uitleggers op verschillende manieren verklaren. Juda was nu een kleine provincie zonder koning. De bouw leidde tot een onderzoek door de Perzische bestuurders, dat met een bevestiging van het bevel van Kores eindigde (Ezra 5 en 6). De tempel werd voltooid op de derde dag van de maand Adar in het zesde jaar van Darius (Ezra 6:15), dat is 516 of 515 voor Christus. Een opmerking over de nummering: in de Statenvertaling telt Haggaï 1 veertien verzen en staat de datering van de herstart als Haggaï 2:1. Daardoor liggen de versnummers van hoofdstuk 2 één hoger dan in veel andere uitgaven. De joodse traditie (de Talmoed) rekent Haggaï, Zacharia en Maleachi tot de laatste profeten. Sommige uitleggers leiden uit Haggaï 2:4 af dat Haggaï zelf de eerste tempel nog gezien had en dus al op hoge leeftijd was; de tekst zegt dat niet.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Rechtstreeks: hij legt de vinger bij de prioriteiten van het volk met één vraag (Haggaï 1:4)
  • Een trouwe bode die het woord van de HEERE doorgeeft en zichzelf op de achtergrond houdt (Haggaï 1:13)
  • Bemoedigend voor wie ontmoedigd is: "wees sterk" en "vreest niet" (Haggaï 2:5-6)
  • Hij betrekt de priesters en de wet bij zijn boodschap (Haggaï 2:12)
  • Zijn woord vond gehoor en droeg het werk tot het einde (Ezra 6:14)

Theologische betekenis

Het boek Haggaï draait om het huis van de HEERE. Dat is meer dan een gebouw: het was de plaats waar God beloofd had onder Zijn volk te wonen. Een volk dat terugkeerde uit de ballingschap maar Gods huis woest liet liggen, liet zien dat het leven niet meer om God draaide. "Stelt uw hart op uw wegen" (Haggaï 1:5 en 1:7) is daarom een oproep tot inkeer. De droogte en de magere oogsten herinneren aan de vloeken van het verbond, zoals in Deuteronomium 28:38: "Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen". Opvallend is hoe snel het volk luistert, en hoe snel God antwoordt. Na de gehoorzaamheid volgt geen nieuw verwijt, maar de belofte: "Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE" (Haggaï 1:13). En het is God Die de geest van Zerubbabel, Josua en het volk opwekt (Haggaï 1:14), zoals Hij eerder de geest van Kores had opgewekt (Ezra 1:1). De tweede boodschap troost wie het nieuwe huis maar klein vond. God herinnert aan het verbond bij de uittocht en aan Zijn Geest in hun midden (Haggaï 2:6). Hij zal hemel en aarde en alle heidenen doen beven, "en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen" (Haggaï 2:8). De Statenvertaling en veel oudere uitleggers lezen "den Wens aller heidenen" als een aanduiding van de Messias. Anderen verstaan het als de kostbaarheden van de volken, wat aansluit bij het volgende vers over zilver en goud. Beide lezingen lopen uit op dezelfde belofte: "De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste" (Haggaï 2:10). Christenen zien die belofte vervuld toen Christus in deze tempel kwam (door Herodes later uitgebreid en verfraaid). Hebreeën 12:26-27 citeert Haggaï: "Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel", en legt uit dat dit wijst op het verdwijnen van wat wankelt, zodat het onbewegelijke Koninkrijk blijft. De laatste boodschap noemt Zerubbabel "Mijn knecht" en belooft hem te stellen "als een zegelring" (Haggaï 2:24). Dat keert het oordeel over zijn grootvader Chonia om, die God van Zijn hand zou wegrukken, al was hij een zegelring (Jeremia 22:24). De lijn van David is niet afgesneden. Zerubbabel werd geen koning, maar zijn naam staat in het geslachtsregister van Jezus, als Zorobabel (Mattheüs 1:12).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Chaggai (חַגַּי, Hebreeuws)

Betekenis

Waarschijnlijk: feestelijk (van chag, feest)

Betekenis van de naam Haggaï: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Is het nu de tijd?

Op de eerste dag van de zesde maand komt het woord van de HEERE door Haggaï tot Zerubbabel en Josua. Het volk zegt dat de tijd niet gekomen is, maar woont zelf in gewelfde huizen. Droogte en mislukte oogsten hangen samen met het woeste huis van God.

Haggaï 1:1-11

2

Het volk gehoorzaamt

Zerubbabel, Josua en het overblijfsel horen naar de stem van de HEERE en vrezen voor Zijn aangezicht. Haggaï brengt de belofte "Ik ben met ulieden", en God wekt de geest van leiders en volk op.

Haggaï 1:12-14

3

De bouw gaat weer van start

Zerubbabel en Jesua beginnen opnieuw aan het huis van God, gesteund door de profeten Haggaï en Zacharia. Volgens Haggaï 2:1 gebeurde dat op de vierentwintigste van de zesde maand.

Ezra 5:1-2

4

De heerlijkheid van dit laatste huis

Tijdens het Loofhuttenfeest vraagt Haggaï wie het eerste huis nog kende en of het nieuwe niet als niets lijkt. God roept leiders en volk op sterk te zijn en belooft dat de heerlijkheid van dit laatste huis groter zal worden dan die van het eerste.

Haggaï 2:2-10

5

Rein en onrein

Haggaï vraagt de priesters of heilig vlees andere spijzen heilig maakt (nee) en of iemand die onrein is ze onrein maakt (ja). Zo is het met het volk en wat het offert.

Haggaï 2:11-15

6

Zegen vanaf deze dag

Het volk moet terugdenken aan de magere opbrengsten van vroeger. Van deze dag af, de vierentwintigste van de negende maand, belooft God te zegenen, ook bomen die nog niet gedragen hebben.

Haggaï 2:16-20

7

Zerubbabel als zegelring

Op dezelfde dag spreekt Haggaï tot Zerubbabel: God zal hemel en aarde bewegen en de troon der koninkrijken omkeren, en Zerubbabel als zegelring stellen, want Hij heeft hem verkoren.

Haggaï 2:21-24

8

De tempel voltooid

De oudsten bouwen voorspoedig voort door de profetie van Haggaï en Zacharia. Op de derde dag van de maand Adar, in het zesde jaar van Darius, is het huis klaar.

Ezra 6:14-15

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Haggaï beter te begrijpen.

Haggaï 1:4

“Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?”

Het antwoord op de uitspraak dat de tijd nog niet gekomen was. Met deze vraag legt Haggaï de prioriteiten van het volk bloot.

Haggaï 1:5

“Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.”

Een oproep die in het boek terugkeert (Haggaï 1:7 en, in andere woorden, 2:16 en 2:19): denk na over de weg die u gaat en wat die oplevert.

Haggaï 1:13

“Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.”

Direct na de gehoorzaamheid van het volk komt de kortste en troostrijkste boodschap van het boek. Haggaï heet hier de bode des HEEREN.

Haggaï 2:5

“Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen;”

Tegen de ontmoediging over het kleine nieuwe huis roept God leiders en volk driemaal op sterk te zijn en door te werken.

Haggaï 2:8

“Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.”

De Statenvertaling leest hier een aanduiding van de Messias; anderen denken aan de kostbaarheden van de volken. In beide gevallen vult God het huis met heerlijkheid.

Haggaï 2:10

“De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.”

De belofte die de bouwers droeg. Christenen zien haar vervuld in de komst van Christus in deze tempel.

Haggaï 2:24

“Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiel, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.”

Het slotwoord van het boek. De zegelring keert het oordeel over Chonia om (Jeremia 22:24) en houdt de belofte aan het huis van David open.

Ezra 5:1

“Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel profeteerden zij tot hen.”

Het boek Ezra noemt Haggaï en Zacharia samen als de profeten die de herbouw van de tempel op gang brachten.

Hebreeën 12:26

“Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.”

De brief aan de Hebreeën citeert Haggaï 2:7 en verbindt het bewegen van hemel en aarde met het onbewegelijke Koninkrijk dat de gelovigen ontvangen.

Tijdperiode

~520 v.Chr.

Haggaï leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Bijbelboeken over Haggaï

Lessen voor vandaag

Haggaï laat zien hoe gemakkelijk Gods zaak naar achteren schuift. Het volk was niet tegen de tempel; het vond alleen dat de tijd nog niet gekomen was. Ondertussen werden de eigen huizen wel afgebouwd. Ook wij kunnen goede redenen hebben om uit te stellen wat God vraagt, terwijl wij voor onze eigen plannen altijd tijd vinden. "Stelt uw hart op uw wegen" vraagt ons eerlijk te kijken waar onze tijd, ons geld en onze aandacht naartoe gaan. Het boek leert ons ook dat onrust en tekort een vraag kunnen stellen. Het volk zaaide veel en bracht weinig in, en het loon verdween als in een doorgeboorde buidel (Haggaï 1:6). Niet elk tekort is een straf, maar Haggaï nodigt ons uit om in zulke tijden na te gaan of wij God de eerste plaats geven. Jezus zegt het zo: "Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Mattheüs 6:33). Daarnaast is Haggaï een bemoediging voor wie klein begint. De ouderen vonden het nieuwe huis als niets, vergeleken met de tempel van Salomo. Toch zei God: wees sterk en werkt, want Ik ben met u. Wat in onze ogen gering is, een kleine gemeente, een eenvoudige taak, een begin dat nauwelijks opvalt, kan God met Zijn heerlijkheid vervullen. Ten slotte zien wij hoe God werkt door Zijn Woord. Haggaï had geen macht en geen leger, alleen een boodschap. Toch hoorden leiders en volk, en God wekte hun geest op. Dat geeft ook ons vertrouwen in de kracht van het gesproken en gelezen Woord.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Haggaï

Wie was Haggaï in de Bijbel?
Haggaï was een profeet in Jeruzalem na de Babylonische ballingschap. In 520 voor Christus, het tweede jaar van de Perzische koning Darius, riep hij het volk op de bouw van de tempel te hervatten, die al jaren stil lag. Zijn vier boodschappen staan in het boek Haggaï. Hij richtte zich tot de landvoogd Zerubbabel, de hogepriester Josua en het volk, en zij gingen weer aan het werk. Samen met Zacharia steunde hij de bouw tot de tempel rond 515 voor Christus voltooid was (Ezra 6:14-15).
Wat betekent de naam Haggaï?
De naam Haggaï komt waarschijnlijk van het Hebreeuwse woord chag, dat feest betekent. De naam kan dan feestelijk of mijn feest betekenen. Sommige uitleggers denken dat hij op een feestdag geboren werd, maar dat is een gissing; de Bijbel zegt er niets over. Wel opvallend is dat Haggaï een van zijn boodschappen bracht op de zevende dag van het Loofhuttenfeest (Haggaï 2:2). De naam komt in de Bijbel alleen voor bij deze profeet.
Waar staat Haggaï in de Bijbel?
Haggaï staat vooral in het boek dat zijn naam draagt, het tiende van de twaalf kleine profeten, met twee hoofdstukken. Haggaï 1 gaat over de oproep om te bouwen en de gehoorzaamheid van het volk. Haggaï 2 bevat de boodschap over de heerlijkheid van het nieuwe huis, de les over rein en onrein en het woord aan Zerubbabel. Daarnaast noemt het boek Ezra hem in Ezra 5:1 en Ezra 6:14, beide keren samen met Zacharia.
Hoe schrijft u Haggaï?
De gangbare Nederlandse spelling is Haggaï, met een trema op de i, omdat de a en de i los worden uitgesproken. De Statenvertaling schrijft Haggai, zonder trema. De Hebreeuwse vorm is Chaggai. Let bij het opzoeken ook op de versnummering: in de Statenvertaling staat de datering van de herstart van de bouw als Haggaï 2:1, zodat de verzen van hoofdstuk 2 één hoger genummerd zijn dan in veel andere uitgaven.
Wanneer leefde Haggaï?
Haggaï profeteerde in het tweede jaar van koning Darius I van Perzië, dat is 520 voor Christus. Zijn vier boodschappen vallen binnen vier maanden: van de eerste dag van de zesde maand (Haggaï 1:1) tot de vierentwintigste van de negende maand (Haggaï 2:21). Dat was zo’n achttien jaar na de eerste terugkeer onder Kores. Hoe oud hij was en wanneer hij stierf, vertelt de Bijbel niet.
Waarom lag de bouw van de tempel stil?
Na de terugkeer werd de grond van de tempel gelegd (Ezra 3:10), maar het volk van het land maakte de handen van Juda slap en huurde raadslieden tegen hen (Ezra 4:4-5). Het werk hield op tot in het tweede jaar van Darius (Ezra 4:24). Haggaï laat zien dat er ook een innerlijke oorzaak was: het volk zei dat de tijd nog niet gekomen was, terwijl ieder wel voor zijn eigen huis liep (Haggaï 1:2 en 1:9).
Wat betekent "Stelt uw hart op uw wegen"?
Met "Stelt uw hart op uw wegen" (Haggaï 1:5 en 1:7) roept God het volk op om goed na te denken over hun manier van leven en wat die opleverde. Zij zaaiden veel en brachten weinig in, aten zonder verzadigd te worden en hun loon verdween als in een doorgeboorde buidel (Haggaï 1:6). Haggaï verbindt dat met het woeste huis van God. Het is een oproep tot inkeer: geef God weer de eerste plaats.
Wat bedoelt Haggaï met de heerlijkheid van dit laatste huis?
Wie de tempel van Salomo nog gekend had, vond het nieuwe huis als niets (Haggaï 2:4). God belooft echter: "De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste" (Haggaï 2:10). Vlak daarvoor spreekt Hij over "den Wens aller heidenen" (Haggaï 2:8). De Statenvertaling en veel oudere uitleggers zien daarin de Messias; anderen denken aan de kostbaarheden van de volken. Christenen zien de belofte vervuld toen Christus in deze tempel kwam.
Wat betekent de zegelring voor Zerubbabel?
In zijn laatste boodschap zegt God tegen Zerubbabel: "Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren" (Haggaï 2:24). Een zegelring was het teken van gezag van een koning. Eerder had God over Chonia, de grootvader van Zerubbabel, gezegd dat Hij hem zou wegrukken, al was hij een zegelring aan Zijn rechterhand (Jeremia 22:24). Haggaï keert dat oordeel om: de lijn van David gaat door. Zerubbabel staat later in het geslachtsregister van Jezus (Mattheüs 1:12).
Wie waren de tijdgenoten van Haggaï?
De profeet Zacharia begon twee maanden na Haggaï te profeteren (Zacharia 1:1), en Ezra noemt hen samen (Ezra 5:1). Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, was landvoogd van Juda; Josua, de zoon van Jozadak, was hogepriester. Deze Josua (in Ezra Jesua genoemd) is niet dezelfde als Jozua, de zoon van Nun. De koning was Darius I van Perzië, niet te verwarren met Darius de Meder uit Daniël 6. De schriftgeleerde Ezra kwam pas ruim zestig jaar later.
Citeert het Nieuwe Testament Haggaï?
Ja. Hebreeën 12:26 citeert Haggaï 2:7: "Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel." De brief legt uit dat dit wijst op de verandering van wat wankelbaar is, zodat het onbewegelijke Koninkrijk overblijft (Hebreeën 12:27-28). Haggaï wordt in het Nieuwe Testament niet bij name genoemd. Wel staat Zerubbabel, tot wie hij sprak, als Zorobabel in het geslachtsregister van Jezus (Mattheüs 1:12). Naar men doorgaans aanneemt, is ook de Zorobabel uit Lukas 3:27 dezelfde persoon.
Wat kunnen wij leren van Haggaï?
Van Haggaï leren wij om eerlijk te kijken waar ons hart naar uitgaat. Het volk vond dat de tijd voor Gods huis nog niet gekomen was, maar bouwde wel aan eigen huizen. "Stelt uw hart op uw wegen" (Haggaï 1:5) vraagt ons God de eerste plaats te geven. Tegelijk bemoedigt Haggaï wie klein begint: God zegt "Ik ben met ulieden" (Haggaï 1:13) en kan wat gering lijkt met heerlijkheid vervullen. En wij zien hoe God door Zijn Woord een stilgevallen werk weer op gang brengt.

Stel een vraag over Haggaï

Wilt u meer weten over Haggaï? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Haggaï

Bijbelverhalen rond Haggaï

Verdiep u verder