Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~1e eeuw n.Chr.

De broers van Jezus in de Bijbel

Adelphoi (ἀδελφοί, Grieks) - “Broeders”

Wie waren de broers van Jezus?

De broers van Jezus waren Jakobus, Joses, Simon en Judas; ook had Hij zusters, van wie de Bijbel de namen niet geeft (Mattheüs 13:55-56). Tijdens Zijn optreden geloofden de broers niet in Hem, maar na de opstanding behoorden zij tot de gemeente. Hoe hun verwantschap precies was, wordt verschillend uitgelegd.

De broers van Jezus komen in alle vier de evangeliën voor, in Handelingen en in de brieven van Paulus. De Statenvertaling noemt hen "broeders" en spreekt daarnaast van "zusters". Hun namen staan in Mattheüs 13:55 en Markus 6:3, waar de mensen van Nazareth zich ergeren aan de wijsheid van de timmermanszoon: "is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas? En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons?" (Mattheüs 13:55-56). Markus noemt de namen in een iets andere volgorde: Jakobus, Joses, Judas en Simon. De zusters blijven naamloos. Het verhaal van de broers heeft twee delen. Tijdens het openbare optreden van Jezus staan zij aan de kant. Zij reizen met Hem en Maria naar Kapernaum (Johannes 2:12), maar later staan zij met Maria buiten en laten Hem roepen (Markus 3:31-35). Vlak voor het Loofhuttenfeest dringen zij erop aan dat Hij Zich in Judea aan de wereld toont, en Johannes zegt erbij dat ook Zijn broeders niet in Hem geloofden (Johannes 7:3-5); de kanttekeningen lezen dat als: sommigen van hen. Na Pasen is het anders. De opgestane Heere verschijnt aan Jakobus (1 Korinthe 15:7); veel uitleggers denken aan de broer, maar Paulus zegt het niet. De broers bidden mee in de opperzaal (Handelingen 1:14). Later reizen zij als bekende broeders des Heeren rond (1 Korinthe 9:5). Eén van de broers heeft een eigen pagina: Jakobus, de broer van Jezus, die leider werd van de gemeente in Jeruzalem; daar staat meer over zijn leven en over de vraag of hij een echte broer, halfbroer of neef was. Judas, de broer van Jezus, is niet Judas Iskariot. Of hij dezelfde is als de apostel Judas Thaddeüs, is onzeker. Ook Simon, de broer van Jezus, is niet zonder meer dezelfde als de apostel Simon de Zeloot. Deze pagina gaat over de hele groep: wie zij waren, wat de Bijbel over hen zegt en hoe het woord broeders in de kerkgeschiedenis is uitgelegd.

Historische context

De broers van Jezus leefden in de eerste eeuw na Christus. Zij groeiden op in Nazareth, een dorp in Galilea, in het huis van Jozef, die de mensen daar kenden als timmerman (Mattheüs 13:55). Na het verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel (Lukas 2:41-51) treedt Jozef niet meer zelf op; hij wordt alleen nog genoemd als de vader die men meende te kennen (Lukas 4:22, Johannes 6:42). Veel uitleggers nemen daarom aan dat hij vóór het openbare optreden van Jezus gestorven is, maar de Bijbel zegt dat niet uitdrukkelijk. Het Griekse woord voor broeder, adelphos, betekent gewoonlijk een broer van dezelfde ouders. Het kan in de Bijbel ook ruimer gebruikt worden. Lot, de neef van Abram, heet in Genesis 14:14 "zijn broeder". Daartegenover staat dat het Nieuwe Testament een eigen woord voor neef kent: Markus heet "de neef van Barnabas" (Kolossenzen 4:10). Daarom lopen de uitleggingen uiteen. In de vroege kerk ontstonden drie opvattingen. Volgens de eerste waren de broers zonen van Jozef en Maria, geboren na Jezus. Aan het eind van de vierde eeuw verdedigde Helvidius dat. Men wijst op "totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had" (Mattheüs 1:25) en op de broers die steeds samen met Maria optreden. Volgens de tweede waren het zonen van Jozef uit een eerder huwelijk, dus halfbroers. Die gedachte komt voor in het apocriefe Protevangelie van Jakobus (tweede eeuw) en leeft voort in de oosters-orthodoxe kerken. Volgens de derde waren het neven of andere verwanten. Hiëronymus verdedigde dat tegen Helvidius. In de rooms-katholieke traditie wordt meestal zo gedacht, en ook de kanttekeningen bij de Statenvertaling lezen broeders als neven, zonen van een zuster van Maria (kanttekening bij Mattheüs 13:55). Men wijst erop dat Mattheüs bij het kruis een andere Maria noemt, "de moeder van Jakobus en Joses" (Mattheüs 27:56), en dat Jezus Zijn moeder aan de discipel die Hij liefhad toevertrouwde (Johannes 19:26-27). Over het latere leven van de broers is weinig bekend. Paulus schrijft dat zij met hun vrouwen rondreisden (1 Korinthe 9:5). Jakobus leidde de gemeente in Jeruzalem (Galaten 2:9, Handelingen 15:13). Volgens de joodse geschiedschrijver Josephus werd hij rond 62 n.Chr. gestenigd. De kerkhistoricus Eusebius haalt Hegesippus (tweede eeuw) aan, die vertelt dat kleinzonen van Judas, de broer van de Heere, onder keizer Domitianus werden verhoord en als eenvoudige boeren werden vrijgelaten. Die details zijn moeilijk te toetsen.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Betrokken bij hun familie: zij reisden met Jezus en Maria mee naar Kapernaum (Johannes 2:12)
  • Volhardend in het gebed na de hemelvaart (Handelingen 1:14)
  • Inzetbaar voor het evangelie: zij reisden rond als broeders des Heeren (1 Korinthe 9:5)
  • Nederig: als de brief van Jakobus van de broer van Jezus is, zoals veel uitleggers aannemen, noemt hij zich alleen "een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus" (Jakobus 1:1)

−Zwakke kanten

  • Ongeloof tijdens het openbare optreden van Jezus (Johannes 7:5)
  • Druk op Jezus om Zich naar hun inzicht aan de wereld te tonen (Johannes 7:3-4)
  • Mogelijk ook onbegrip: als de broers bij de verwanten uit Markus 3:21 hoorden, dachten zij dat Hij buiten Zijn zinnen was

Theologische betekenis

De broers van Jezus herinneren eraan dat de Zoon van God werkelijk mens werd. Hij werd "geworden uit een vrouw, geworden onder de wet" (Galaten 4:4) en groeide op in een gezin, in een dorp waar iedereen Zijn familie kende. Juist die bekendheid werd voor de mensen van Nazareth een struikelblok: "En zij werden aan Hem geergerd" (Mattheüs 13:57). De evangeliën laten ook zien dat het koninkrijk van God niet langs de lijnen van bloedverwantschap loopt. Toen Zijn moeder en broers buiten stonden, zei Jezus: "zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder" (Markus 3:35). Lukas geeft het zo: "Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen" (Lukas 8:21). Daarmee wijst Jezus Zijn familie niet af, maar Hij zegt wie werkelijk bij Hem hoort. Na de opstanding noemt Hij Zijn discipelen "Mijn broeders" (Johannes 20:17), en Paulus schrijft dat Christus de Eerstgeborene is onder vele broederen (Romeinen 8:29). Psalm 69, die in Johannes 2:17 op Jezus wordt toegepast, zegt: "Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen" (Psalm 69:9). Veel uitleggers lezen dat vers in het licht van het ongeloof van Zijn broers. Hun ommekeer is een getuigenis van de opstanding. Johannes zegt dat ook Zijn broeders niet in Hem geloofden (Johannes 7:5); de kanttekeningen lezen dat als: sommigen van hen. Na Pasen bidden zij mee in de opperzaal en wordt Jakobus een pilaar van de gemeente (Galaten 2:9). Veel uitleggers zien daarin een sterke aanwijzing dat zij de Opgestane werkelijk ontmoet hebben. De vraag naar de aard van hun verwantschap raakt de leer over Maria. De rooms-katholieke kerk leert dat Maria altijd maagd is gebleven; de broers zijn daar verwanten. De reformatoren hebben die gedachte niet bestreden, en Calvijn en de kanttekeningen bij de Statenvertaling lezen broeders als bloedverwanten; de kanttekeningen denken aan neven, zonen van een zuster van Maria (bij Mattheüs 13:55). In de latere protestantse uitleg is de lezing gangbaar dat het jongere kinderen van Jozef en Maria waren. De Drie Formulieren van Enigheid beslissen deze vraag niet. Wat zij wel belijdt, is de ontvangenis van Christus uit de Heilige Geest en Zijn geboorte uit de maagd Maria (Mattheüs 1:18); dat staat los van de vraag naar latere kinderen.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Adelphoi (ἀδελφοί, Grieks)

Betekenis

Broeders

Sleutelmomenten

1

Met Hem naar Kapernaum

Na de bruiloft te Kana gaat Jezus naar Kapernaum, samen met Zijn moeder, Zijn broers en Zijn discipelen. Daar blijven zij niet veel dagen.

Johannes 2:12

2

Buiten staan en roepen

Zijn verwanten vinden dat Hij buiten Zijn zinnen is (Markus 3:21). Dan komen Zijn moeder en broers en laten Hem roepen. Jezus kijkt naar wie om Hem zitten en zegt dat wie Gods wil doet, Zijn broeder, zuster en moeder is.

Markus 3:31-35

3

Genoemd in Nazareth

In de synagoge van Nazareth ergeren de mensen zich aan Jezus. Zij noemen Zijn moeder Maria, Zijn broers Jakobus, Joses, Simon en Judas, en Zijn zusters.

Mattheüs 13:55-56

4

Ongeloof voor het Loofhuttenfeest

De broers sporen Jezus aan naar Judea te gaan en Zich aan de wereld te openbaren. Johannes zegt dat ook Zijn broers niet in Hem geloofden.

Johannes 7:3-5

5

Jakobus ziet de Opgestane

Paulus noemt een verschijning van de opgestane Heere aan Jakobus. Of dit de broer van Jezus is, zegt Paulus niet; veel uitleggers nemen het aan en zien hierin het keerpunt voor deze broer.

1 Korinthe 15:7

6

Bidden in de opperzaal

Na de hemelvaart volharden de apostelen eendrachtig in het gebed, met de vrouwen, met Maria en met de broers van Jezus.

Handelingen 1:14

7

Jakobus in Jeruzalem

Drie jaar later (Galaten 1:18) ontmoet Paulus in Jeruzalem behalve Petrus alleen Jakobus, de broeder des Heeren.

Galaten 1:19

8

Op reis voor het evangelie

Paulus noemt de broeders des Heeren naast de apostelen en Cefas. Zij reisden rond en namen hun vrouwen mee.

1 Korinthe 9:5

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de broers van Jezus beter te begrijpen.

Mattheüs 1:25

“En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.”

Een vers dat in de discussie over de broers vaak wordt aangehaald. Het woord totdat wordt verschillend uitgelegd; de kanttekeningen zeggen dat er niet uit volgt dat Jozef haar daarna bekende.

Johannes 2:12

“Daarna ging Hij af naar Kapernaum, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen.”

De eerste keer dat de broers in het evangelie van Johannes voorkomen, samen met Maria.

Mattheüs 13:55

“Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?”

De enige plaats, naast Markus 6:3, waar de namen van de vier broers staan.

Mattheüs 13:56

“En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan Dezen dit alles?”

Jezus had ook zusters. Het woord allen wijst op ten minste twee; hun namen geeft de Bijbel niet.

Markus 3:35

“Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.”

Jezus antwoordt als Zijn moeder en broers buiten staan. Zijn ware familie zijn zij die Gods wil doen.

Johannes 7:5

“Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.”

Een korte, eerlijke zin van Johannes. Zelfs de naaste familie geloofde tijdens Zijn optreden niet in Hem.

Handelingen 1:14

“Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.”

Na de hemelvaart staan de broers niet meer buiten, maar bidden zij mee met de discipelen.

1 Korinthe 9:5

“Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas?”

Paulus noemt de broeders des Heeren als bekende reizende verkondigers, die getrouwd waren.

Galaten 1:19

“En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.”

De bijnaam onderscheidt deze Jakobus van de apostelen met dezelfde naam.

Tijdperiode

~1e eeuw n.Chr.

De broers van Jezus leefden in de tijd van het Nieuwe Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De broers van Jezus leefden jarenlang in hetzelfde huis als Hij, en toch geloofden zij niet in Hem (Johannes 7:5). Dat is een ernstige les. Opgroeien in een christelijk gezin, de Bijbel kennen en vertrouwd zijn met de kerk is een groot voorrecht, maar het is nog geen geloof. Wij hebben zelf een persoonlijke kennis van Christus nodig. Jezus wees de familieband niet af, maar Hij gaf haar een nieuwe plaats. "Zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder" (Markus 3:35). Wie Gods Woord hoort en doet, hoort bij Zijn familie, ongeacht afkomst of achtergrond. Dat geeft troost aan wie om het geloof alleen staat in de eigen familie. De ommekeer van de broers geeft hoop. Zij die eerst niet geloofden, baden na Pasen mee in de opperzaal, en Jakobus werd een leider in de gemeente. Wij mogen dus blijven bidden voor familieleden die nog buiten staan. Het verhaal van deze broers laat zien dat de opgestane Heere ook hen kan bereiken die Hem van dichtbij kennen en toch afwijzen. Ten slotte vraagt de discussie over hun verwantschap om bescheidenheid. Waar de Schrift niet met zoveel woorden beslist, kunnen gelovigen verschillend oordelen, en dat hoeft de onderlinge liefde niet te schaden. Het belangrijkste is niet hoe de broers precies verwant waren, maar dat zij Hem uiteindelijk als hun Heere erkenden.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de broers van Jezus

Wie waren de broers van Jezus in de Bijbel?
De broers van Jezus waren Jakobus, Joses, Simon en Judas (Mattheüs 13:55). Ook had Hij zusters, van wie de Bijbel de namen niet noemt. Tijdens Zijn openbare optreden geloofden de broers niet in Hem (Johannes 7:5). Na de opstanding baden de broers mee in de opperzaal (Handelingen 1:14). Jakobus werd een leider van de gemeente in Jeruzalem, en de broeders des Heeren reisden later rond voor het evangelie (1 Korinthe 9:5).
Had Jezus broers en zussen?
Ja, de Bijbel spreekt van broers en zusters van Jezus. In Nazareth vroegen de mensen: "is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas? En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons?" (Mattheüs 13:55-56). Ook Markus 6:3, Johannes 7:3-5 en Handelingen 1:14 noemen de broers. Hoe die verwantschap precies moet worden verstaan, als volle broers en zussen, halfbroers of neven, wordt in de kerk verschillend uitgelegd.
Hoe heetten de broers en zusters van Jezus?
De broers heetten Jakobus, Joses, Simon en Judas (Mattheüs 13:55). Markus noemt dezelfde vier namen in de volgorde Jakobus, Joses, Judas en Simon (Markus 6:3). De zusters worden alleen genoemd, niet bij naam: "En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons?" (Mattheüs 13:56). Het woord allen wijst op ten minste twee zusters. Latere kerkelijke schrijvers geven hun soms namen, maar die komen niet uit de Bijbel.
Waar staan de broers van Jezus in de Bijbel?
In de evangeliën: Mattheüs 12:46-50 en Mattheüs 13:55-56, Markus 3:31-35 en Markus 6:3, Lukas 8:19-21, Johannes 2:12 en Johannes 7:3-10. Daarna in Handelingen 1:14, waar zij met de apostelen bidden. Paulus noemt hen in 1 Korinthe 9:5 en noemt Jakobus "den broeder des Heeren" (Galaten 1:19). De Statenvertaling spreekt steeds van broeders. Jakobus en Judas worden ook met de gelijknamige brieven verbonden.
Waren het echte broers, halfbroers of neven van Jezus?
De vier broers en de zusters worden in de Statenvertaling broeders en zusters genoemd; welke verwantschap daarmee bedoeld is, laat de Schrift open. Er zijn drie opvattingen. Volgens de eerste waren het zonen en dochters van Jozef en Maria, geboren na Jezus; men wijst op Mattheüs 1:25. Volgens de tweede waren het kinderen van Jozef uit een eerder huwelijk, zoals de oosters-orthodoxe kerken leren. Volgens de derde waren het neven en nichten of andere verwanten, omdat broeder in de Schrift ook een ruimere betekenis kan hebben (Genesis 14:14). Elke opvatting heeft haar argumenten.
Wat leert de rooms-katholieke kerk over de broers van Jezus?
De rooms-katholieke kerk leert dat Maria altijd maagd is gebleven, ook na de geboorte van Jezus. De broers en zusters zijn volgens die leer geen kinderen van Maria, maar verwanten, meestal opgevat als neven en nichten. Die lijn gaat terug op de kerkvader Hiëronymus aan het eind van de vierde eeuw. Men wijst onder meer op Mattheüs 27:56, waar een andere Maria "de moeder van Jakobus en Joses" heet, en op Johannes 19:26-27, waar Jezus Zijn moeder toevertrouwt aan de discipel die Hij liefhad (volgens de overlevering Johannes).
Hoe lezen reformatorische uitleggers de broers van Jezus?
Daarin is verschil. Calvijn en de kanttekeningen bij de Statenvertaling lezen broeders als bloedverwanten; de kanttekeningen denken aan neven, zonen van een zuster van Maria (bij Mattheüs 13:55), en zeggen bij Mattheüs 1:25 dat uit het woord totdat niet volgt dat Jozef haar daarna bekende. In de latere protestantse uitleg is de lezing gangbaar dat het jongere kinderen van Jozef en Maria waren, omdat de evangeliën hen steeds samen met Maria noemen. De Drie Formulieren van Enigheid beslissen de vraag niet.
Geloofden de broers van Jezus in Hem?
Tijdens Zijn openbare optreden niet. Johannes schrijft: "Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem" (Johannes 7:5). Zij wilden dat Hij Zich in Judea aan de wereld zou tonen (Johannes 7:3-4). Na de opstanding veranderde dat. De Heere verscheen aan Jakobus (1 Korinthe 15:7), volgens veel uitleggers de broer, al zegt Paulus dat niet, en na de hemelvaart baden de broers eendrachtig mee met de apostelen (Handelingen 1:14). Veel uitleggers zien in hun ommekeer een getuigenis van de opstanding.
Waren broers van Jezus ook apostelen?
Daarover verschillen de uitleggers. Zeker is dat Judas, de broer van Jezus, niet Judas Iskariot is, die in de Statenvertaling "Simons zoon" heet (Johannes 6:71). De kanttekeningen bij de Statenvertaling vereenzelvigen Jakobus, de broeder des Heeren, met de apostel Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Judas met de apostel Judas Thaddeüs (Lukas 6:16), en lezen Johannes 7:5 als: sommigen van de broers. Veel latere uitleggers onderscheiden hen, omdat de broers nog niet geloofden toen de twaalf al gekozen waren en Handelingen 1:13-14 de apostelen apart van "Zijn broederen" noemt. Of Simon de broer Simon de Zeloot is, zegt de Bijbel niet.
Wat werd er van de broers van Jezus na de opstanding?
Zij behoorden vanaf het begin tot de gemeente in Jeruzalem (Handelingen 1:14). Jakobus werd een van de leiders, een pilaar naast Petrus en Johannes (Galaten 2:9); volgens Josephus werd hij rond 62 n.Chr. gestenigd. De broeders des Heeren reisden met hun vrouwen rond voor het evangelie (1 Korinthe 9:5). De kerkhistoricus Eusebius haalt Hegesippus aan over kleinzonen van Judas onder keizer Domitianus, maar die overlevering is moeilijk te toetsen.
Wat kunnen wij leren van de broers van Jezus?
Dat nabijheid tot Jezus nog geen geloof is: Zijn broers leefden met Hem samen en geloofden toch niet in Hem (Johannes 7:5). Ook leren wij dat wie Gods wil doet, bij Zijn familie hoort (Markus 3:35). En hun ommekeer na Pasen geeft hoop voor familieleden die nog buiten staan. De opgestane Heere bracht hen tot geloof, en zij werden dienaren van het evangelie. Waar de Schrift niet beslist over hun verwantschap, past bescheidenheid.

Stel een vraag over de broers van Jezus

Wilt u meer weten over de broers van Jezus? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de broers van Jezus

Verdiep u verder