Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1000 v.Chr.

Asaf in de Bijbel

Asaf (אָסָף, Hebreeuws) - “Waarschijnlijk verzamelaar”

Wie was Asaf?

Asaf was een Leviet uit het geslacht van Gerson, door David aangesteld als hoofd van de zangers voor de ark in Jeruzalem (1 Kronieken 16:4-5). Hij speelde de cimbalen, gaf leiding aan zijn zonen en heet later een ziener. Twaalf psalmen dragen zijn naam: Psalm 50 en Psalm 73 tot en met 83.

Asaf komt in de Bijbel op twee manieren naar voren: in de geschiedboeken als zangmeester aan het hof van David, en in het boek der Psalmen als de man wiens naam boven twaalf psalmen staat. De Statenvertaling schrijft zijn naam als Asaf; in oudere en Engelstalige boeken staat vaak Asaph. Over zijn leven vertellen vooral 1 Kronieken 15, 16 en 25. Toen David de ark naar Jeruzalem liet brengen, stelden de Levieten op zijn bevel drie zangers aan: "De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen" (1 Kronieken 15:19). Na de aankomst van de ark kreeg Asaf de leiding: "Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem" (1 Kronieken 16:5). Op diezelfde dag gaf David een loflied "door den dienst van Asaf, en zijn broederen" (1 Kronieken 16:7). Later deelde David de zangers in afdelingen in, en de zonen van Asaf profeteerden met harpen, luiten en cimbalen "aan de hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde" (1 Kronieken 25:2). In de Psalmen staat zijn naam in het opschrift van Psalm 50 en van Psalm 73 tot en met 83. Daaronder vallen bekende teksten als de worsteling van Psalm 73, met de vraag "Wien heb ik nevens U in den hemel?" (Psalm 73:25), en de bede "O God! breng ons weder" uit Psalm 80:4. Eeuwen na zijn dood liet koning Hiskia de Levieten de HEERE loven "met de woorden van David en van Asaf, den ziener" (2 Kronieken 29:30). Asaf is niet te verwarren met twee latere naamgenoten: Asaf, de vader van Joah, die kanselier was van koning Hiskia (2 Koningen 18:18), en Asaf, de bewaarder van de koninklijke lusthof, die Nehemia hout moest leveren voor de poorten van het paleis bij de tempel, voor de stadsmuur en voor zijn eigen huis (Nehemia 2:8). In 1 Kronieken 26:1 heet bovendien een Korahiet "van de kinderen van Asaf"; veel uitleggers zien daarin Ebjasaf (1 Kronieken 9:19), een andere Leviet.

Historische context

Asaf leefde in de tijd van David, rond 1000 voor Christus. Hij was een Leviet. De geslachtslijst in 1 Kronieken 6 voert hem via Berechja en Simea terug op Gerson, de zoon van Levi (1 Kronieken 6:39-43). Zo vertegenwoordigden de drie zangmeesters samen de drie Levietische geslachten: Heman stamde van Kahath (1 Kronieken 6:33), Asaf van Gerson en Ethan van Merari (1 Kronieken 6:44). Bij de dienst stond Asaf aan de rechterzijde van Heman (1 Kronieken 6:39). De achtergrond is de overbrenging van de ark. David bracht haar met gejuich naar Jeruzalem (2 Samuël 6:15) en zette haar in een tent die hij voor haar gespannen had (1 Kronieken 16:1). De tabernakel met het brandofferaltaar bleef intussen op de hoogte te Gibeon. David verdeelde de zangers over beide plaatsen: Asaf en zijn broeders bleven in Jeruzalem, "om geduriglijk te dienen voor de ark" (1 Kronieken 16:37), terwijl Heman en Jeduthun bij de priester Zadok in Gibeon dienden (1 Kronieken 16:39-41). Hun taak was "om den HEERE, den God Israels, te vermelden, en te loven, en te prijzen" (1 Kronieken 16:4). Later ordende David de dienst voor de toekomstige tempel. De zangers waren met hun broeders "tweehonderd acht en tachtig" (1 Kronieken 25:7), verdeeld in vierentwintig groepen die bij lot hun beurt kregen: "Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef" (1 Kronieken 25:9). Bij de inwijding van de tempel van Salomo stonden de Levieten die zangers waren, "van Asaf, van Heman, van Jeduthun", in fijn linnen bij het altaar (2 Kronieken 5:12). Zijn naam bleef verbonden aan een geslacht van tempelzangers. Onder koning Josafat sprak de Geest des HEEREN door Jahaziël, "uit de zonen van Asaf" (2 Kronieken 20:14). Onder Hiskia hielpen kinderen van Asaf bij de reiniging van de tempel (2 Kronieken 29:13), en bij het pascha van Josia stonden zij op hun standplaats (2 Kronieken 35:15). Na de ballingschap keerden er honderdachtentwintig zangers uit de kinderen van Asaf terug (Ezra 2:41; Nehemia 7:44 noemt er honderdachtenveertig), en zij zongen toen de grondslag van de tempel werd gelegd (Ezra 3:10). Nehemia keek terug op "de dagen van David en Asaf, van ouds" (Nehemia 12:46).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Trouw in een vaste dienst: hij bleef dag aan dag bij de ark dienen (1 Kronieken 16:37)
  • Leider en leraar: zijn zonen dienden aan zijn hand (1 Kronieken 25:2)
  • Eerlijk tegenover God over twijfel en jaloezie (Psalm 73:2-3)
  • Geestelijk inzicht: de Schrift noemt hem een ziener (2 Kronieken 29:30)

−Zwakke kanten

  • Volgens zijn eigen psalm was hij "nijdig op de dwazen", toen hij de vrede van de goddelozen zag (Psalm 73:3)
  • Hij belijdt dat hij in zijn verbittering onvernuftig was en niets wist (Psalm 73:21-22)

Theologische betekenis

In de geschiedenis van Asaf worden zang en profetie in één adem genoemd. De zangers werden afgezonderd om "met harpen, met luiten en met cimbalen" te profeteren (1 Kronieken 25:1), en 2 Kronieken 29:30 noemt Asaf zelf "den ziener" (2 Kronieken 29:30). Ook de ordening van de dienst was geen menselijke vondst: het gebod daarvoor "was van de hand des HEEREN, door de hand Zijner profeten" (2 Kronieken 29:25). Lofzang in de eredienst is daarmee een gave en opdracht van God, geen versiering. Zijn psalmen bestrijken een groot deel van het geloofsleven. In Psalm 50 treedt God op als rechter van Zijn eigen volk. Hij heeft geen offerdieren nodig, want "Mijn is de wereld en haar volheid" (Psalm 50:12), maar vraagt: "Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften" (Psalm 50:14). Dezelfde gedachte klinkt in Hebreeën 13:15, waar de lof van de lippen een offerande heet. Psalm 73 behandelt de vraag waarom het de goddelozen goed gaat en de vromen niet. Het antwoord komt niet uit redeneren, want dat "was moeite in mijn ogen", maar uit het heiligdom (Psalm 73:16-17). Daar ziet de dichter het einde van de goddelozen en vooral de nabijheid van God, die hem vasthoudt en leidt. In de gereformeerde traditie is deze psalm daarom een geliefde troostpsalm. Andere psalmen van Asaf zijn klaagliederen van de gemeenschap. Psalm 74 en 79 beschrijven een verwoeste tempel en een Jeruzalem in puin; omdat dat ver na David ligt, denken veel uitleggers dat deze psalmen door latere zangers uit het geslacht van Asaf zijn geschreven, anderen lezen ze als profetisch. Psalm 78 vertelt de geschiedenis van Israël om haar door te geven aan de kinderen en eindigt bij de verkiezing van David (Psalm 78:70). Het Nieuwe Testament neemt twee van zijn psalmen op. Mattheüs ziet het spreken van Jezus in gelijkenissen als vervulling van Psalm 78:2, "wat gesproken is door den profeet" (Mattheüs 13:35). En Jezus zelf haalt Psalm 82:6 aan: "Ik heb gezegd, gij zijt goden" (Johannes 10:34).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Asaf (אָסָף, Hebreeuws)

Betekenis

Waarschijnlijk verzamelaar

Sleutelmomenten

1

Aangesteld als zanger

Op bevel van David stellen de oversten van de Levieten zangers aan voor het overbrengen van de ark: Heman, Asaf, de zoon van Berechja, en Ethan. Zij laten zich horen met koperen cimbalen.

1 Kronieken 15:16-19

2

Hoofd van de lofdienst voor de ark

Als de ark in de tent te Jeruzalem staat, stelt David Levieten aan om de HEERE te loven. Asaf is het hoofd en laat zich horen met cimbalen. Op die dag geeft David een psalm door de dienst van Asaf en zijn broeders.

1 Kronieken 16:4-7

3

Zijn zonen aan zijn hand

David scheidt de kinderen van Asaf, Heman en Jeduthun af om met harpen, luiten en cimbalen te profeteren. De zonen van Asaf staan aan zijn hand, en Asaf profeteert aan de hand van de koning.

1 Kronieken 25:1-2

4

De worsteling van Psalm 73

In de psalm die zijn naam draagt, belijdt Asaf dat zijn voeten bijna uitgleden toen hij de voorspoed van de goddelozen zag. Pas in Gods heiligdom ziet hij hun einde, en hij eindigt met: "het is mij goed nabij God te wezen".

Psalm 73:1-28

5

Bij de inwijding van de tempel

De zangers van Asaf, Heman en Jeduthun staan in fijn linnen bij het altaar. Als zij eenparig de HEERE prijzen, wordt het huis met een wolk vervuld.

2 Kronieken 5:12-13

6

De woorden van Asaf, de ziener

Na de reiniging van de tempel laten koning Hiskia en de oversten de Levieten de HEERE loven met de woorden van David en van Asaf. Asaf heet daar "den ziener".

2 Kronieken 29:30

7

Op hun standplaats bij het pascha

Bij het grote pascha van koning Josia staan de zangers, de zonen van Asaf, op hun standplaats, naar het gebod van David, Asaf, Heman en Jeduthun.

2 Kronieken 35:15

8

Zingen bij de nieuwe grondslag

Na de terugkeer uit Babel leggen de bouwlieden de grondslag van de tempel. De Levieten, de zonen van Asaf, loven de HEERE met cimbalen, naar de instelling van David.

Ezra 3:10

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Asaf beter te begrijpen.

1 Kronieken 16:7

“Te dienzelven dage gaf David ten eerste dezen psalm, om den HEERE te loven, door den dienst van Asaf, en zijn broederen.”

Op de dag dat de ark in Jeruzalem aankwam, legde David de lofzang in handen van Asaf. Het loflied dat volgt, komt grotendeels terug in Psalm 105, 96 en 106.

1 Kronieken 25:2

“Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde.”

Asaf leidde zijn zonen in de dienst, terwijl hij zelf onder het gezag van de koning stond. Zang heet hier profeteren.

2 Kronieken 29:30

“Daarna zeide de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.”

Bijna drie eeuwen na David zong men nog de woorden van Asaf. Hier heet hij een ziener, een oude naam voor een profeet.

Psalm 50:1

“Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.”

Het opschrift is in de SV-telling vers 1. Psalm 50 is de eerste psalm met de naam van Asaf en staat los van de reeks 73 tot en met 83.

Psalm 50:23

“Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.”

Het slot van Psalm 50 vat samen wat God vraagt: dank in plaats van uiterlijke offerdienst, en een leven dat daarbij past.

Psalm 73:1

“Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.”

De psalm begint met de belijdenis waar de dichter na zijn worsteling op uitkomt. Wat volgt, is het verslag van hoe hij die zekerheid bijna kwijtraakte.

Psalm 73:25-26

“Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.”

Het bekendste woord van Asaf. Na de jaloezie op de goddelozen blijft alleen God over als zijn deel, ook als lichaam en hart bezwijken.

Psalm 78:2

“Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;”

Mattheüs 13:35 ziet in dit vers een vooruitwijzing naar het onderwijs van Jezus in gelijkenissen en noemt de spreker een profeet.

Tijdperiode

~1000 v.Chr.

Asaf leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Asaf kreeg een vaste plaats voor de ark, "naardat op elken dag besteld was" (1 Kronieken 16:37). Zijn werk was een dagelijkse, geregelde dienst, geen opvallende daad. De Schrift rekent die trouwe, gewone dienst tot de dingen die God gebruikt. Dat geldt ook voor ons: voor wie zingt, speelt of op een andere manier de gemeente dient, is volharding belangrijker dan opvallen. Psalm 73 leert ons dat twijfel en jaloezie bij een gelovige kunnen opkomen, en dat wij ze eerlijk voor God mogen uitspreken. Asaf vond het antwoord niet door langer na te denken, maar door in Gods heiligdommen in te gaan. Wie vastloopt op het onrecht in de wereld, doet er goed aan niet alleen te piekeren, maar zich te voegen bij de eredienst, bij het Woord en het gebed van de gemeente. Psalm 78 wil dat de daden van God niet verborgen blijven "voor het navolgende geslacht" (Psalm 78:4). Het geslacht van Asaf zong nog in de tempel toen hij al eeuwen gestorven was, ook na de ballingschap. Dat bemoedigt ons om het geloof doelbewust door te geven aan kinderen en kleinkinderen, ook als wij de vrucht ervan zelf niet zien. Ten slotte vraagt Psalm 50 om dank als offer. Lofprijzing is geen bijkomstigheid, maar een antwoord op wie God is. Dat maakt ook ons zingen op zondag tot een daad van geloof en eerbied.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Asaf

Wie was Asaf in de Bijbel?
Asaf was een Leviet uit het geslacht van Gerson, door koning David aangesteld als hoofd van de zangers voor de ark in Jeruzalem (1 Kronieken 16:4-5). Hij speelde de cimbalen, leidde zijn zonen in de tempelmuziek en wordt in 2 Kronieken 29:30 een ziener genoemd. Twaalf psalmen dragen zijn naam: Psalm 50 en Psalm 73 tot en met 83. Zijn nakomelingen, de kinderen van Asaf, bleven eeuwenlang tempelzangers.
Wat betekent de naam Asaf?
De naam Asaf komt waarschijnlijk van het Hebreeuwse werkwoord voor verzamelen en betekent dan zoiets als verzamelaar. Sommige uitleggers zien er een verkorte naam in met de betekenis (God) heeft verzameld, waarbij de godsnaam is weggevallen. De Bijbel legt de naam zelf niet uit, dus de betekenis blijft een taalkundige afleiding. In oudere en Engelstalige literatuur wordt de naam als Asaph gespeld; de Statenvertaling schrijft Asaf.
Waar staat Asaf in de Bijbel?
Asaf staat vooral in 1 Kronieken 6, 15, 16 en 25, waar zijn afkomst en zijn aanstelling als zangmeester worden beschreven. 2 Kronieken 5, 29 en 35 noemen hem en zijn zonen bij de inwijding van de tempel, onder Hiskia en bij het pascha van Josia. Zijn naam staat in het opschrift van Psalm 50 en Psalm 73 tot en met 83. Na de ballingschap komen de kinderen van Asaf terug in Ezra en Nehemia.
Welke psalmen schreef Asaf?
Twaalf psalmen dragen de naam van Asaf in het opschrift: Psalm 50 en Psalm 73 tot en met 83. In de Statenvertaling is het opschrift vers 1, bijvoorbeeld "Een psalm van Asaf." in Psalm 50:1 en Psalm 73:1. Bij Psalm 74 en 75 staat "voor Asaf". Omdat Psalm 74 en 79 de verwoesting van de tempel beschrijven, denken veel uitleggers dat sommige van deze psalmen door latere zangers uit het geslacht van Asaf zijn geschreven.
Waar gaat Psalm 73 van Asaf over?
Psalm 73 gaat over de vraag waarom het goddeloze mensen goed gaat terwijl de vrome lijdt. De dichter belijdt dat zijn voeten bijna uitgleden, omdat hij "nijdig op de dwazen" was (Psalm 73:3). Pas toen hij in Gods heiligdommen inging, zag hij hun einde (Psalm 73:17). De psalm eindigt met vertrouwen: "het is mij goed nabij God te wezen" (Psalm 73:28).
Was Asaf een profeet?
De Bijbel noemt Asaf geen profeet in de zin van Jesaja of Jeremia, maar wel "den ziener" (2 Kronieken 29:30), een oude benaming voor iemand die van God ontvangt wat hij doorgeeft. Volgens 1 Kronieken 25:2 profeteerde hij aan de hand van de koning, en zijn zonen profeteerden met harpen, luiten en cimbalen. In Mattheüs 13:35 heet Psalm 78, een psalm van Asaf, gesproken "door den profeet".
Wie waren de kinderen van Asaf?
De kinderen van Asaf waren zijn zonen en hun nakomelingen, die als tempelzangers dienden. 1 Kronieken 25:2 noemt Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela. Uit dit geslacht kwam Jahaziël, die onder koning Josafat profeteerde (2 Kronieken 20:14). Na de ballingschap keerden 128 zangers uit de kinderen van Asaf terug (Ezra 2:41), en zij zongen bij de grondlegging van de nieuwe tempel (Ezra 3:10).
Wat is het verschil tussen Asaf, Heman en Jeduthun?
Asaf, Heman en Jeduthun waren de drie zangmeesters van David, elk met een eigen familie van zangers (1 Kronieken 25:1). Heman stamde van Kahath, Asaf van Gerson en Ethan van Merari (1 Kronieken 6:33-44); veel uitleggers zien Ethan en Jeduthun als dezelfde persoon. Asaf diende bij de ark in Jeruzalem, Heman en Jeduthun bij de tabernakel in Gibeon (1 Kronieken 16:37-41).
Is Asaf de zanger dezelfde als Asaf, de vader van Joah?
Nee. De Bijbel kent meer mannen met de naam Asaf. Joah, "de zoon van Asaf, de kanselier", was een hoveling van koning Hiskia (2 Koningen 18:18). Hij leefde bijna drie eeuwen na David, dus zijn vader is niet de zangmeester. In Nehemia 2:8 noemt Nehemia ook een Asaf, "den bewaarder van den lusthof" van de Perzische koning, die hout moest leveren voor Jeruzalem.
Zijn de psalmen van Asaf boetepsalmen?
Nee. De zeven boetepsalmen die de kerk traditioneel onderscheidt, zijn Psalm 6, 32, 38, 51, 102, 130 en 143, en geen daarvan draagt de naam van Asaf. De psalmen van Asaf zijn wel vaak ernstig: Psalm 50 roept het volk tot rekenschap, Psalm 74 en 79 klagen over de verwoesting van Jeruzalem, en Psalm 80 bidt "O God! breng ons weder" (Psalm 80:4).
Hoe komt Asaf terug in het Nieuwe Testament?
De naam Asaf staat niet in het Nieuwe Testament, maar twee van zijn psalmen worden geciteerd. Mattheüs ziet de gelijkenissen van Jezus als vervulling van Psalm 78:2 en citeert: "Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen" (Mattheüs 13:35). In Johannes 10:34 haalt Jezus Psalm 82:6 aan: "Ik heb gezegd, gij zijt goden". De gedachte van dank als offer uit Psalm 50:14 klinkt door in Hebreeën 13:15.
Wat kunnen wij leren van Asaf?
Asaf leert ons trouw te zijn in een vaste, vaak onopvallende dienst, zoals hij die dag aan dag voor de ark verrichtte. Psalm 73 laat zien dat wij twijfel en jaloezie eerlijk voor God mogen brengen en het antwoord zoeken in Zijn nabijheid. En zijn nakomelingen, die eeuwen later nog zongen, bemoedigen ons om het geloof door te geven aan het volgende geslacht.

Stel een vraag over Asaf

Wilt u meer weten over Asaf? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Asaf

Bijbelverhalen rond Asaf

Verdiep u verder