De tien melaatsen
Tien worden gereinigd, één keert terug om God te danken
Samenvatting
De tien melaatsen is de geschiedenis uit Lukas 17:11-19 van tien melaatse mannen die de Heere Jezus op Zijn reis naar Jeruzalem van verre om ontferming toeroepen. Jezus stuurt hen naar de priesters, en terwijl zij gaan, worden zij rein. Eén van hen keert terug, verheerlijkt God met luider stem en valt Jezus dankend aan de voeten. Hij is een Samaritaan. Tegen hem zegt Jezus dat zijn geloof hem behouden heeft.
Bijbelgedeelte
“En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!”
“En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.”
“En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.”
“En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?”
“En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?”
“En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.”
Het verhaal
Lukas 17:11-19 vertelt hoe de Heere Jezus tien melaatse mannen reinigde, en hoe er maar één terugkwam om God te verheerlijken. Alleen Lukas beschrijft deze geschiedenis. Zij staat in het lange reisverslag van zijn evangelie: vanaf Lukas 9:51 is Jezus op weg naar Jeruzalem, waar Hij zal lijden en sterven.
Wat riepen de tien melaatsen naar Jezus?
Lukas schrijft dat Jezus op Zijn reis naar Jeruzalem door het midden van Samaria en Galilea ging (Lukas 17:11). Toen Hij een vlek binnenging, een dorp, ontmoetten tien melaatse mannen Hem. De naam van het dorp noemt Lukas niet. De mannen bleven op afstand staan. Daar had de wet van Mozes een reden voor: een melaatse moest alleen wonen, buiten het leger, en anderen waarschuwen dat hij onrein was (Leviticus 13:45-46).
Van verre verhieven zij hun stem. Zij riepen: "Jezus, Meester! ontferm U onzer" (Lukas 17:13). Zij vroegen niet om iets wat zij verdiend hadden. Zij vroegen om ontferming, om barmhartigheid van Iemand Die hen kon helpen. Wat zij van Jezus gehoord hadden, vertelt Lukas niet. Wel dat zij Hem bij Zijn naam riepen.
Waarom stuurde Jezus de tien melaatsen naar de priesters?
Jezus zag hen. Hij raakte hen niet aan en sprak geen woord over hun genezing. Hij gaf een opdracht: "Gaat heen en vertoont uzelven den priesters" (Lukas 17:14). Volgens de wet moest een melaatse die genezen was, zich aan de priester laten zien. De priester onderzocht hem, liet de twee vogels voor zijn reiniging brengen en verklaarde hem rein (Leviticus 14:2-8). Pas daarna mocht hij weer onder het volk wonen.
Opvallend is dat de mannen nog melaats waren toen zij vertrokken. Op het woord van Jezus gingen zij op weg naar de priesters, terwijl er nog niets te zien was. Lukas schrijft: "En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden" (Lukas 17:14). Onderweg verdween de melaatsheid. Eerder had Jezus een melaatse in een van de steden aangeraakt en hem gereinigd; ook die stuurde Hij daarna naar de priester (Lukas 5:12-14). Hier werkte alleen Zijn woord, op afstand.
Waarom keerde de Samaritaan terug naar Jezus?
Een van de tien zag dat hij genezen was. Hij keerde om, "met grote stemme God verheerlijkende" (Lukas 17:15). Met dezelfde stem waarmee hij van verre om ontferming had geroepen, prees hij nu God. En hij bleef niet meer op afstand. Hij viel op zijn aangezicht aan de voeten van Jezus en dankte Hem. Dan voegt Lukas er één korte zin aan toe: "en dezelve was een Samaritaan" (Lukas 17:16).
Joden en Samaritanen hadden in die tijd geen omgang met elkaar (Johannes 4:9). De melaatsheid had deze mannen samen buiten de samenleving gezet, en zo waren zij samen opgetrokken. Nu waren zij rein, en alleen de Samaritaan kwam terug. Lukas zegt niet waarom de anderen wegbleven. Hij zegt wel waarom deze ene terugkwam: hij zag dat hij genezen was, en hij gaf God de eer.
Wat vroeg Jezus over de negen andere melaatsen?
Jezus antwoordde met vragen: "Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen"? (Lukas 17:17). En Hij vroeg of er dan niemand gevonden was die terugkwam om Gode eer te geven, behalve deze vreemdeling (Lukas 17:18). Alle tien waren gereinigd; dat staat vast. Maar slechts één kwam terug, en dat was juist de man die niet uit Israël kwam. Jezus noemt dat terugkomen: God eer geven. De dank aan Jezus en de eer aan God vallen hier samen.
Waar de negen bleven, zegt de tekst niet. Misschien waren zij al bij de priesters, zoals Jezus hun had opgedragen. Jezus zoekt geen verklaring voor hen. Zijn vraag laat zien dat Hij het ziet wanneer Gods weldaden ontvangen worden zonder dat God de eer krijgt.
Wat zei Jezus tegen de melaatse die terugkwam?
Tot slot sprak Jezus de Samaritaan zelf aan: "Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden" (Lukas 17:19). Hij mocht opstaan en zijn weg gaan. Wat er daarna met hem gebeurde, vertelt Lukas niet. De laatste woorden van de geschiedenis zijn die van Jezus, en ze gaan over het geloof van deze man. Dezelfde woorden sprak Jezus eerder tegen de vrouw die Zijn voeten zalfde, direct nadat Hij gezegd had dat haar zonden vergeven waren (Lukas 7:48-50).
Achtergrond
Melaatsheid is in de Bijbel een verzamelnaam. Leviticus 13 beschrijft verschillende plekken en uitslag op de huid die de priester moest beoordelen, en noemt de plaag der melaatsheid zelfs bij kleding en bij huizen (Leviticus 13:47; 14:34). Het ging dus waarschijnlijk om meer dan de ziekte die nu lepra heet. Wie melaats was, was onrein. Hij droeg gescheurde kleren, bedekte zijn bovenlip, riep anderen toe dat hij onrein was en woonde buiten het leger (Leviticus 13:45-46; Numeri 5:2). Melaatsheid betekende zo ook: leven buiten de gemeenschap van Israël, gescheiden van huis en familie.
Een melaatse die genezen was, liet zich zien aan de priester. Die ging naar hem toe, onderzocht hem en liet de reinigingsoffers brengen (Leviticus 14:2-10). Daarmee werd openlijk vastgesteld dat de man weer rein was. Of de Samaritaan ook eerst naar een priester ging, zegt de tekst niet.
De reis liep "door het midden van Samaria en Galilea" (Lukas 17:11). Veel uitleggers denken aan het grensgebied tussen beide streken. Daar is een gemengde groep van Joden en een Samaritaan goed voor te stellen. Samaria lag tussen Galilea en Judea. Nadat de koning van Assyrië Samaria had ingenomen, liet hij volk uit andere landen in de steden van Samaria wonen (2 Koningen 17:6, 24). De Samaritanen aanbaden op hun eigen berg en niet in Jeruzalem (Johannes 4:20). Aan het begin van deze reis weigerde een vlek van de Samaritanen Jezus te ontvangen, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem (Lukas 9:52-53).
Betekenis
Deze geschiedenis laat in de eerste plaats zien Wie Jezus is. Melaatsheid was zo ernstig dat genezing gold als een werk van God alleen. Toen de koning van Israël de brief over Naäman las, riep hij: "Ben ik dan God, om te doden en levend te maken" (2 Koningen 5:7)? Jezus reinigt met een woord, op afstand, tien mannen tegelijk. Toen Johannes de Doper liet vragen of Hij Degene was Die komen zou, noemde Jezus onder de tekenen: "de melaatsen worden gereinigd" (Mattheüs 11:5).
Ook Gods ontferming staat centraal. De tien riepen om ontferming en kregen allen wat zij vroegen. Jezus stelde vooraf geen voorwaarde en maakte geen onderscheid tussen Jood en Samaritaan. Maar de geschiedenis eindigt niet bij de genezing. Zij eindigt bij de vraag van Jezus naar de negen. Paulus noemt het een kern van de ongerechtigheid van de mensen dat zij God kenden en "Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt" (Romeinen 1:21). Waar God geeft en de mens niet terugkeert, ontbreekt wat God toekomt.
Dat de dankbare een Samaritaan was, past in de lijn van het evangelie naar Lukas. In de synagoge van Nazareth wees Jezus erop dat er in de tijd van Elisa vele melaatsen in Israël waren, maar dat geen van hen gereinigd werd "dan Naaman, de Syrier" (Lukas 4:27). Ook Naäman keerde na zijn genezing terug naar de man Gods en beleed de God van Israël (2 Koningen 5:15). In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is het ook een Samaritaan die doet wat de wet bedoelt (Lukas 10:33-37). Later belooft Jezus dat Zijn getuigen ook in Samaria zullen zijn, en zo gebeurt het (Handelingen 1:8; 8:25).
Ten slotte de woorden "uw geloof heeft u behouden" (Lukas 17:19). Alle tien werden gereinigd, maar alleen tegen deze ene zegt Jezus dit. Behouden betekent gered of heel gemaakt. Uitleggers verschillen over de vraag of Jezus hier meer bedoelt dan de lichamelijke genezing. Veel uitleggers zien er ook het heil in, omdat Jezus dezelfde woorden spreekt tegen de zondares die vergeving ontving (Lukas 7:50). Anderen houden het bij de genezing en wijzen op de vrouw die van haar vloed genas (Lukas 8:48). Hoe men het ook leest: het geloof is hier geen prestatie. Het riep om ontferming, gehoorzaamde het woord van Jezus en keerde terug om God de eer te geven.
Lessen voor vandaag
De Heere Jezus hoort wie om ontferming roept. De tien melaatsen hadden niets aan te bieden; zij konden alleen van verre roepen. Zo mogen ook wij tot Hem komen. Van mensen in nood zegt de psalm: "Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten" (Psalm 107:19).
God geeft ook aan wie niet dankt. Negen ontvingen hun gezondheid en gingen verder. Dat zegt veel over de goedheid van God, en het houdt ons een spiegel voor. Gezondheid, brood, werk en de oogst nemen wij gemakkelijk aan zonder naar de Gever terug te gaan. Dankbaarheid is in de Bijbel geen beleefdheid, maar God de eer geven die Hem toekomt: "Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden" (Psalm 103:2). Daarom past deze geschiedenis bij dankdag.
Gods genade kijkt niet naar afkomst. Jezus ontfermde Zich over Joden en een Samaritaan samen, en juist de vreemdeling kwam terug. Wie meent dat hij vanzelf bij God hoort, wordt door deze geschiedenis stilgezet. Wie zich een buitenstaander voelt, mag weten dat de Heere ook naar hem omziet.
De dank brengt ons bij Jezus Zelf. De Samaritaan keerde niet alleen om; hij viel aan Jezus’ voeten en hoorde daar het woord dat hem behield. Wie God dankt voor wat Hij gaf, mag komen tot Hem van Wie de gave komt.
Vertellen aan kinderen
Voorlezen duurt ongeveer 4 minuten · geschikt vanaf 6 jaar
De Heere Jezus was op reis naar Jeruzalem. Hij trok door de streken Samaria en Galilea. Zo kwam Hij bij een dorp.
Bij dat dorp waren tien mannen. Ze waren melaats. Melaats zijn betekent dat je een ernstige ziekte aan je huid hebt. In de wet van Mozes had God gezegd wat een melaatse moest doen. Hij mocht niet tussen de andere mensen wonen. Hij moest apart blijven, buiten de plaats waar Gods volk woonde. En als er iemand aankwam, moest hij roepen dat hij onrein was. Onrein betekent hier: je mag niet bij Gods volk komen, zolang de ziekte er is. Zo leefden deze tien mannen, apart van iedereen.
De tien mannen ontmoetten de Heere Jezus. Maar ze kwamen niet dichtbij. Ze bleven op een afstand staan, zoals de wet het zei. Toen riepen ze met luide stem: "Jezus, Meester! ontferm U onzer"! Ontfermen betekent: medelijden hebben en helpen. Ze vroegen Jezus om hen te helpen.
Jezus zag hen staan. Hij zei tegen hen: "Gaat heen en vertoont uzelven den priesters". De priesters waren de mannen die in Gods huis dienden. Volgens de wet van Mozes moest een melaatse die beter was geworden, naar de priester gaan. De priester keek dan goed of de ziekte echt weg was. Was dat zo, dan mocht hij weer bij Gods volk wonen.
Maar de mannen waren nog niet beter. Ze waren nog steeds melaats. Toch gingen ze op weg, omdat Jezus het gezegd had. En terwijl ze onderweg waren, gebeurde het. Ze werden rein. De ziekte was weg. Alle tien waren ze genezen.
Een van de tien zag dat hij genezen was. Toen keerde hij om. Hij ging terug naar Jezus. Met luide stem prees hij God. Eerst had hij van ver geroepen om hulp. Nu riep hij om God te eren.
Hij bleef nu niet meer op afstand. Hij viel op de grond, met zijn gezicht naar beneden, voor de voeten van Jezus. En hij dankte Hem. Deze man was een Samaritaan. Samaritanen waren geen Joden. Op een andere plaats vertelt de Bijbel dat Joden en Samaritanen in die tijd niet met elkaar omgingen.
Toen zei Jezus: "Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen"? Jezus had tien mannen rein gemaakt. Maar er kwam er maar één terug. Jezus vroeg of er niemand anders was die terugkwam om God de eer te geven. Alleen deze vreemdeling, de man die niet bij het volk Israël hoorde.
Waar waren de negen andere mannen? De Bijbel vertelt het niet. Ze waren rein geworden, net als de Samaritaan. Maar ze kwamen niet terug om God te danken.
Toen zei Jezus tegen de man die voor Hem op de grond lag: "Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden". Behouden is een oud woord voor gered. De man had op Jezus vertrouwd, en Jezus had hem gered.
Zo eindigt deze geschiedenis. Tien mannen werden rein door het woord van de Heere Jezus. Eén kwam terug om God te danken. De Heere Jezus ontfermt Zich over wie tot Hem roept. En Hij ziet wie terugkomt om God de eer te geven.
“En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.” (Lukas 17:15)
Tips voor de verteller
- Leg eerst kort uit wat melaatsheid in de Bijbel was: een ernstige ziekte aan de huid die iemand onrein maakte. Wat de Bijbel benadrukt, is dat de zieke onrein was en apart moest leven. Beschrijf geen wonden of misvormingen; de tekst doet dat ook niet. Voor kinderen van 4-7 jaar is genoeg: ze waren ziek en mochten niet bij de andere mensen wonen.
- Een kind vraagt misschien of de negen weer ziek werden, of dat God boos op hen was. Zeg eerlijk dat de Bijbel dat niet vertelt. Wel staat vast dat alle tien echt gereinigd werden; Jezus zegt dat Zelf (Lukas 17:17). En Hij vraagt waar de negen zijn. Daaruit blijkt dat Hij het ziet wanneer niemand God de eer geeft voor wat Hij gaf.
- Leg uit wie de Samaritanen waren: geen Joden, en Joden en Samaritanen gingen niet met elkaar om (Johannes 4:9). Dan begrijpen kinderen waarom Jezus deze man een vreemdeling noemt. Kennen de kinderen de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan al, dan kunt u die verbinding leggen.
- Lukas 17:11-19 is kort genoeg om na de vertelling uit de Bijbel zelf voor te lezen. Laat de kinderen letten op de twee keer dat er met luide stem geroepen wordt: eerst om ontferming, daarna tot eer van God. Rond dankdag past deze geschiedenis goed; houd het zwaartepunt bij Jezus Die reinigt, niet bij netjes bedankt zeggen.
Gespreksvragen voor kinderwerk en club
Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
- NavertellenWat riepen de tien zieke mannen naar Jezus?
- NavertellenWat gebeurde er met de mannen toen ze onderweg waren?
- VerwonderenWat vind jij bijzonder aan hoe Jezus de mannen beter maakte?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
- KijkenDe tien mannen waren nog melaats toen ze naar de priesters gingen. Wanneer werden ze rein?
- BetekenisDe Samaritaan bedankte Jezus, maar Jezus zegt dat hij terugkwam om God eer te geven. Hoe kan dat?
- VerbindingNaäman werd ook genezen van melaatsheid en ging terug naar Elisa (2 Koningen 5:15). Wat is hetzelfde als bij de Samaritaan?
- ToepassingWat heeft God jou gegeven waarvoor jij Hem wilt danken?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
- BijbeltekstLees Leviticus 13:45-46. Wat betekende het voor de tien mannen om melaats te zijn, en wat veranderde er voor hen toen ze rein werden?
- Wie is God?Alle tien werden gereinigd, ook de negen die niet terugkwamen. Wat zegt dat over de goedheid van God?
- Moeilijke vraagAlle tien werden genezen, maar alleen tegen de Samaritaan zegt Jezus: "uw geloof heeft u behouden". Wat bedoelt Jezus volgens jou met behouden, en waarom zegt Hij dat alleen tegen hem?
- PersoonlijkDe Samaritaan ging terug naar Jezus om God de eer te geven. Hoe en waar kun jij God de eer geven voor wat Hij jou geeft?
Gebedspunt: Dank de Heere voor Zijn weldaden, voor gezondheid, brood en oogst, en vooral voor de Heere Jezus Die Zich ontfermt over wie tot Hem roept. Bid om een hart dat terugkeert om God de eer te geven.
Personen in dit verhaal
Plaatsen in dit verhaal
Lees het in een leesplan
Thema's in dit verhaal
Gerelateerde bijbelverhalen
Veelgestelde vragen over De tien melaatsen
Waar staat het verhaal van de tien melaatsen in de Bijbel?
Het verhaal van de tien melaatsen staat in Lukas 17:11-19. Alleen Lukas vertelt deze geschiedenis; Mattheüs, Markus en Johannes hebben haar niet. Het gebeurt tijdens de reis van Jezus naar Jeruzalem, die in Lukas 9:51 begint, bij een dorp op de weg "door het midden van Samaria en Galilea" (Lukas 17:11). Een eerdere reiniging van één melaatse staat in Lukas 5:12-14, en ook in Mattheüs 8:1-4 en Markus 1:40-45.
Hoeveel van de tien melaatsen kwamen terug om te danken?
Eén. Lukas schrijft: "En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende" (Lukas 17:15). Hij viel voor de voeten van Jezus neer en dankte Hem, en hij was een Samaritaan (Lukas 17:16). De andere negen kwamen niet terug. Daarom vroeg Jezus: "Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen"? (Lukas 17:17).
Werden de negen andere melaatsen ook genezen?
Ja. Soms wordt gedacht dat alleen de man die terugkwam echt genezen werd, maar de tekst zegt het anders. Terwijl zij heengingen, werden zij allen gereinigd (Lukas 17:14). Jezus bevestigt het Zelf: "Zijn niet de tien gereinigd geworden"? (Lukas 17:17). Het verschil zit niet in de genezing, maar in wat daarna gebeurde. Eén kwam terug om God de eer te geven, en alleen tegen hem zei Jezus: "uw geloof heeft u behouden" (Lukas 17:19).
Waarom kwamen de negen melaatsen niet terug?
Dat zegt de Bijbel niet. Uitleggers noemen mogelijkheden: zij gingen eerst naar de priesters, zoals Jezus hun had opgedragen, of zij wilden zo snel mogelijk terug naar huis. Dat zijn gedachten, geen tekst. Jezus Zelf geeft geen verontschuldiging. Hij vraagt waar de negen zijn en of er niemand gevonden is die wederkeert "om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling" (Lukas 17:18). Het gaat Hem om de eer van God, niet om een beleefd bedankje.
Wat is melaatsheid in de Bijbel?
Melaatsheid is in de Bijbel een verzamelnaam voor ernstige aandoeningen van de huid, die de priester volgens Leviticus 13 moest beoordelen. Dezelfde naam wordt ook gebruikt voor plekken in kleding en in huizen (Leviticus 13:47; 14:34). Het ging dus waarschijnlijk om meer dan de ziekte die nu lepra heet. Een melaatse was onrein. Hij droeg gescheurde kleren, riep "Onrein, onrein" en woonde alleen, buiten het leger (Leviticus 13:45-46).
Waarom stonden de tien melaatsen van verre?
Omdat de wet dat van hen vroeg. Een melaatse moest alleen wonen en anderen waarschuwen dat hij onrein was (Leviticus 13:45-46). Lukas schrijft dat de tien Jezus ontmoetten en "stonden van verre" (Lukas 17:12). Daarom verhieven zij hun stem: "Jezus, Meester! ontferm U onzer" (Lukas 17:13). De Samaritaan die terugkwam, bleef niet meer op afstand. Rein geworden viel hij aan de voeten van Jezus neer (Lukas 17:16).
Wie waren de Samaritanen?
De Samaritanen woonden in Samaria, het gebied tussen Galilea en Judea. Nadat de koning van Assyrië Samaria had ingenomen, bracht hij volk uit andere landen naar de steden van Samaria (2 Koningen 17:24). De Samaritanen aanbaden op hun eigen berg en niet in Jeruzalem (Johannes 4:20), en de Joden hadden geen omgang met hen (Johannes 4:9). Daarom noemt Jezus de man die terugkwam "deze vreemdeling" (Lukas 17:18).
Wat betekent "uw geloof heeft u behouden"?
Het zijn de laatste woorden van Jezus tegen de Samaritaan (Lukas 17:19). Behouden betekent gered of heel gemaakt. Alle tien werden gereinigd, maar alleen tegen deze man spreekt Jezus over zijn geloof. Uitleggers verschillen over de vraag of Jezus hier meer bedoelt dan de lichamelijke genezing. Veel uitleggers zien er ook het heil in, omdat Jezus dezelfde woorden spreekt tegen de zondares wier zonden vergeven werden (Lukas 7:48-50). Anderen houden het bij de genezing en wijzen op Lukas 8:48.
Wat heeft Naäman met de tien melaatsen te maken?
Jezus noemde Naäman Zelf als voorbeeld. In de synagoge van Nazareth zei Hij dat er vele melaatsen in Israël waren ten tijde van de profeet Elisa, maar dat geen van hen gereinigd werd "dan Naaman, de Syrier" (Lukas 4:27). Naäman was een vreemdeling, net als de Samaritaan. Ook hij keerde na zijn genezing terug naar de man Gods en zei: "Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de ganse aarde, dan in Israël" (2 Koningen 5:15).
Waarom past de geschiedenis van de tien melaatsen bij dankdag?
Omdat zij gaat over God danken voor wat Hij geeft. Op dankdag dankt de gemeente voor gewas en arbeid. De negen ontvingen een grote weldaad en gingen verder; één kwam terug om God te verheerlijken. Jezus noemt dat "Gode eer te geven" (Lukas 17:18). Zo laat deze geschiedenis zien dat danken meer is dan tevredenheid: het is teruggaan naar de Gever. Psalm 103:2 zegt: "Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden".
In welk dorp genas Jezus de tien melaatsen?
Dat zegt de Bijbel niet. Lukas schrijft alleen dat Jezus "in een zeker vlek kwam" (Lukas 17:12). Een vlek is in de Statenvertaling een dorp. Het lag op de route van Jezus naar Jeruzalem, toen Hij "door het midden van Samaria en Galilea ging" (Lukas 17:11). Veel uitleggers denken aan het grensgebied tussen die twee streken. Een bepaald dorp aanwijzen kan op grond van de tekst niet.
Hoe vertelt u het verhaal van de tien melaatsen aan kinderen?
Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar, met gespreksvragen voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar. Leg eerst kort uit wat melaats zijn betekende: ziek zijn en apart moeten wonen. Geef daarna de meeste ruimte aan Jezus: Hij reinigt tien mannen met een woord, en Hij vraagt naar de negen. Laat de geschiedenis eindigen bij Zijn woorden tegen de Samaritaan, en maak er geen les in beleefdheid van.
Stel een vraag over De tien melaatsen
Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.
Feestdagen bij dit verhaal
Verdiep u verder
Alle bijbelverhalen
Bekijk alle 191 bijbelverhalen met uitleg, in bijbelse volgorde.
Bijbelse Personen
Leer meer over de personen in dit verhaal.
Bijbelse Tijdlijn
Plaats dit verhaal in de bijbelse geschiedenis.
Bijbeluitleg
Lees uitleg bij de bijbelhoofdstukken van dit verhaal.
Bijbel Onderwerpen
Verken de thema's die in dit verhaal aan bod komen.
AI BijbelAssistent
Stel uw vragen over bijbelverhalen aan onze AI-assistent.