De maanzieke jongen
Een vader roept Jezus aan om hulp bij zijn ongeloof
Samenvatting
De maanzieke jongen is de geschiedenis uit Markus 9:14-29 en Mattheüs 17:14-21 waarin een vader zijn zoon bij Jezus brengt, nadat de discipelen de geest niet konden uitwerpen. De vader roept met tranen: "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp". Jezus beveelt de geest uit te gaan en richt de jongen op.
Bijbelgedeelte
“En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft.”
“En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.”
“En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.”
“En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.”
Het verhaal
Markus 9:14-29 en Mattheüs 17:14-21 vertellen wat er gebeurde toen de Heere Jezus met Petrus, Jakobus en Johannes van de berg afkwam waar Hij voor hun ogen verheerlijkt was (zie De verheerlijking op de berg). Ook Lukas 9:37-43 vertelt deze geschiedenis.
Wat gebeurde er toen Jezus van de berg kwam?
Beneden stond een grote schare rond de andere discipelen, en enige Schriftgeleerden twistten met hen. Toen de mensen Jezus zagen, liepen zij verbaasd naar Hem toe (Markus 9:14-15). Jezus vroeg waarover zij twistten. Een man uit de schare antwoordde dat hij zijn zoon gebracht had, die een stomme geest had. Waar de geest hem aangreep, scheurde hij hem; de jongen schuimde, knerste met zijn tanden en verdorde (Markus 9:17-18). Mattheüs noemt de jongen maanziek en zegt dat hij vaak in het vuur en in het water viel (Mattheüs 17:15). De discipelen hadden de geest niet kunnen uitwerpen.
Jezus antwoordde: "O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij" (Markus 9:19). Zodra de jongen Jezus zag, wierp de geest hem op de grond, en hij wentelde zich schuimend. Jezus vroeg de vader hoe lang dit al zo was. Van zijn kindsheid af, zei de vader. Vaak had de geest hem in het vuur en in het water geworpen om hem te verderven (Markus 9:20-22).
Wat zei de vader van de maanzieke jongen tegen Jezus?
De vader smeekte of Jezus, als Hij iets kon, met ontferming wilde helpen. Jezus gaf dat "als" terug aan de vader: "Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft" (Markus 9:23). Terstond riep de vader met tranen: "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp" (Markus 9:24).
Hoe genas Jezus de maanzieke jongen?
Toen Jezus zag dat de schare toeliep, bestrafte Hij de onreine geest: "Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem" (Markus 9:25). Roepend en de jongen hevig scheurend ging de geest uit. Het kind lag als dood, zodat velen zeiden dat het gestorven was. Maar Jezus greep hem bij de hand en richtte hem op, en hij stond op (Markus 9:26-27). Lukas zegt dat Jezus de jongen aan zijn vader teruggaf en dat allen verslagen waren over de grootdadigheid Gods (Lukas 9:42-43).
Wat zei Jezus later tegen Zijn discipelen?
Later vroegen de discipelen Jezus alleen waarom zij het niet hadden gekund. Volgens Mattheüs wees Hij op hun ongeloof, sprak Hij over een geloof als een mosterdzaad en zei Hij dat dit geslacht niet uitvaart dan door bidden en vasten (Mattheüs 17:20-21). Ook bij Markus zegt Hij: "Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten" (Markus 9:29). Geslacht betekent hier: soort. Zie ook de uitleg bij Markus 9.
Achtergrond
Het woord maanziek staat in Mattheüs 17:15. Het gaat, net als het Griekse woord in dat vers, terug op de maan, omdat men vroeger dacht dat zulke aanvallen met de maan te maken hadden. De Bijbel zelf legt dat verband niet. Bij deze jongen noemen de evangeliën een geest als oorzaak: Markus spreekt van een stomme en dove geest (Markus 9:25), Mattheüs zegt dat de duivel van hem uitging (Mattheüs 17:18). Sommigen denken bij de beschreven aanvallen aan epilepsie. Dat is een uitleg vanuit onze tijd, geen gegeven van de tekst.
Elders noemt Mattheüs bezetenen en maanzieken naast elkaar (Mattheüs 4:24). De Bijbel stelt dus niet elke ziekte gelijk aan bezetenheid.
Betekenis
Boven op de berg zagen drie discipelen de heerlijkheid van Christus. Aan de voet van de berg zagen allen de macht van de boze en de onmacht van mensen: Schriftgeleerden die twistten, discipelen die niets konden, en een vader met een kind dat al van jongs af gekweld werd. Pas toen Jezus kwam, veranderde er iets. Zijn woord "Brengt hem tot Mij" (Markus 9:19) staat in het midden van deze geschiedenis.
De woorden "alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft" (Markus 9:23) worden soms gelezen alsof een sterk geloof alles kan afdwingen. Maar deze vader had geen sterk geloof. Hij beleed zijn ongelovigheid en vroeg de Heere om juist daar te helpen. Geloof is hier geen prestatie, maar een roepen naar Hem Die alles kan. Jezus zegt elders zelf: "alle dingen zijn mogelijk bij God" (Markus 10:27). Daarom is volgens Mattheüs een geloof als een mosterdzaad genoeg (Mattheüs 17:20). Veel uitleggers merken op dat de kracht niet ligt in de grootte van het geloof, maar in Hem op Wie het geloof ziet.
De onmacht van de discipelen wijst dezelfde kant op. Zij hadden eerder macht over de onreine geesten gekregen (Markus 6:7), maar nu lukte het niet. Jezus wijst op hun ongeloof en op bidden en vasten (Markus 9:29): op afhankelijkheid van God, niet op een gave die zij zelf in handen hadden. Meer over dit onderwerp leest u bij demonen.
Lessen voor vandaag
De Heere Jezus wil dat de nood bij Hem gebracht wordt. Deze vader had al hulp gezocht bij de discipelen, zonder resultaat. Toch zei Jezus: "Brengt hem tot Mij" (Markus 9:19). Wie zelf geen raad weet met een kind, een ziekte of een macht die sterker is dan wij, mag daarmee naar Hem toe gaan, ook als anderen niet konden helpen.
Een zwak geloof is geen reden om weg te blijven. De vader zei niet dat hij genoeg geloofde; hij riep om hulp voor zijn ongelovigheid. Dat gebed mogen wij ook bidden. De Heere wees hem niet af, maar hielp de vader en zijn zoon. Meer over worstelen met geloof leest u bij twijfel.
Wie in Gods dienst staat, kan niets uit zichzelf. De discipelen moesten leren dat wat eerder gelukt was geen bezit was. Dat geldt ook voor ouders, voorgangers en kinderwerkers. Wij zijn aangewezen op gebed, en op Hem Die het werk doet.
Vertellen aan kinderen
Voorlezen duurt ongeveer 4 minuten · geschikt vanaf 8 jaar
De Heere Jezus was met drie van Zijn discipelen op een hoge berg geweest: Petrus, Jakobus en Johannes. Daar hadden ze Zijn heerlijkheid gezien. Nu kwamen ze weer naar beneden.
Beneden stond een grote groep mensen rond de andere discipelen. Er waren ook Schriftgeleerden bij, mannen die de wet van God goed kenden. Ze hadden ruzie met de discipelen. Toen de mensen de Heere Jezus zagen, liepen ze naar Hem toe. De Heere Jezus vroeg waar die ruzie over ging.
Toen kwam er een man naar voren. Hij viel voor de Heere Jezus op zijn knieën. Hij vertelde over zijn zoon, zijn enige zoon. In de jongen was een boze geest, die maakte dat hij niet kon praten. Soms greep de geest hem plotseling. Dan viel de jongen op de grond, kreeg schuim op zijn mond en knarste met zijn tanden. Vaak was hij in het vuur gevallen, of in het water. De vader had zijn zoon al bij de discipelen gebracht. Maar zij konden de boze geest niet uitdrijven.
De Heere Jezus sprak over het ongeloof van de mensen. Toen zei Hij: "Brengt hem tot Mij". Ze brachten de jongen bij Hem. Zodra de jongen de Heere Jezus zag, greep de geest hem weer. Hij viel op de grond en rolde heen en weer.
De Heere Jezus vroeg de vader hoe lang dit al zo was. De vader antwoordde: "Van zijn kindsheid af". Dat betekent: al sinds hij klein was. De vader smeekte of de Heere Jezus medelijden met hen wilde hebben en hen wilde helpen, als Hij iets kon.
De Heere Jezus antwoordde: "Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft". Toen riep de vader meteen, met tranen: "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp". Met die woorden vroeg hij om hulp, ook voor zijn zwakke geloof.
Er kwamen steeds meer mensen aanlopen. Toen sprak de Heere Jezus de boze geest streng toe: "Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem". De geest schreeuwde en schudde de jongen nog één keer hevig heen en weer. Toen ging hij uit hem weg.
De jongen bleef stil liggen. Hij leek wel dood. Veel mensen zeiden dat hij gestorven was. Maar de Heere Jezus pakte hem bij de hand en hielp hem overeind. En de jongen stond op. Hij was genezen. De Heere Jezus gaf hem terug aan zijn vader. Alle mensen stonden versteld van de grote macht van God.
Later vroegen de discipelen aan de Heere Jezus waarom zij de geest niet hadden kunnen uitdrijven. De Heere Jezus zei dat het kwam door hun ongeloof. En Hij zei dat zo’n boze geest alleen uitgaat door bidden en vasten. Vasten betekent: een tijd lang niet eten.
De discipelen konden het niet, maar de Heere Jezus wel. Hij hoorde het roepen van een vader met een zwak geloof, en Hij hielp. Bij Hem is niets onmogelijk.
“Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.” (Markus 9:24)
Tips voor de verteller
- Deze geschiedenis is bedoeld voor kinderen vanaf ongeveer 8 jaar. Vertelt u haar aan jongere kinderen, vertel de aanvallen dan in één zin en geef de meeste ruimte aan de vader die zijn zoon bij de Heere Jezus brengt en aan Jezus Die de jongen bij de hand pakt. Leg het woord maanziek kort uit: zo noemt Mattheüs de jongen, maar de Bijbel zegt dat er een boze geest in hem was.
- Een kind kan vragen of iemand met epilepsie ook een boze geest heeft, zeker als er in de klas of de familie zo iemand is. Zeg eerlijk dat de Bijbel bij deze jongen spreekt over een geest die uitging, maar dat Mattheüs elders zieken, bezetenen en maanzieken naast elkaar noemt (Mattheüs 4:24). Niet elke ziekte is dus bezetenheid, en een ziek kind is niet slechter dan een ander.
- Kinderen kunnen denken dat iemand maar hard genoeg moet geloven om alles te krijgen. Laat zien dat de vader juist een zwak geloof had en om hulp riep, en dat de Heere Jezus de vader en zijn zoon hielp. Lees daarna Markus 9:23-24 hardop voor uit de Bijbel zelf.
Gespreksvragen voor kinderwerk en club
Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
- NavertellenWie bracht de zieke jongen bij de Heere Jezus?
- NavertellenWat deed de Heere Jezus toen de jongen stil bleef liggen?
- VerwonderenWat kon de Heere Jezus wat de discipelen niet konden?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
- KijkenDe vader zei: "zo Gij iets kunt". Wat antwoordde de Heere Jezus daarop?
- BetekenisDe vader riep: "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp". Wat bedoelde hij daarmee, denk je?
- ToepassingDe vader had een klein geloof en riep toch om hulp. Wat leert dat jou over bidden als je geloof klein is?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
- BijbeltekstLees Mattheüs 17:19-21 naast Markus 9:28-29. Welke twee redenen geeft Jezus waarom de discipelen het niet konden, en hoe horen die bij elkaar?
- Wie is God?De vader twijfelde of Jezus het kon, maar Jezus wees hem niet af. Wat zegt dat over hoe Hij omgaat met mensen die zwak geloven?
- Moeilijke vraagSoms bidden mensen met geloof en worden zij toch niet beter. Betekent dat dat hun geloof te klein was? Wat zegt deze geschiedenis daar wel en niet over?
Gebedspunt: Dank de Heere Jezus dat Hij het roepen hoort van wie zwak gelooft. Bid voor kinderen en ouders die ziek zijn of in grote nood leven, en om geloof dat bij Hem hulp zoekt.
Personen in dit verhaal
Lees het in een leesplan
Thema's in dit verhaal
Gerelateerde bijbelverhalen
Veelgestelde vragen over De maanzieke jongen
Waar staat het verhaal van de maanzieke jongen in de Bijbel?
Het verhaal van de maanzieke jongen staat in Markus 9:14-29 en Mattheüs 17:14-21. Ook Lukas 9:37-43 vertelt deze geschiedenis, korter. In alle drie de evangeliën volgt zij direct op de verheerlijking van Jezus op de berg. Markus vertelt het uitvoerigst: alleen hij geeft het gesprek tussen Jezus en de vader en de roep "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp" (Markus 9:24).
Wat betekent "Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp"?
Met deze woorden belijdt de vader twee dingen tegelijk: hij gelooft, en zijn geloof is zwak. Hij vraagt Jezus niet alleen om zijn zoon te helpen, maar ook om zijn eigen ongelovigheid te hulp te komen (Markus 9:24). Hij roept het met tranen. Jezus wees hem niet af maar genas de jongen. Veel gelovigen herkennen in deze woorden hun eigen gebed: geloven en tegelijk weten dat het geloof hulp nodig heeft.
Wat betekent maanziek in de Bijbel?
Maanziek is het woord dat Mattheüs 17:15 gebruikt voor de jongen: "hij is maanziek, en is in zwaar lijden". Het gaat, net als het Griekse woord in dat vers, terug op de maan, omdat men vroeger dacht dat zulke aanvallen met de maan te maken hadden. De Bijbel zelf noemt de maan niet als oorzaak. Markus beschrijft de jongen als iemand met een stomme geest, die hem op de grond wierp, zodat hij schuimde en met zijn tanden knerste (Markus 9:17-18).
Had de maanzieke jongen epilepsie?
Dat zegt de Bijbel niet. Sommigen denken bij de aanvallen aan epilepsie, omdat de beschrijving daarop lijkt. Maar de evangeliën noemen bij deze jongen een geest als oorzaak: Jezus spreekt de stomme en dove geest aan en beveelt hem uit te gaan (Markus 9:25). Tegelijk noemt Mattheüs elders maanzieken en bezetenen naast elkaar (Mattheüs 4:24). Het is dus niet terecht om elke epilepsie bezetenheid te noemen, en evenmin om deze geschiedenis tot alleen een ziekte terug te brengen.
Waarom konden de discipelen de maanzieke jongen niet genezen?
Jezus geeft zelf het antwoord. Volgens Mattheüs zei Hij: "Om uws ongeloofs wil" (Mattheüs 17:20), en Hij voegde eraan toe: "Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten" (Mattheüs 17:21). Markus geeft dat laatste woord ook (Markus 9:29). Geslacht betekent hier soort. De discipelen hadden eerder macht over onreine geesten gekregen (Markus 6:7), maar die macht was geen bezit waarover zij zelf beschikten. Zij bleven afhankelijk van God, en dat moesten zij leren.
Betekent "alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft" dat geloof alles afdwingt?
Nee. Jezus zegt dit tegen een vader die twijfelde of Hij wel iets kon (Markus 9:22-23). De vader antwoordt niet met een sterk geloof, maar met een roep om hulp voor zijn ongeloof. Het geloof dat Jezus bedoelt, ziet op Hem en niet op zichzelf. Daarom is volgens Mattheüs een geloof als een mosterdzaad genoeg (Mattheüs 17:20). Elders zegt Jezus: "alle dingen zijn mogelijk bij God" (Markus 10:27). De kracht ligt bij God, niet bij de grootte van ons geloof.
Wie bedoelde Jezus met "ongelovig geslacht"?
Jezus zei: "O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn" (Markus 9:19), en in Mattheüs 17:17 "ongelovig en verkeerd geslacht". De tekst zegt niet precies wie Hij aanspreekt. Uitleggers denken aan de discipelen die de geest niet konden uitwerpen, aan de schare en de Schriftgeleerden, of aan de hele generatie, de vader inbegrepen. Hier denken christenen verschillend over. Duidelijk is wel dat Jezus het ongeloof ernstig neemt en toch zegt: "Brengt hem tot Mij".
Hoe vertelt u de maanzieke jongen aan kinderen?
Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 8 jaar. Vertel de aanvallen sober, zoals de Bijbel het doet, en geef de meeste ruimte aan de vader die om hulp roept en aan de Heere Jezus Die de jongen bij de hand pakt en opricht. Voor jongere kinderen vertelt u de aanvallen in één zin. De verteltips helpen bij vragen over epilepsie en over de gedachte dat iemand hard genoeg moet geloven.
Stel een vraag over De maanzieke jongen
Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.
Verdiep u verder
Alle bijbelverhalen
Bekijk alle 191 bijbelverhalen met uitleg, in bijbelse volgorde.
Bijbelse Personen
Leer meer over de personen in dit verhaal.
Bijbelse Tijdlijn
Plaats dit verhaal in de bijbelse geschiedenis.
Bijbeluitleg
Lees uitleg bij de bijbelhoofdstukken van dit verhaal.
Bijbel Onderwerpen
Verken de thema's die in dit verhaal aan bod komen.
AI BijbelAssistent
Stel uw vragen over bijbelverhalen aan onze AI-assistent.