Ga naar hoofdinhoud
MattheüsMattheüs 17:24-27

Het geldstuk in de vis

De Zoon is vrij en betaalt toch, voor Zichzelf en Petrus

Samenvatting

Het geldstuk in de vis is de geschiedenis uit Mattheüs 17:24-27 over de belasting voor de tempel. In Kapernaüm vroegen de ontvangers aan Petrus of zijn Meester die betaalde. Jezus zei dat de zonen vrij zijn, maar stuurde Petrus toch naar de zee: in de eerste vis zou hij een stater vinden, voor Jezus en voor hem.

Bijbelgedeelte

“En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?”
Mattheüs 17:24 (Statenvertaling)
“Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?”
Mattheüs 17:25 (Statenvertaling)
“Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.”
Mattheüs 17:26 (Statenvertaling)
“Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp de angel uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem die, en geef hem aan hen voor Mij en u.”
Mattheüs 17:27 (Statenvertaling)

Het verhaal

Mattheüs 17:24-27 vertelt hoe Jezus Petrus naar de zee stuurde om met een geldstuk uit een vis de tempelbelasting te betalen. Alleen Mattheüs beschrijft deze geschiedenis. Zij volgt op de verheerlijking op de berg en op de tweede keer dat Jezus Zijn lijden aankondigde (Mattheüs 17:22-23). De discipelen werden daarover zeer bedroefd.

Wat vroegen de ontvangers aan Petrus?

Toen Jezus en Zijn discipelen in Kapernaüm kwamen, gingen de ontvangers van de didrachmen naar Petrus. Zij vroegen: "Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet" (Mattheüs 17:24)? Petrus antwoordde: "Ja" (Mattheüs 17:25).

Waarom vroeg Jezus naar de koningen der aarde?

Toen Petrus in huis kwam, begon Jezus er Zelf over, nog voordat Petrus iets zei. Hij begon: "Wat dunkt u, Simon"! en vroeg van wie de koningen der aarde tol of schatting nemen, van hun zonen of van de vreemden. Petrus antwoordde: "Van de vreemden". Jezus zei: "Zo zijn dan de zonen vrij" (Mattheüs 17:26). Een koning laat zijn eigen zonen niet betalen. De meeste uitleggers lezen hierin dat Jezus, als de Zoon van God, niet verplicht was te betalen voor het huis van Zijn eigen Vader.

Wat zei Jezus over de munt in de vis?

Toch wilde Jezus betalen: "opdat wij hun geen aanstoot geven" (Mattheüs 17:27). Hij gaf Petrus de opdracht naar de zee te gaan en de angel uit te werpen. Petrus was visser van beroep (Mattheüs 4:18), maar nu ging het niet om een net: een angel is een haak aan een lijn, en het ging om één vis. In de bek van de eerste vis die opkwam, zou hij een stater vinden. Die moest hij geven "voor Mij en u". Jezus spreekt van wij en rekent Petrus met Zich mee. Met dat woord eindigt de geschiedenis. Mattheüs vertelt niet wat Petrus daarna deed, en ook niet dat hij de munt vond. Hij laat het laatste woord aan Jezus. Daarna gaat Mattheüs 18 verder met de vraag wie de meeste is in het Koninkrijk der hemelen (Mattheüs 18:1).

Achtergrond

De didrachme was een munt van twee drachmen, ongeveer een halve sikkel. In Exodus 30:13 gebood de HEERE dat iedere getelde man "de helft eens sikkels" zou geven, voor de dienst van de tent der samenkomst (Exodus 30:16). In de tijd van Nehemia verplichtte het volk zich tot "een derde deel van een sikkel in het jaar" voor het huis van God (Nehemia 10:32). De meeste uitleggers denken dat het in Mattheüs 17 om zo’n bijdrage voor de tempel gaat, niet om een belasting van de keizer. Een stater was meestal vier drachmen waard: genoeg voor twee personen.

Betekenis

In deze geschiedenis blijkt Wie Jezus is. Hij begint er Zelf over voordat Petrus iets zegt, en Hij weet wat de eerste vis in zijn bek zal hebben. Kort daarvoor had de Vader op de berg gezegd: "Deze is Mijn geliefde Zoon" (Mattheüs 17:5). Hier spreekt Jezus Zelf als de Zoon, Die vrij is.

Toch betaalt Hij. Hij was niet verplicht, maar Hij wilde geen aanstoot geven. Paulus schrijft dat God Zijn Zoon uitzond, "geworden onder de wet" (Galaten 4:4). De Zoon zette Zijn recht niet door, maar onderwierp Zich vrijwillig. Dat past bij de weg die Hij kort daarvoor had aangekondigd: Hij zou overgeleverd en gedood worden, en de derde dag opgewekt (Mattheüs 17:22-23).

Opvallend is ook "voor Mij en u". Jezus zorgt niet alleen voor Zichzelf. Hij neemt Petrus mee en geeft wat voor hen beiden nodig is. Wat Jezus geeft, komt hier niet uit het werk van Petrus, maar uit Zijn eigen woord.

Het zwaartepunt ligt daarom niet bij het wonderlijke van een munt in een vis. Mattheüs vertelt de uitvoering niet eens. Het gaat om de Zoon, Die vrij is, Die alles weet, en Die toch dient.

Lessen voor vandaag

De Heere Jezus weet wat Zijn discipelen bezighoudt. Petrus had ja gezegd. Nog voor hij erover begon, wist Jezus al waar het om ging en begon Hij Zelf het gesprek. Wie zich zorgen maakt over wat hij moet, mag weten dat de Heere het al weet: "uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft" (Mattheüs 6:32).

Vrijheid hoeft niet altijd te worden opgeëist. Jezus was vrij en betaalde toch, om geen aanstoot te geven. Paulus leert de gemeente hetzelfde: "Weest zonder aanstoot te geven" (1 Korinthe 10:32). Wie in Christus vrij is, mag uit liefde soms afzien van zijn recht.

De Heere zorgt voor de Zijnen. Jezus betaalde niet alleen voor Zichzelf, maar ook voor Petrus. Wat nodig was, gaf Hij uit Zijn eigen hand, op een manier die niemand had kunnen bedenken. Ook vandaag mogen wij van Hem verwachten wat wij nodig hebben, langs de weg die Hij kiest. Tegelijk vraagt Hij dat wij geven wat wij schuldig zijn, aan wie het toekomt (Romeinen 13:7).

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 3 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

Kort daarvoor waren Petrus, Jakobus en Johannes met de Heere Jezus op een hoge berg geweest. Daar hadden zij de stem van God gehoord. God zei dat Jezus Zijn geliefde Zoon is. Nu kwamen Jezus en Zijn discipelen in Kapernaüm. Kapernaüm was een stad aan de zee van Galilea.

In Kapernaüm waren mannen die geld ophaalden voor de tempel. De tempel was het huis van God in Jeruzalem. Het geld heette de didrachmen. Joodse mannen betaalden het voor de dienst in Gods huis.

De mannen gingen naar Petrus. Ze vroegen: "Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet"? Met Meester bedoelden ze Jezus. Petrus zei ja.

Toen ging Petrus het huis binnen. Maar nog voordat Petrus iets kon zeggen, begon Jezus er Zelf over. Hij wist al waar het over ging.

Jezus zei: "Wat dunkt u, Simon"! Dat betekent: wat denk jij, Simon? Simon was de andere naam van Petrus. Jezus vroeg hem iets over koningen. Van wie laten koningen belasting betalen? Van hun eigen zonen, of van de vreemden?

Petrus antwoordde: "Van de vreemden". Een koning laat zijn eigen kinderen niet betalen.

Toen zei Jezus: "Zo zijn dan de zonen vrij". Jezus is de Zoon van God. De tempel was het huis van Zijn Vader. Daarom hoefde Jezus eigenlijk niet te betalen.

Maar Jezus wilde dat niemand er aanstoot aan zou nemen. Aanstoot geven is iemand ergeren, zodat hij boos wordt of struikelt. Daarom gaf Jezus Petrus een opdracht. Petrus moest naar de zee gaan en de angel uitwerpen. Een angel is een vishaak aan een lijn. De eerste vis die zou bijten, moest Petrus pakken. Als hij de bek van die vis openmaakte, zou hij daar een geldstuk vinden: een stater. Dat was een zilveren munt. Die munt moest Petrus aan de mannen geven, "voor Mij en u", zei Jezus. Het was genoeg voor Jezus en voor Petrus samen.

Hier houdt de geschiedenis op. De Bijbel vertelt niet wat Petrus daarna deed. Het laatste woord is van de Heere Jezus.

De Heere Jezus is de Zoon van God. Hij weet alles, zelfs welke vis als eerste zal bijten. Hij hoefde niet te betalen, en toch deed Hij het. En Hij zorgde niet alleen voor Zichzelf, maar ook voor Petrus.

Om te onthouden
“Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.” (Mattheüs 17:26)

Tips voor de verteller

  • De Bijbel vertelt alleen de opdracht van Jezus en niet dat Petrus de vis ving en de munt vond. Vertel de uitvoering daarom niet als iets wat er staat. Vraagt een kind of het echt gebeurd is, dan kunt u zeggen dat Mattheüs het laatste woord aan Jezus laat, en dat wat Jezus zegt, waar is.
  • Leg uit dat het hier, volgens de gangbare uitleg, om geld voor de tempel ging en niet om belasting voor de keizer. Het gesprek over de koningen en hun zonen kunt u voor 4-7 jaar vereenvoudigen: Jezus is de Zoon van God, en de tempel is het huis van Zijn Vader. Mattheüs 17:24-27 is kort genoeg om uit de Bijbel zelf voor te lezen.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWat vroegen de mannen aan Petrus?
  2. NavertellenWaar moest Petrus het geldstuk vinden?
  3. VerwonderenHoe kon Jezus weten wat er in de vis zat?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. BetekenisJezus zei: "Zo zijn dan de zonen vrij". Waarom hoefde Jezus eigenlijk niet te betalen, en waarom deed Hij het toch?
  2. VerbindingKort daarvoor zei God op de berg dat Jezus Zijn geliefde Zoon is. Hoe helpt dat om deze geschiedenis te begrijpen?
  3. ToepassingJezus zorgde ook voor Petrus. Waarin heb jij gemerkt dat de Heere voor jou zorgt?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Exodus 30:11-16. Waarvoor was het geld van de halve sikkel bedoeld, en waarom is het bijzonder dat juist Jezus dit betaalt?
  2. Moeilijke vraagMattheüs vertelt niet dat Petrus de vis ving. Waarom zou hij de geschiedenis eindigen bij het woord van Jezus?
  3. PersoonlijkJezus zag af van Zijn recht om geen aanstoot te geven. Lees 1 Korinthe 10:32. Wanneer zou jij van iets af kunnen zien uit liefde voor een ander?

Gebedspunt: Dank de Heere Jezus dat Hij als de Zoon van God vrijwillig onder de wet ging en ook voor Petrus zorgde. Bid om een hart dat anderen geen aanstoot wil geven.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

Jezus de Zoon van Godgeen aanstoot gevenJezus zorgt voor de Zijnende tempelbelasting

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over Het geldstuk in de vis

Waar staat het verhaal van het geldstuk in de vis in de Bijbel?

Het verhaal van het geldstuk in de vis staat in Mattheüs 17:24-27. Alleen Mattheüs vertelt deze geschiedenis. Zij speelt in Kapernaüm, kort na de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17:1-9), de genezing van de maanzieke jongen (Mattheüs 17:14-21) en de tweede aankondiging van Jezus’ lijden (Mattheüs 17:22-23). Daarna volgt in Mattheüs 18 de vraag van de discipelen wie de meeste is in het Koninkrijk der hemelen.

Wat is een stater?

Een stater was een zilveren munt die meestal vier drachmen waard was. De didrachme, die de ontvangers vroegen, was twee drachmen. Daarom was één stater genoeg voor twee personen, en zei Jezus tegen Petrus: "geef hem aan hen voor Mij en u" (Mattheüs 17:27). Wat zo’n munt in onze tijd waard zou zijn, valt niet nauwkeurig te zeggen.

Ving Petrus de vis met het geldstuk echt?

Mattheüs vertelt alleen de opdracht van Jezus: ga naar de zee, werp de angel uit, en in de bek van de eerste vis zult u een stater vinden (Mattheüs 17:27). Dat Petrus ging, de vis ving en de munt vond, staat er niet. Mattheüs laat het laatste woord aan Jezus. Christenen lezen het als een woord dat uitkwam, omdat Jezus het zo zeker zegt. Maar het is goed niet meer te vertellen dan er staat.

Was het geldstuk in de vis belasting voor de keizer?

Waarschijnlijk niet. De ontvangers vroegen naar de didrachmen, een bedrag van ongeveer een halve sikkel. Exodus 30:13 gebood iedere getelde man "de helft eens sikkels" te geven voor de dienst van de tent der samenkomst. De meeste uitleggers denken daarom aan een bijdrage voor de tempel. Over belasting aan de keizer gaat een andere geschiedenis: "Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is" (Mattheüs 22:21).

Wat bedoelde Jezus met "Zo zijn dan de zonen vrij"?

Jezus vroeg Petrus van wie de koningen der aarde belasting nemen, van hun zonen of van de vreemden. Petrus antwoordde: "Van de vreemden" (Mattheüs 17:26). Een koning laat zijn eigen zonen niet betalen. De meeste uitleggers lezen hierin dat Jezus als de Zoon van God niet verplicht was te betalen voor het huis van Zijn Vader. Kort daarvoor had God Hem op de berg "Mijn geliefde Zoon" genoemd (Mattheüs 17:5).

Waarom betaalde Jezus de tempelbelasting als Hij vrij was?

Jezus zegt het Zelf: "opdat wij hun geen aanstoot geven" (Mattheüs 17:27). Hij wilde niet dat mensen zich zouden ergeren. Paulus schrijft dat God Zijn Zoon zond, "geworden onder de wet" (Galaten 4:4). Jezus zette Zijn recht als Zoon niet door, maar onderwierp Zich vrijwillig. Hij betaalde bovendien ook voor Petrus.

Hoe vertelt u het verhaal van het geldstuk in de vis aan kinderen?

Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar. Geef de meeste ruimte aan Jezus: Hij weet al waar Petrus mee zit, Hij is de Zoon van God en Hij zorgt voor Petrus mee. Leg kort uit wat de didrachmen, een angel en een stater zijn. Vertel niet dat Petrus de vis ving, want dat staat er niet. De gespreksvragen zijn ingedeeld voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar.

Stel een vraag over Het geldstuk in de vis

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder