“De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!”
Job sprak deze woorden op de dag dat hij hoorde dat al zijn zonen en dochters waren omgekomen. Het is een belijdenis uit de diepte, geen dooddoener. Veel ouders zetten hem op de rouwkaart omdat hij beide zegt: het kind was een gave, en het is weggenomen. Dring hem niet op aan ouders die er (nog) niet aan toe zijn.
“Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.”
David zegt dit nadat zijn pasgeboren zoontje, het kind van Bathseba, gestorven is (vers 18). "Hij zal tot mij niet wederkomen" benoemt eerlijk dat het kind niet terugkomt; "ik zal wel tot hem gaan" geeft een vader de moed om verder te leven. Lees het niet als volledige leer over waar een kind na de dood is, wel als de woorden van een vader die God bleef zoeken.
“Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.”
De Sunamitische zegt "Het is wel" terwijl haar zoon dood ligt op het bed van Elisa (vers 20 en 21). Zij wil haar nood niet met Gehazi bespreken, maar haast zich naar de man Gods. Ouders herkennen dat: tegen buitenstaanders zeggen dat het gaat, en intussen met alles naar de Heere gaan. De Heere gaf haar kind terug; dat is niet de belofte voor elke ouder, maar het laat zien dat Hij het verdriet van een moeder ziet.
“En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.”
Bij de poort van Naïn werd de enige zoon van een weduwe uitgedragen. Het eerste dat Lukas over de Heere Jezus zegt, is dat Hij met ontferming bewogen werd. Alleen Hij kon "Ween niet" zeggen, want Hij gaf de jongeling het leven terug; een mens moet het rouwende ouders nooit nazeggen. Wat blijft, is de ontferming van Christus bij een open graf.
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.”
De dichter gebruikt de liefde van een vader voor zijn kind als beeld voor Gods ontferming. Juist ouders die een kind missen, weten hoe diep die liefde gaat. Een tekst om voor te lezen in de rouwdienst, met vers 14 tot 17 erbij: Hij weet wat maaksel wij zijn.
“Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.”
De Heere Jezus nam het de discipelen kwalijk dat zij de kinderen bij Hem weghielden. Het vers gaat over kinderen die levend bij Hem gebracht werden, maar het laat Zijn hart voor de kleinsten zien. Op de rouwkaart van een jong kind wordt het vaak gekozen; een goede preektekst als de ouders de doop van hun kind gedenken.
“Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;”
Christus zegt dit tegen Martha, die Hem buiten Bethanië tegemoetkwam nadat haar broer gestorven was (vers 20 en 30). Het is de tekst van de hoop over de dood heen, gebonden aan het geloof in Hem. Daarom past hij vooral bij het overlijden van een zoon of dochter die de Heere vreesde, op de kaart of als preektekst.
“Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.”
Paulus noemt de dood als eerste in de rij van machten die niet kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus. Voor gelovige ouders die een kind verloren, en voor een gelovig kind dat stierf, is dit een vaste grond. Lang voor een kaart, sterk om voor te lezen in de dienst.
“Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.”
De dichter van Klaagliederen zegt niet dat het verdriet buiten God omgaat, maar wel dat Hij er geen behagen in heeft. Voor ouders die worstelen met de vraag hoe God dit kon toelaten, is dat een eerlijk woord: het antwoord op het waarom krijgen zij niet, wel het zicht op Zijn hart. Lees vers 31 tot 33 samen.
“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.”
David zegt hoe dicht hij bij het bezwijken was. Ouders na de dood van een kind kennen die grens. Het vers houdt vast aan het goede des Heeren, juist "in het land der levenden", waar zij verder moeten. Vers 14 volgt: "Wacht op den HEERE."
“want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.”
Wat ouders zien, is een leeg bedje, een lege stoel, een graf. Paulus wijst op wat niet gezien wordt en blijft. Gebruik dit slot van het vers liever dan vers 17, waar de "lichte verdrukking" voor ouders in de eerste rouw hard kan klinken.
“Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem.”
De hoop van de gemeente rust op de opstanding van Christus. De woorden "die ontslapen zijn in Jezus" staan ook op veel rouwkaarten van gelovige kinderen. Lees het in de dienst met vers 13 tot 18.
“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
De slotbelofte van de Schrift: de dood zal niet meer zijn. Voor ouders die hun kind moesten afstaan, is dit het vergezicht dat de rest draagt. Geschikt als slottekst van de dienst of op een grafsteen.