Op Palmzondag klinkt het in veel kerken, en wie de lijdensgeschiedenis leest, komt het tegen bij de intocht van de Heere Jezus in Jeruzalem. Toch is hosanna voor veel mensen een woord zonder duidelijke inhoud, een soort hoera of leve de koning. Het woord heeft een rijkere achtergrond. Hieronder leest u waar het vandaan komt, waarom de menigte het riep, wat hosanna in de hoogste hemelen betekent en hoe het samenhangt met de naam Jezus.
Wat betekent hosanna letterlijk?
Hosanna is een Hebreeuws woord dat via het Grieks van het Nieuwe Testament onvertaald in onze Bijbel is gekomen. Het gaat terug op twee woorden: een vorm van het werkwoord redden, helpen, en een klein woordje dat een verzoek dringend maakt, ongeveer ons toch of nu. Samen betekent het: red toch, help nu.
Die woorden staan in Psalm 118. Daar geeft de Statenvertaling ze weer met een volledige zin: 'Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed' (Psalm 118:25). Heil is in de Bijbel meer dan geluk of welvaart. Het is redding en behoud die van God komen; Psalm 3:9 zegt kortweg dat het heil van de HEERE is. Wie hosanna roept, zegt dus: Heere, U alleen kunt ons redden, doe het nu.
Psalm 118 is een danklied na een uitredding. De dichter was in nood en de HEERE heeft hem geholpen; nu trekt hij met de feestgangers op naar het huis van God. Direct na de bede om heil klinkt de zegen over wie daar binnengaat: 'Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN!' (Psalm 118:26). In de Joodse traditie hoort deze psalm bij het Hallel (Psalm 113-118), dat op de grote feesten gezongen werd. Wie de psalm in zijn samenhang wil lezen, vindt de uitleg van Psalm 118.
Waarom riep de menigte hosanna bij de intocht in Jeruzalem?
Enkele dagen voor het Pascha reed de Heere Jezus Jeruzalem binnen op een ezelsveulen. Daarmee vervulde Hij wat de profeet Zacharia had voorzegd: 'Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland' (Zacharia 9:9). Mensen spreidden hun klederen en takken op de weg, en de scharen namen de woorden van Psalm 118 over: 'Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!' (Mattheüs 21:9).
Met de titel Zoon van David begroetten zij Hem als de beloofde Koning uit het huis van David. Zij pasten Psalm 118 toe op Hem, en terecht: de Heere Jezus betrok die psalm later Zelf op Zich, toen Hij sprak over de steen die de bouwlieden verworpen hebben (Mattheüs 21:42) en over de dag waarop Jeruzalem Hem met de woorden van diezelfde psalm zal begroeten (Mattheüs 23:39). Johannes vertelt dat de schare met takken van palmbomen naar buiten trok om Hem tegemoet te gaan en Hem de Koning Israëls noemde (Johannes 12:13); daaraan dankt Palmzondag zijn naam. Op de pagina over Palmzondag leest u de vier evangelieverslagen naast elkaar, en de uitleg van Mattheüs 21 volgt het hele hoofdstuk.
Ook kinderen riepen in de tempel hosanna voor de Zoon van David (Mattheüs 21:15). De overpriesters en Schriftgeleerden namen dat zeer kwalijk. De Heere Jezus wees hen op Psalm 8: God heeft Zich uit de mond van jonge kinderen en zuigelingen lof bereid (Mattheüs 21:16). Hij weerde de eer niet af. Hij aanvaardde haar als Hem toekomend.
Wat is de betekenis van hosanna in de hoogste hemelen?
Mattheüs en Markus voegen er iets aan toe: hosanna in de hoogste hemelen. Markus verbindt de roep met het koningschap van David: 'Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!' (Markus 11:10).
Uitleggers lezen die toevoeging op twee manieren. Sommigen horen er een bede in die opstijgt naar God: geef heil, U Die in de hoogste hemelen woont. Anderen horen er een oproep in aan de hemel om mee te juichen, zoals Psalm 148 de HEERE laat loven in de hoogste plaatsen en al Zijn engelen oproept Hem te prijzen (Psalm 148:1-2). Lukas geeft dezelfde roep weer met woorden over vrede in de hemel en heerlijkheid in de hoogste plaatsen (Lukas 19:38).
Beide lezingen passen bij de tekst. Wat in elk geval vaststaat, is dat de roep zich richt op God. Het heil dat de menigte vraagt, komt van boven, en de Koning Die het brengt, komt in de Naam des Heeren.
Is hosanna een gebed of een lofroep?
In Psalm 118 is hosanna een smeekbede. Bij de intocht klinkt het als een jubelkreet, en in de kerk is het een lofwoord geworden, net als halleluja. Die twee sluiten elkaar niet uit. Wie God om redding vraagt en weet dat Hij die geeft, prijst Hem in hetzelfde woord. Toch is er een verschil: halleluja is een oproep om de HEERE te loven, terwijl hosanna begint als een roep om hulp. Meer daarover leest u bij de vraag wat halleluja betekent.
Opvallend is hoe het woord aansluit bij de naam van Hem tot Wie het geroepen werd. De naam Jezus komt van hetzelfde Hebreeuwse werkwoord voor redden en betekent: de HEERE redt. De engel zei tegen Jozef: 'gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden' (Mattheüs 1:21). De menigte riep red toch, en Die het hoorde, was de Redder Zelf. Alleen begreep zij nog niet hoe Hij dat zou doen.
Hoe kon het hosanna zo snel omslaan in kruis Hem?
Dezelfde stad die Hem met hosanna binnenhaalde, stond enkele dagen later voor het rechthuis van Pilatus. Daar klonk een andere roep: 'Kruis Hem, kruis Hem!' (Lukas 23:21). Het evangelie zegt niet dat het precies dezelfde mensen waren, en dat hoeft ook niet om te zien wat hier gebeurt. Velen hoopten op een Koning Die Israël zou verlossen; zelfs de Emmaüsgangers zeiden na Zijn dood dat zij dat gehoopt hadden (Lukas 24:21). Een Koning Die Zich liet gevangennemen en zweeg, paste niet in die verwachting.
Ook de discipelen begrepen de intocht pas later. Johannes schrijft eerlijk: 'Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet' (Johannes 12:16). Pas toen Jezus verheerlijkt was, zagen zij dat dit van Hem geschreven was. Het heil waar de menigte om riep, bracht Hij inderdaad, langs een weg die niemand verwachtte: door Zijn lijden en sterven aan het kruis. Daarom hoort Palmzondag bij de Stille Week en leidt het hosanna naar Goede Vrijdag en Pasen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenisgeschriften bespreken het woord hosanna zelf niet. Wel belijden zij Wie de Koning is Die toen werd toegejuicht. In Zondag 11 van de Heidelbergse Catechismus staat de vraag waarom de Zoon van God Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd wordt. Het antwoord: 'Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; en daarom, dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 11, vraag 29). Dat is de inhoud van elk hosanna: het heil is bij Hem te vinden en bij niemand anders.
Vraag 30 voegt daar een ernstige waarschuwing aan toe. Wie de zaligheid ergens anders zoekt, verloochent met de daad de enige Zaligmaker, ook al roemt hij in Hem. De intocht laat zien hoe dicht toejuichen en afwijzen bij elkaar liggen, en dat raakt ook ons: men kan Christus toejuichen en Hem toch niet aannemen als de enige Zaligmaker. Zondag 12 belijdt Christus als onze eeuwige Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt (vraag 31). Dat is een andere Koning dan de menigte verwachtte, en een betere.
Het laatste boek van de Bijbel laat zien waar het hosanna op uitloopt. Johannes zag een grote schare uit alle volken voor de troon staan, met palmtakken in de handen (Openbaring 7:9). Zij vragen niet meer om heil. Zij belijden dat het gekomen is:
'De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam' (Openbaring 7:10)