Jezus' Triomfantelijke Intocht in Jeruzalem (vers 1-11)
Mattheüs 21 begint met een van de meest bekende gebeurtenissen uit het leven van Jezus: zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem. Deze gebeurtenis markeert het begin van de laatste week voor Jezus' kruisiging, ook wel de Heilige Week genoemd.
Jezus stuurt twee discipelen vooruit om een ezel en haar veulen te halen, waarmee Hij de profetie uit Zacharia 9:9 vervult: 'Zeg tegen de dochter Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel.' Dit detail toont aan dat Jezus bewust zijn rol als de beloofde Messias openbaart, maar dan als een vredeskoning, niet als een militaire veroveraar.
De menigte reageert enthousiast en spreidt mantels en takken op de weg. Hun roep 'Hosanna voor de Zoon van David!' komt uit Psalm 118:25-26 en betekent letterlijk 'Red ons, wij smeken U!' Dit toont aan dat het volk Jezus erkent als de Messiaanse koning.
De Reiniging van de Tempel (vers 12-17)
Direct na zijn intocht gaat Jezus naar de tempel en drijft de kooplieden en geldwisselaars weg. Deze daad is zeer symbolisch en toont Jezus' autoriteit over het religieuze establishment. De tempel was bedoeld als 'een huis van gebed voor alle volken' (Jesaja 56:7), maar was verworden tot een commercieel centrum waar de armen werden uitgebuit.