Wie onrecht ondergaat, voelt de neiging om terug te slaan. Oog om oog, tand om tand lijkt daar de bijbelse naam voor te zijn, en zo wordt de uitdrukking ook vaak gebruikt. Toch staat ze in de wet van Mozes met een ander doel. Op deze pagina leest u waar de regel staat, wat hij voor Israël betekende, wat de Heere Jezus erover zei en hoe christenen er in het dagelijks leven mee omgaan.
Waar staat oog om oog, tand om tand in de Bijbel?
De regel staat drie keer in de wet van Mozes. De eerste keer is in Exodus 21, bij wetten over geweld en letsel. Daar gaat het over mannen die met elkaar vechten en een zwangere vrouw raken. Is er blijvend letsel, dan geldt: 'Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet' (Exodus 21:24). De Statenvertaling heeft hier dus 'voor'; de bekende vorm met 'om' komt uit Deuteronomium en Mattheüs. In de uitleg van Exodus 21 leest u het hele hoofdstuk.
De tweede plaats is Leviticus 24:20, in de geschiedenis van iemand die de Naam van God lasterde. De derde staat in Deuteronomium 19, bij de regels over valse getuigen. Wie een ander vals beschuldigde, moest de straf krijgen die hij de ander had willen bezorgen. Het hoofdstuk sluit af met: 'ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet' (Deuteronomium 19:21).
In de rechtsgeschiedenis heet dit beginsel het vergeldingsrecht, in het Latijn lex talionis: de straf moet gelijk zijn aan het kwaad dat iemand heeft aangericht.
Was oog om oog een vrijbrief voor wraak?
Nee. Het verband laat zien dat de regel voor de rechter bedoeld was. In Deuteronomium 19 moeten eerst de rechters de zaak grondig onderzoeken voordat er gestraft wordt (Deuteronomium 19:18). Een slachtoffer of zijn familie mocht het recht niet in eigen hand nemen. Dezelfde wet verbiedt persoonlijke wraak uitdrukkelijk: 'Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks' (Leviticus 19:18).
De regel had vooral een begrenzende functie. Een straf mocht niet zwaarder zijn dan het kwaad: één oog voor één oog, geen leven voor een tand. Zo werd de eindeloze bloedwraak tussen families afgesneden. Lamech had zich er al op beroemd dat hij zeventigmaal zevenmaal gewroken zou worden (Genesis 4:23-24). Ook gold de maat voor iedereen gelijk. In de wetten van de Babylonische koning Hammurabi (achttiende eeuw voor Christus) staat een vergelijkbare regel, maar daar hing de straf af van de stand van het slachtoffer; voor het oog van een gewone burger betaalde men een geldbedrag (wetten 196 en 198).
Werden er in Israël dan echt ogen uitgestoken? De Bijbel beschrijft geen enkel geval waarin een rechter in Israël deze straf letterlijk liet voltrekken. Wel zegt de wet zelf soms een andere vergoeding toe: een meester die het oog of een tand van zijn slaaf verwoestte, moest die slaaf vrijlaten (Exodus 21:26-27). En Numeri 35:31 verbiedt uitdrukkelijk dat men voor het leven van een moordenaar verzoening (losgeld) aanneemt. De joodse uitleg in de Talmoed (traktaat Bava Kamma 83b-84a) leidt daar onder meer uit af dat bij ander letsel een vergoeding in geld mogelijk was, en las de regel als maatstaf voor schadevergoeding. Wat in elk geval vaststaat: de straf moest rechtvaardig en in verhouding zijn.
Wat zei Jezus over oog om oog?
In de Bergrede haalt de Heere Jezus de regel aan: 'Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand' (Mattheüs 5:38). Hij laat erop volgen: 'Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe' (Mattheüs 5:39).
Jezus spreekt hier tot Zijn discipelen als personen, niet tot rechters. Calvijn wijst er in zijn commentaar op de harmonie van de evangeliën (bij Mattheüs 5:38) op dat de schriftgeleerden een regel voor de rechtspraak hadden gemaakt tot een recht op persoonlijke vergelding. Daartegen keert Jezus Zich. Een slag op de wang was vooral smaad, een belediging (vergelijk Job 16:10). Wie zo behandeld wordt, hoeft niet terug te slaan om zijn eer te redden.
Dat betekent niet dat een christen onrecht geen onrecht mag noemen. Toen een dienaar van de hogepriester Jezus sloeg, vroeg Hij rustig waarom dat gebeurde (Johannes 18:23). Paulus beriep zich op zijn recht als Romeins burger (Handelingen 22:25). Wie geweld of misbruik meemaakt, mag hulp zoeken en aangifte doen. Dat is geen eigenrichting; zo legt u de zaak in handen van de overheid die God daarvoor gegeven heeft (Romeinen 13:4). Het gaat Jezus om het hart: geen wraakzucht en geen haat, wel liefde voor de vijand (Mattheüs 5:44). Hij heeft dat Zelf gedaan. Toen Hij leed, dreigde Hij niet; Hij gaf Zijn zaak over aan God, Die rechtvaardig oordeelt (1 Petrus 2:23). Meer over dit gedeelte leest u in de uitleg van Mattheüs 5.
Heeft Jezus de wet van Mozes hiermee afgeschaft?
Nee. Jezus zegt in dezelfde rede dat Hij gekomen is om de wet te vervullen (Mattheüs 5:17). Hij zet de rechtvaardige straf niet opzij; Hij haalt haar weg uit de handen van de enkeling. Paulus zegt het in Romeinen 12 en 13 heel helder. Tegen de gemeente: 'Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere' (Romeinen 12:19).
Direct daarna noemt hij de overheid, die door God is ingesteld: 'want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet' (Romeinen 13:4). Het beginsel van een rechtvaardige straf leeft dus voort in de rechtspraak, waar het hoort. Of dat ook de zwaarste straf kan betekenen, leest u bij de vraag over de doodstraf in de Bijbel.
Wat betekent oog om oog als uitdrukking?
In het Nederlands is oog om oog, tand om tand een vaste uitdrukking geworden voor wraak in gelijke munt: wie mij iets aandoet, krijgt hetzelfde terug. Zo gebruikt, betekent het bijna het omgekeerde van wat de wet van Mozes bedoelde. De regel die wraak moest beteugelen, wordt een rechtvaardiging om wraak te nemen.
De Bijbel wijst een andere weg. Spreuken zegt al dat iemand die het kwaad wil vergelden, beter op de HEERE kan wachten (Spreuken 20:22). Paulus schrijft aan de gemeente in Rome dat zij niemand kwaad voor kwaad mag vergelden (Romeinen 12:17). Dat is moeilijk, zeker als het onrecht diep gaat. Toch is het geen zwakte. Wie de wraak aan God overlaat, hoeft zelf geen rechter te zijn en kan, in de kracht van Christus, ruimte geven aan vergeving. Over wat vergeven wel en niet inhoudt, leest u meer bij het onderwerp vergeving in de Bijbel.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus behandelt dit bij het zesde gebod. In Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 105) leert de gelovige dat God van hem vraagt 'dat ik alle wraakgierigheid afleg'. In hetzelfde antwoord staat waarom de overheid wel straft: 'Waarom ook de overheid het zwaard draagt, om den doodslag te weren'. Vraag 106 noemt nijd, haat, toorn en wraakgierigheid de wortel van de doodslag, en vraag 107 roept op om ook onze vijanden goed te doen.
Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de overheid heeft ingesteld en haar het zwaard gegeven heeft om de bozen te straffen en de goeden te beschermen. Het artikel wijst ook de opvatting af van wie de overheid en haar gezag verwerpen. Zo houdt de kerk twee dingen samen die in Mattheüs 5 en Romeinen 13 naast elkaar staan: de christen neemt geen wraak, en de overheid oefent recht uit.
'Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede' (Romeinen 12:21)