Een buurman die de erfgrens verlegt, een aannemer die het werk niet afmaakt, een werkgever die het loon inhoudt of een gemeentelid dat een lening niet terugbetaalt: vroeg of laat staan veel mensen voor de vraag of ze naar de rechter zullen gaan. Christenen kennen daarbij de scherpe woorden van Paulus in 1 Korinthe 6. Hieronder leest u wat de apostel daar precies afwijst, welke weg de Bijbel binnen de gemeente wijst en wanneer de rechtsgang wel openstaat.
Mag een christen een rechtszaak beginnen tegen een medegelovige?
In Korinthe brachten gemeenteleden hun onderlinge geschillen voor de heidense rechtbank. Paulus is daar verontwaardigd over: 'Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?' (1 Korinthe 6:1). Met de onrechtvaardigen bedoelt hij in de eerste plaats geen omkoopbare rechters. Een paar verzen verder noemt hij hen ongelovigen (1 Korinthe 6:6): rechters buiten de gemeente, die Christus niet kennen.
De apostel wijst hier de rechtspraak zelf niet af. Hij zegt het de gemeente tot schaamte dat er blijkbaar niemand onder hen is die wijs genoeg is om tussen zijn broeders te oordelen (1 Korinthe 6:5). Daarna volgt de zin die het diepst snijdt: 'Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?' (1 Korinthe 6:7). Wie een broeder of zuster voor de rechter daagt, heeft volgens Paulus al verloren, ook als hij de zaak wint: het gelijk weegt dan zwaarder dan de band in Christus.
Paulus sluit het gedeelte af met het evangelie: de gemeente is afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus (1 Korinthe 6:11). Wie zo veel genade ontving, kan een ander ook iets gunnen. De Heere Jezus leert dezelfde gezindheid in de Bergrede: wie met u wil rechten om uw rok, laat hem ook de mantel (Mattheüs 5:40). En Hij raadt aan het met de wederpartij eens te worden zolang u nog samen onderweg bent (Mattheüs 5:25). De uitleg van 1 Korinthe 6 laat zien hoe dit hoofdstuk vrijheid, recht en heiliging samen houdt.
Welke weg wijst de Bijbel bij een geschil in de gemeente?
De Heere Jezus geeft zelf de route voor een conflict tussen gelovigen: 'Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen' (Mattheüs 18:15). De stappen op een rij:
- Onder vier ogen. Eerst het gesprek met de ander zelf, zonder het rond te vertellen.
- Met een of twee anderen erbij. Komt u er samen niet uit, dan neemt u een of twee mensen mee, zodat de zaak zorgvuldig wordt vastgesteld (Mattheüs 18:16).
- Bij de gemeente. Daarna komt de zaak bij de gemeente, in de praktijk bij de kerkenraad (Mattheüs 18:17). Hoe de kerk daarmee omgaat, leest u bij wat kerkelijke tucht is.
- Bemiddeling. Al in de tweede of derde stap kan iemand helpen die wijs genoeg is om tussen broeders te oordelen (1 Korinthe 6:5). Paulus zoekt die in de gemeente: een ouderling of een andere wijze broeder of zuster, eventueel met hulp van een mediator.
Weigert de ander elke stap terwijl er veel op het spel staat, bespreek dan met uw predikant of ouderling hoe u verder kunt.
Deze weg vraagt van beide kanten iets. Wie onrecht deed, hoort dat te erkennen en zoveel mogelijk te herstellen. Wie onrecht leed, wordt geroepen te vergeven, ook als hij daarbij iets verliest; meer daarover leest u bij wat de Bijbel over vergeving zegt. Dat geldt bij geld of goed; bij misbruik en geweld ligt het anders, zie hieronder. Daarin volgt de gelovige Christus, Die toen Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt (1 Petrus 2:23).
Wat zegt de Bijbel over een rechtszaak tegen een ongelovige of een bedrijf?
1 Korinthe 6 gaat over geschillen tussen gelovigen onderling. Daarmee is de rechtbank zelf niet verkeerd. Over de overheid schrijft Paulus: 'Want zij is Gods dienares, u ten goede' (Romeinen 13:4). Rechtspraak hoort bij die dienst: zij beschermt de zwakke en houdt het kwaad in toom. Meer hierover leest u bij wat de Bijbel over de overheid zegt.
Paulus maakte zelf gebruik van het Romeinse recht. In Filippi, waar hij als Romein zonder vonnis gegeseld was, eiste hij dat de stadsbestuurders hem zelf kwamen uitleiden (Handelingen 16:37). Toen een oneerlijk proces in Jeruzalem dreigde, zei hij tegen Festus: 'Ik beroep mij op den keizer' (Handelingen 25:11). Hij weigerde geen straf als hij die verdiend had, maar vroeg om eerlijke rechtspraak. Voor situaties van nu betekent dat:
- Een zakelijk geschil. Met een bedrijf, verhuurder of werkgever mag een christen zijn recht zoeken als praten niets oplevert. Ook dan geldt Mattheüs 5:25: zoek eerst een schikking.
- Een strafbaar feit. Wie door een buitenstaander bestolen, bedrogen of mishandeld is, mag aangifte doen. Dat is geen eigenrichting: u legt de zaak bij de overheid die God daarvoor gaf. Gaat het om geld of goed van een medegelovige, dan wijst 1 Korinthe 6:7-8 eerst de weg van gesprek, kerkenraad en bemiddeling; komt het daar niet tot herstel, dan blijft de overheid er. Geweld en misbruik horen altijd bij de overheid, die het zwaard draagt.
- Een echtscheiding. In Nederland spreekt alleen de rechter een echtscheiding uit. Of een christen mag scheiden, is dus een andere vraag dan of hij naar de rechter mag; die hangt aan wat de Bijbel over het huwelijk zegt (Mattheüs 19:6). Wie zelf, ook tegen de eigen wil, door een scheiding gaat, kan met een predikant of ouderling praten; bij geweld in huis gaat veiligheid voor.
- Gedaagd worden of getuigen. Wie zelf wordt gedaagd of als getuige wordt opgeroepen, verschijnt voor de rechter en spreekt de waarheid.
Voor juridisch advies over uw eigen situatie kunt u terecht bij een advocaat of het Juridisch Loket.
Mag een christen misbruik of geweld aangeven?
Ja, altijd. 1 Korinthe 6 verbiedt nergens om misbruik, huiselijk geweld of ander geweld te melden, ook niet als de dader een gemeentelid, ouderling of predikant is. Melden is geen kwaadspreken en geen verraad aan de gemeente. De Bijbel roept er juist toe op om op te komen voor wie zichzelf niet kan verdedigen: 'Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden' (Spreuken 31:8).
Vergeving betekent ook niet dat een slachtoffer moet zwijgen of dat de dader geen gevolgen mag ondervinden. Persoonlijke wraak is verboden, want de wraak komt de Heere toe (Romeinen 12:19). Juist daarom gaf God de overheid, die Paulus noemt een wreekster tot straf voor wie kwaad doet (Romeinen 13:4). Een kerkenraad kan zo'n zaak niet in plaats van politie en justitie afhandelen, en een gemeente die een slachtoffer om de lieve vrede tot zwijgen brengt, gaat in tegen Gods gebod om het recht te zoeken en de verdrukte te helpen (Jesaja 1:17).
Gaat het om huiselijk geweld of kindermishandeling, dan kunt u Veilig Thuis bellen via 0800-2000 (gratis). Na seksueel geweld, ook van langer geleden, belt u het Centrum Seksueel Geweld via 0800-0188 (gratis, dag en nacht). Bij direct gevaar belt u 112.
Waar christenen verschillen
Bijbelgetrouwe christenen zijn het erover eens dat de overheid van God komt en dat een geschil tussen gelovigen eerst binnen de gemeente hoort. Over hoe ver dat gaat, verschillen zij.
- Nooit naar de rechter. In de doopsgezinde traditie lazen velen de Bergrede zo dat een christen geen overheidsambt bekleedt, geen eed zweert en geen rechtszaak voert. Zij beriepen zich op Mattheüs 5:39-40.
- Wel naar de rechter, met terughoudendheid. Reformatorische kerken lezen 1 Korinthe 6 als een verbod op onderlinge procesvoering om eigen voordeel, en de Bergrede als een oproep tot zachtmoedigheid in persoonlijke verhoudingen. Zij zien de rechtspraak als een gave van God, waarvan een christen in nood gebruik mag maken (Romeinen 13:4).
Over misbruik en geweld is er geen verschil: dat hoort bij de overheid. Hoe uw eigen kerk met een geschil tussen leden omgaat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de overheid heeft ingesteld, zodat er orde en recht is onder de mensen, en dat Hij haar het zwaard gaf om de bozen te straffen en de goeden te beschermen. In hetzelfde artikel wijst de kerk uitdrukkelijk de leer van de wederdopers af, die overheid en rechtspraak voor christenen verwierpen.
In Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 105) staat bij het zesde gebod dat ik alle wraakgierigheid afleg, met als slot: 'Waarom ook de overheid het zwaard draagt, om den doodslag te weren' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 40, vraag 105). Wraak nemen is dus verboden, het recht zoeken bij de overheid niet (Romeinen 12:19). Wie voor de rechter moet verschijnen, houdt zich aan het negende gebod: dat ik 'in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefheb' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 43, vraag 112).
'Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen' (Romeinen 12:18)