Inleiding tot Exodus 21
Exodus 21 markeert een belangrijk keerpunt in de wetgeving die God aan Mozes gaf op de berg Sinaï. Na de Tien Geboden in hoofdstuk 20 volgen nu de burgerlijke wetten, ook wel 'mishpatim' genoemd. Deze wetten tonen Gods zorg voor rechtvaardigheid en bescherming van de zwakkeren in de samenleving.
Wetten over Dienstknechten (Exodus 21:1-11)
De eerste sectie behandelt wetten over Hebreeuwse dienstknechten. Deze regelgeving was revolutionair voor die tijd, omdat het de rechten van werknemers beschermde. Een Hebreeuwse man kon zich voor zes jaar verkopen als dienstknecht om schulden af te betalen, maar in het zevende jaar moest hij vrijgelaten worden.
De wet toont Gods hart voor gerechtigheid: 'Als gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet' (vers 2). Dit principe van bevrijding prefigureert het jubeljaar en uiteindelijk de bevrijding die Christus zou brengen.
Bijzondere aandacht wordt besteed aan vrouwelijke dienstknechten (verzen 7-11). Hun rechten worden expliciet beschermd, inclusief het recht op voedsel, kleding en huwelijksrechten. Dit toont Gods zorg voor de meest kwetsbaren in de samenleving.
Wetten over Geweld en Doodslag (Exodus 21:12-17)
Deze sectie behandelt ernstige misdrijven waarbij het leven in gevaar komt. Het principe 'Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden' (vers 12) vestigt de heiligheid van het menselijk leven. Tegelijkertijd wordt onderscheid gemaakt tussen opzettelijke moord en onopzettelijke doodslag.