Wie de boeken van Mozes leest, komt honderden geboden tegen: over offers, voedsel, feesten, kleding, rechtspraak en de tien geboden. Christenen eten varkensvlees, brengen geen offers en komen op zondag samen. Kiezen zij dan zelf welke geboden nog gelden? Op deze pagina leest u hoe de Bijbel zelf onderscheid maakt tussen de geboden, wat Christus met de wet gedaan heeft en waarom de tien geboden voor een christen blijven gelden.
Wat bedoelt de Bijbel met de wet van Mozes?
Met de wet van Mozes bedoelt de Bijbel de geboden die God bij de Sinaï aan Israël gaf. Ze staan in Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Die wet begint met genade. Voordat God één gebod geeft, zegt Hij: 'Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb' (Exodus 20:2). God gaf Zijn geboden aan een volk dat Hij al verlost had. De wet was voor Israël dus geen ladder om bij God te komen.
Om de geboden te ordenen, onderscheidt de reformatorische traditie drie soorten:
- zedelijke wetten: de tien geboden en wat daaruit volgt, samengevat in de liefde tot God en de naaste (Mattheüs 22:37-40);
- ceremoniële wetten: offers, priesterdienst, tabernakel, reinheidswetten, spijswetten en feesten (onder meer Leviticus 1-16 en 23);
- burgerlijke wetten: het recht voor Israël als volk in Kanaän, met regels voor rechtspraak, straffen en bezit (Exodus 21-23).
Die indeling is een hulpmiddel. Mozes zet de geboden niet in drie kolommen; in Leviticus 19 staat het gebod om de naaste lief te hebben (Leviticus 19:18) tussen regels over offers en gemengd zaad. Toch sluit het onderscheid aan bij het Nieuwe Testament, dat heel anders spreekt over offers en spijswetten dan over de liefde tot God en de naaste.
Wat deed Christus met de wet van Mozes?
In de Bergrede zegt de Heere Jezus: 'Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen' (Mattheüs 5:17). Vervullen is hier meer dan gehoorzamen. Christus heeft de wet volkomen gehouden in de plaats van zondaren, Hij heeft de vloek van de wet gedragen (Galaten 3:13) en Hij heeft werkelijkheid gemaakt waar de offers en feesten heen wezen. Meer over deze verzen leest u in de uitleg van Mattheüs 5.
Daarom schrijft Paulus: 'Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft' (Romeinen 10:4). Christus is het doel waar de wet heen wees. Wie in Christus gelooft, zoekt zijn gerechtigheid voor God niet meer in eigen wetsbetrachting. De wet heeft de mens juist naar Hem toe gebracht: 'Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden' (Galaten 3:24).
Zo verhouden wet en evangelie zich tot elkaar. Door de wet is de kennis der zonde (Romeinen 3:20); het evangelie wijst de Verlosser aan Die de schuld betaald heeft.
Waarom gelden de offers en spijswetten niet meer?
De ceremoniële wetten waren voorlopig. De brief aan de Hebreeën zegt dat 'de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken' (Hebreeën 10:1), de mensen die daar toegingen nooit kon heiligen. Een schaduw kondigt aan dat er iets aankomt. Christus heeft Zich eenmaal geofferd (Hebreeën 10:10), en daarmee is elk ander offer overbodig geworden.
Paulus past dat toe op voedsel en feestdagen. Niemand mag een christen oordelen in spijs of drank, feestdagen, nieuwe maan of sabbatten, want die dingen zijn 'een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus' (Kolossenzen 2:17). De Heere Jezus leerde dat niets wat van buiten in de mens komt, hem kan ontreinigen (Markus 7:15). En toen sommigen leerden dat gelovigen uit de heidenen besneden moesten worden om zalig te worden (Handelingen 15:1), besloten de apostelen in Jeruzalem hun dat juk niet op te leggen (Handelingen 15:10-11, 28). Daarom mogen christenen varkensvlees eten, ook al noemt Leviticus 11:7 het zwijn onrein. Meer daarover leest u bij de vraag of christenen varkensvlees mogen eten.
De burgerlijke wetten golden voor Israël als volk onder Gods directe regering in het land dat Hij gaf. Die situatie bestaat niet meer; de gemeente van Christus komt uit alle volken. De straffen uit Exodus 21-23 zijn daarom geen wetboek voor de overheid van nu, al blijft de gerechtigheid erin een les, zoals de zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees (Exodus 22:21-22).
Moeten christenen de tien geboden houden?
Ja. De tien geboden zijn de kern van de zedelijke wet en geven Gods blijvende wil weer. Paulus schrijft: 'Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed' (Romeinen 7:12). Het geloof maakt de wet niet overbodig; het bevestigt de wet (Romeinen 3:31).
Het verschil zit in de plaats die de wet krijgt. Een christen verdient met de geboden Gods gunst niet; hij is al uit genade verlost, zoals Israël eerst uit Egypte werd geleid en daarna de geboden ontving. De Heere Jezus zegt: 'Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden' (Johannes 14:15). Liefde vervangt de wet dus niet; de liefde vervult de wet (Romeinen 13:10). Ook wie oprecht gelooft, houdt de geboden in dit leven niet volmaakt en blijft daarom leven van de vergeving in Christus.
Op de pagina over de tien geboden leest u elk gebod met uitleg. Ook het vierde gebod blijft gelden. De gemeente komt samen en rust op de eerste dag van de week, de dag van Christus' opstanding (Handelingen 20:7; Openbaring 1:10).
Is het Oude Testament nog geldig?
Ja, ook al gelden niet alle geboden van Mozes meer op dezelfde manier. Toen Paulus schreef dat al de Schrift van God ingegeven is (2 Timotheüs 3:16), bedoelde hij de heilige Schriften die Timotheüs van kinds af kende, het Oude Testament (2 Timotheüs 3:15).
Wat veranderd is, is de manier waarop het geldt. De offers lezen christenen als wijzers naar Christus, de geschiedenissen als Gods handelen met Zijn volk, de psalmen als hun eigen gebeden en de geboden als Gods blijvende wil. Paulus zegt dat alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering geschreven is (Romeinen 15:4). Hoe beide testamenten samenhangen, leest u bij de vraag over het verschil tussen het Oude en Nieuwe Testament.
Wat de kerk afwees
De kerk heeft hier twee wegen afgewezen. De eerste is de leer dat een christen naast het geloof ook de ceremoniële wet moet houden om behouden te worden. Paulus noemt dat een ander evangelie (Galaten 1:6) en zegt dat Christus dan tevergeefs gestorven zou zijn (Galaten 2:21). De tweede is de leer dat de wet voor een christen niets meer betekent, zodat hij kan leven zoals hij wil. Daartegen zegt Paulus dat wie onder de genade staat, niet in de zonde mag blijven leven (Romeinen 6:15). Wie door een waar geloof in Christus is ingeplant, brengt vruchten der dankbaarheid voort (Heidelbergse Catechismus, Zondag 24, vraag 64). Wet en genade horen bij elkaar: de genade redt, de wet wijst de weg van het dankbare leven.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de ceremoniën en figuren van de wet met de komst van Christus hebben opgehouden, zodat christenen ze niet meer gebruiken. Hun waarheid en wezen blijven in Christus, in Wie ze vervuld zijn. Tegelijk gebruikt de kerk de getuigenissen uit de wet en de profeten om zich in het evangelie te bevestigen en het leven in alle eerbaarheid naar Gods wil in te richten. De Westminster Confessie (hoofdstuk 19) werkt de drieledige indeling uitdrukkelijk uit: de ceremoniële wetten zijn afgeschaft, de burgerlijke wetten zijn met de staat Israël vervallen en de zedelijke wet blijft alle mensen binden.
De Heidelbergse Catechismus behandelt de tien geboden in het deel over de dankbaarheid. Goede werken zijn volgens Zondag 33 (vraag 91) werken uit waar geloof, naar de wet Gods en tot Zijn eer. In Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 115) staat waarom God de geboden zo scherp laat prediken, terwijl niemand ze in dit leven volkomen houdt: 'opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken'. Zo drijft de wet de gelovige telkens weer naar Christus.
'Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden' (Johannes 1:17)