Wie het Nieuwe Testament leest, stuit op twee zinnen die elkaar lijken tegen te spreken. Paulus schrijft dat een mens gerechtvaardigd wordt door het geloof, zonder de werken der wet. Jakobus schrijft dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit het geloof. Deze vraag stond in de zestiende eeuw in het hart van de breuk in de westerse kerk. Op deze pagina leest u wat beide apostelen bedoelen, wat sola fide betekent en waar de Rooms-Katholieke Kerk en de Reformatie van elkaar verschillen.
Wat zegt de Bijbel: geloof of werken?
Paulus vat zijn uitleg van het evangelie in de brief aan de Romeinen zo samen: 'Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet' (Romeinen 3:28). Gerechtvaardigd worden is een woord uit de rechtszaal: God spreekt een mens vrij en verklaart hem rechtvaardig. Dat is nodig, want Joden en heidenen hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Romeinen 3:23). Niemand kan zijn schuld met goede daden wegwerken. God rechtvaardigt om niet, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is (Romeinen 3:24).
Aan de gemeente in Efeze schrijft Paulus: 'Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave' (Efeze 2:8). Het volgende vers voegt eraan toe dat het niet uit de werken is, opdat niemand zou roemen (Efeze 2:9). Ook in Galaten 2:16 staan het geloof in Christus en de werken der wet tegenover elkaar. Het geloof is daarbij geen prestatie die God beloont. Het is de lege hand die aanneemt wat Christus volbracht heeft. Meer hierover leest u bij wat de Bijbel over rechtvaardiging zegt.
Spreken Paulus en Jakobus elkaar tegen over geloof en werken?
Jakobus lijkt het tegenovergestelde te zeggen: 'Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?' (Jakobus 2:24). Luther noemde de brief in zijn voorrede op het Nieuwe Testament (1522) een strooien brief; in zijn voorrede op Jakobus schreef hij dat die tegen Paulus de rechtvaardiging aan de werken toeschrijft. Calvijn las de twee apostelen als eensgezind (Institutie, boek III, hoofdstuk 17, 11-12), en daarin volgen de reformatorische kerken hem.
Het verband maakt veel duidelijk. Jakobus vraagt wat het voor nut heeft als iemand zegt dat hij geloof heeft, terwijl zijn leven er niets van laat zien (Jakobus 2:14). Hij denkt aan een broeder of zuster in nood die met vrome woorden wordt weggestuurd (Jakobus 2:15-16). Ook de duivelen geloven dat God één is, en zij sidderen (Jakobus 2:19). Wie alleen instemt met de juiste leer, heeft nog geen waar geloof. Jakobus schrijft dit tegen een geloof dat alleen spreekt. Wie bij zichzelf weinig vrucht ziet en daarover bezorgd is, mag weten dat ook een zwak geloof zich aan Christus vasthoudt en dat Hij het gekrookte riet niet verbreekt (Jesaja 42:3).
Paulus spreekt dus over de vraag hoe een zondaar voor God vrijgesproken wordt; Jakobus over de vraag hoe zichtbaar wordt dat iemands geloof echt is (Jakobus 2:18). Abraham laat dat zien. Beide apostelen halen Genesis 15:6 aan, Jakobus in 2:23 en Paulus zo: 'En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid' (Romeinen 4:3). Het offer van Izak, waar Jakobus naar verwijst (Jakobus 2:21), volgt pas tientallen jaren later (Genesis 22:1-2), want Izak werd pas geboren toen Abraham honderd jaar oud was (Genesis 21:5). Abrahams gehoorzaamheid kwam voort uit een geloof dat al tot gerechtigheid gerekend was, en toonde dat dit geloof levend was. In de uitleg van Jakobus 2 leest u het hele hoofdstuk.
Is geloof zonder werken dood?
Ja, zegt Jakobus: 'Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood' (Jakobus 2:17). Paulus onderschrijft dat. Direct nadat hij gezegd heeft dat de zaligheid niet uit de werken is, schrijft hij: 'Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen' (Efeze 2:10). Elders spreekt hij over het geloof dat door de liefde werkt (Galaten 5:6).
Goede werken komen dus na het geloof en uit het geloof. Ze zijn geen voorwaarde om gered te worden; ze zijn de vrucht van de redding. De Heere Jezus zegt dat wie in Hem blijft, veel vrucht draagt (Johannes 15:5).
De volgorde is beslissend. Wie zijn werken tot grond van zijn behoud maakt, bouwt op iets wat nooit genoeg is (Jesaja 64:6). Wie het geloof losmaakt van een nieuw leven, maakt er een dode overtuiging van; Paulus wees de gedachte af dat wij in de zonde zouden blijven opdat de genade te meer zou worden (Romeinen 6:1-2). Wat dit goede nieuws inhoudt, leest u bij de vraag wat het evangelie is.
Wat betekent sola fide?
Sola fide is Latijn voor alleen door het geloof, een van de kernwoorden van de Reformatie naast sola gratia (alleen door genade) en solus Christus (alleen Christus). Luther vertaalde Romeinen 3:28 met het woord allein erbij. Dat staat niet in de Griekse tekst; volgens Luther (Sendbrief vom Dolmetschen, 1530) gaf het wel de bedoeling van Paulus weer, die schrijft dat God de goddeloze rechtvaardigt (Romeinen 4:5).
Sola fide betekent ook niet dat het geloof zelf de verdienste is. De Heidelbergse Catechismus zegt in vraag 61 dat de gelovige God niet aangenaam is vanwege de waardigheid van zijn geloof. Alleen de gerechtigheid van Christus is zijn gerechtigheid voor God, en die kan hij alleen door het geloof aannemen. Het geloof is de hand, Christus is de gave.
Alleen betekent evenmin een geloof dat alleen blijft. Calvijn schreef in zijn weerlegging van het Concilie van Trente (Acta synodi Tridentinae cum antidoto, 1547) dat alleen het geloof rechtvaardigt, terwijl het geloof dat rechtvaardigt nooit alleen is (vergelijk Jakobus 2:26).
Waar christenen verschillen
Alle christenen belijden dat de mens Gods genade nodig heeft en dat Christus de enige Verlosser is (Handelingen 4:12). Het verschil gaat over wat rechtvaardiging is en welke plaats de werken daarin hebben. Hoe dit in de hele leer doorwerkt, leest u bij het verschil tussen protestant en katholiek.
- Rooms-katholiek: het Concilie van Trente (zitting 6, 1547) leert dat niets wat aan de rechtvaardiging voorafgaat, geloof of werken, haar verdient (hoofdstuk 8). Rechtvaardiging is daar meer dan vrijspraak: zij is ook innerlijke vernieuwing (hoofdstuk 7). Die gerechtigheid wordt door goede werken vermeerderd, en de goede werken die de gerechtvaardigde door Gods genade en de verdienste van Christus doet, verdienen het eeuwige leven (canones 24 en 32). Canon 9 veroordeelt de leer dat de goddeloze door het geloof alleen gerechtvaardigd wordt, zonder dat er iets anders hoeft mee te werken.
- Reformatorisch: rechtvaardiging is Gods vrijspraak op grond van de gerechtigheid van Christus, toegerekend aan wie gelooft (Filippenzen 3:9). De heiliging volgt daar onlosmakelijk op, maar draagt niets bij aan de grond van het behoud.
- Toenadering in 1999: de Lutherse Wereldfederatie en de Rooms-Katholieke Kerk belijden in hun Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardigingsleer samen dat wij alleen uit genade, in het geloof in het heilswerk van Christus, door God aanvaard worden (paragraaf 15). Trente is daarbij niet herroepen; de verklaring stelt dat de oude veroordelingen de lutherse leer zoals die daarin beschreven staat, niet treffen (paragraaf 41).
Voor de Reformatie raakt dit verschil de kern van het evangelie. Als de werken meetellen, kan een mens nooit zeker weten of hij genoeg gedaan heeft. Paulus zegt juist dat de belofte uit het geloof is, opdat zij naar genade zou zijn en vast zou staan (Romeinen 4:16).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus behandelt de rechtvaardiging in Zondag 23. Op de vraag hoe ik rechtvaardig ben voor God, antwoordt vraag 60: 'Alleen door een waar geloof in Jezus Christus' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 23, vraag 60). Ook als mijn geweten mij aanklaagt, rekent God mij uit louter genade de gerechtigheid van Christus toe.
In Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus volgen de goede werken. Ze kunnen geen deel van onze gerechtigheid voor God zijn, omdat ook onze beste werken onvolkomen en met zonden bevlekt zijn (vraag 62). God beloont ze wel: 'De beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 24, vraag 63). Op het bezwaar dat deze leer zorgeloze mensen maakt, antwoordt vraag 64: 'het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waar geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 24, vraag 64).
Artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat wij gerechtvaardigd worden door het geloof alleen; het geloof is slechts het instrument waarmee wij Christus, onze gerechtigheid, omhelzen. Artikel 23 noemt die gerechtigheid de vergeving van onze zonden om Christus' wil. Artikel 24 zegt dat het onmogelijk is dat dit heilig geloof ledig is in de mens; de goede werken die eruit voortkomen, tellen niet mee voor onze rechtvaardiging. De Dordtse Leerregels (hoofdstuk II, verwerping van de dwalingen, 4) wijzen de gedachte af dat God het geloof zelf en de onvolkomen gehoorzaamheid van het geloof aanneemt in plaats van de volkomen gehoorzaamheid aan de wet (vergelijk Galaten 3:10).
'Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus' (Romeinen 5:1)