Waar gaat Romeinen 7 over? Paulus behandelt drie dingen na elkaar. In vers 1 tot 6 laat hij met een beeld uit het huwelijksrecht zien dat de gelovige door de dood van Christus vrij is van de wet. In vers 7 tot 13 verdedigt hij die wet: zij is niet de zonde, maar maakt de zonde zichtbaar. En in vers 14 tot 26 volgt de bekendste passage van de brief: Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (vers 19). Die loopt uit op de kreet Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (vers 24) en op het antwoord Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere (vers 25).
Over de vraag wie die ik is, wordt binnen de kerken verschillend gedacht. In de gereformeerde traditie worden vers 14 tot 26 doorgaans gelezen als de ervaring van de gelovige, die de zonde in zichzelf kent en er juist daarom onder lijdt. Anderen lezen het als de mens onder de wet, vóór het geloof, en wijzen erop dat Paulus pas in Romeinen 8 over het leven door de Geest spreekt. Het hoofdstuk zelf sluit die discussie niet. Romeinen 7 telt zesentwintig verzen. De tekst in de Statenvertaling staat op de leespagina van Romeinen 7; hoe eenvoudiger vertalingen zoals de Bijbel in Gewone Taal dit hoofdstuk weergeven, ziet u bij de bijbelvertalingen. Het vervolg staat in Romeinen 8.
De Bevrijding van de Wet (Romeinen 7:1-6)
Romeinen 7 begint met een krachtig beeld uit het huwelijk. Paulus gebruikt deze analogie om uit te leggen hoe gelovigen bevrijd zijn van de wet door Christus. Net zoals een vrouw vrij is om opnieuw te trouwen wanneer haar man sterft, zo zijn wij door onze dood met Christus bevrijd van de bindende kracht van de wet.