Wie de Bijbel van voren af aan leest, komt in Leviticus een lange lijst van reine en onreine dieren tegen, en het varken staat er met name in. Toch eten de meeste christenen zonder bezwaar een karbonade of een broodje ham. Adventisten, messiaanse gemeenten en Joodse of islamitische buren vragen soms hoe dat kan. Op deze pagina leest u wat de spijswetten voor Israël betekenden, wat de Heere Jezus en de apostelen erover leerden, welke regels voor eten het Nieuwe Testament nog kent en waar christenen hierover verschillen.
Waarom mocht Israël geen varkensvlees eten?
In Leviticus 11 geeft de HEERE aan Israël de regels over reine en onreine dieren. Van de landdieren mocht Israël alleen eten wat gespleten klauwen heeft en ook herkauwt. Het varken heeft wel gespleten klauwen, 'maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn' (Leviticus 11:7). Deuteronomium 14:8 herhaalt dat verbod.
De reden die God Zelf geeft, staat aan het eind van het hoofdstuk: 'Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben' (Leviticus 11:44). De spijswetten zetten Israël apart van de volken rondom. Bij elke maaltijd werd zichtbaar dat dit volk aan de HEERE toebehoorde.
Vaak wordt gezegd dat het om de gezondheid ging. De Bijbel noemt die reden nergens, en bij dieren als de kameel en de haas, die op dezelfde lijst staan (Leviticus 11:4-6), ligt een gezondheidsreden niet voor de hand. De Schrift zelf spreekt over heiligheid.
Wat zei de Heere Jezus over rein en onrein eten?
In Markus 7 verwijten de Farizeeën de discipelen dat zij met ongewassen handen eten. De Heere Jezus antwoordt: 'Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen' (Markus 7:15). Aan Zijn discipelen legt Hij uit dat het eten niet in het hart komt, 'maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen' (Markus 7:19).
Over die slotwoorden lopen de vertalingen uiteen. In de Statenvertaling gaan ze over de spijsvertering: het lichaam scheidt af wat niet gebruikt wordt. Veel nieuwere vertalingen lezen ze als een opmerking van Markus: zo verklaarde Jezus alle spijzen rein. De strekking blijft dezelfde. Wat iemand eet, maakt hem voor God niet onrein; onrein maakt wat uit het hart voortkomt, zoals kwade gedachten, overspel, diefstal en bedrog (Markus 7:21-22). Meer over dit gesprek leest u in de uitleg van Markus 7.
Wat leerde Petrus in Handelingen 10?
Dat dit ook voor de gemeente gold, moest Petrus zelf leren. In Joppe zag hij in een gezicht een groot laken neerdalen met allerlei dieren, ook onreine, en hoorde hij een stem zeggen dat hij moest slachten en eten (Handelingen 10:13). Petrus weigerde, want hij had nooit iets gemeens of onreins gegeten. Het antwoord was: 'Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken' (Handelingen 10:15). Dat gebeurde tot drie maal (Handelingen 10:16).
Het gezicht ging over meer dan eten. Direct daarna stonden de boden van de Romeinse hoofdman Cornelius voor de deur. In diens huis verklaarde Petrus dat hij van God geleerd had geen mens gemeen of onrein te noemen (Handelingen 10:28). De spijswetten hielden Joden en heidenen ook aan tafel gescheiden. Nu het evangelie naar alle volken ging, viel die scheiding weg; Christus heeft de middelmuur tussen hen gebroken (Efeze 2:14). Het hele verhaal leest u in de uitleg van Handelingen 10.
Mogen christenen varkensvlees eten als de wet het verbiedt?
Een veelgehoord bezwaar is dat de Heere Jezus zei dat Hij de wet kwam vervullen en niet ontbinden (Mattheüs 5:17). Dat is waar, en juist daarom zijn de spijswetten niet zomaar vervallen: ze zijn vervuld. Paulus schrijft dat niemand de gemeente mag oordelen in spijs of drank (Kolossenzen 2:16), want zulke voorschriften zijn 'een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus' (Kolossenzen 2:17). Volgens Hebreeën 9:10 golden de regels over spijzen en wassingen tot op de tijd der verbetering.
De gereformeerde kerken onderscheiden daarom in de wet van Mozes de zedelijke geboden, zoals de tien geboden, de burgerlijke wetten voor het volk Israël en de ceremoniële wetten, die als schaduwen naar Christus wezen. De spijswetten horen bij die laatste groep. Daarom kan Paulus over het voedsel dat God geschapen heeft schrijven dat alle schepsel Gods goed is en niets verwerpelijk, als het met dankzegging genomen wordt (1 Timotheüs 4:4). Hoe dat onderscheid voor de hele wet werkt, leest u bij de vraag of christenen zich aan de wet van Mozes moeten houden.
Wat mogen christenen niet eten?
Het Nieuwe Testament kent geen lijst van onreine dieren meer. Wel gaf de vergadering van apostelen en ouderlingen in Jeruzalem de christenen uit de heidenen een paar noodzakelijke dingen mee: 'dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij' (Handelingen 15:29). Het verbod op het eten van bloed is ouder dan Mozes en werd al aan Noach gegeven (Genesis 9:4).
Die regels dienden de vrede in gemengde gemeenten, waar Joodse en heidense christenen samen aan tafel zaten. Calvijn leest het besluit in zijn commentaar op Handelingen daarom als een regeling voor die tijd, om aanstoot te voorkomen. Paulus behandelt het vlees van afgodenoffers later als een gewetenszaak: wat in de vleeshal verkocht wordt, mag gegeten worden zonder vragen (1 Korinthe 10:25), tenzij iemand er uitdrukkelijk op wijst dat het afgodenoffer is (1 Korinthe 10:28). Dezelfde afweging speelt bij de vraag of een christen halal vlees mag eten. Meer teksten over dit onderwerp vindt u bij wat de Bijbel zegt over vlees eten.
Waar christenen verschillen
Alle christenen erkennen dat Leviticus 11 Gods Woord is en dat Israël die wetten moest houden. Het verschil gaat over de vraag of ze voor christenen nog gelden.
- Zevendedagsadventisten eten geen varkensvlees en ook geen andere dieren die Leviticus 11 onrein noemt. Het onderscheid tussen rein en onrein bestond volgens hen al vóór Mozes, want Noach nam van het reine vee zeven en zeven mee in de ark (Genesis 7:2). Zij zien de regels als blijvende wetten voor de gezondheid van Gods volk; Handelingen 10 gaat in hun lezing over mensen en laat de spijswetten staan.
- Messiaanse gemeenten: veel Joodse gelovigen in Jezus houden de spijswetten als deel van hun Joodse leven, zonder dat te vragen van gelovigen uit de heidenen (Handelingen 15:19).
- Reformatorische kerken, en met hen het grootste deel van de christenheid: de spijswetten waren ceremonieel en zijn in Christus vervuld. Varkensvlees eten is vrij, en wie het laat staan uit smaak of geweten, mag dat ook.
Voor zulke verschillen geeft Paulus een duidelijke regel. Hij is zelf overtuigd 'dat geen ding onrein is in zichzelven' (Romeinen 14:14). Wie eet, mag wie niet eet niet verachten, en wie niet eet, mag wie eet niet oordelen (Romeinen 14:3). Wie een gast heeft die geen varkensvlees eet, zet uit liefde zonder ophef iets anders op tafel.
Wordt het laten staan een voorwaarde voor heiligheid of behoud, dan raakt het de kern van het evangelie: wij worden gerechtvaardigd door het geloof in Christus, niet door wat wij eten. Toen Petrus in Antiochië niet meer met heidense christenen at (Galaten 2:12), sprak Paulus hem daarover openlijk aan (Galaten 2:14).
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat over de vervulling van de ceremoniële wet. De ceremoniën en afbeeldingen van de wet hebben met de komst van Christus opgehouden, zodat het gebruik ervan onder christenen weggenomen moet worden. Hun waarheid en wezen blijven ons in Christus, in Wie ze vervuld zijn. Wel gebruiken wij de getuigenissen uit de wet en de profeten voor ons geloof en leven.
Dat is de lijn bij varkensvlees. Leviticus 11 leert nog steeds dat God een heilig volk wil; Petrus haalt het woord eruit aan voor de gemeente: zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petrus 1:16). Die heiligheid wordt nu niet meer aan de maaltijd afgelezen, maar aan heel de wandel van een christen (1 Petrus 1:15). Zo kan een christen zijn maaltijd met dankzegging eten, en geldt voor elk bord wat Paulus schrijft: 'Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods' (1 Korinthe 10:31).
'Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest' (Romeinen 14:17)