Wie getuige is bij de rechter, ambtenaar wordt of in de gemeenteraad komt, moet een eed of een belofte afleggen. Voor veel christenen roept dat een vraag op, want in de Bergrede verbiedt de Heere Jezus het zweren. Is de eed dan verboden, of gaat het daar over iets anders? Op deze pagina leest u wat de Bijbel over zweren zegt, hoe de Heidelbergse Catechismus die teksten samen leest en waarom christenen verschillend kiezen tussen eed en belofte.
Wat zegt Jezus over zweren?
In de Bergrede zet de Heere Jezus het gebod over de eed tegenover wat de schriftgeleerden ervan gemaakt hadden. De ouden zeiden dat u uw eed niet mocht breken. De Heere Jezus gaat verder: 'Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods' (Mattheüs 5:34). Ook niet bij de aarde, bij Jeruzalem of bij uw eigen hoofd. Wat Hij ervoor in de plaats zet, is eenvoudig: 'Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze' (Mattheüs 5:37).
Het verband laat zien waar het om ging. In de dagen van de Heere Jezus maakte men onderscheid tussen eden die wel en eden die niet bonden. Wie bij de tempel zwoer, was nergens aan gehouden; wie bij het goud van de tempel zwoer, wel (Mattheüs 23:16). Zo werd zweren een manier om de waarheid te ontwijken. De Heere Jezus snijdt dat af: wie bij de hemel zweert, zweert bij God Zelf (Mattheüs 23:22), en in het gewone spreken moet een ja gewoon ja zijn. Meer over dit gedeelte leest u in de uitleg van Mattheüs 5.
Jakobus herhaalt het bijna woordelijk: 'Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen' (Jakobus 5:12). Ook hij spreekt tot gemeenteleden over hun dagelijkse omgang en hun spreken onder elkaar.
Zweren in de Bijbel: God Zelf zweert
Wie alleen Mattheüs 5 leest, zou denken dat elke eed zonde is. De rest van de Schrift spreekt anders. In de wet gebiedt God Zijn volk: 'Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren' (Deuteronomium 6:13). Verboden is de valse eed, die Gods Naam ontheiligt (Leviticus 19:12), en het lichtvaardig gebruik van Zijn Naam (Exodus 20:7).
God Zelf zweert. Toen Hij Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat er niemand meerder was bij wie Hij kon zweren (Hebreeën 6:13; Genesis 22:16). De schrijver aan de Hebreeën legt uit wat een eed onder mensen doet: 'Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken' (Hebreeën 6:16). Hij keurt dat niet af. Hij gebruikt het om te laten zien hoe vast Gods belofte is.
Ook in het Nieuwe Testament wordt God tot getuige aangeroepen. Paulus schrijft: 'Doch ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel' (2 Korinthe 1:23). Op andere plaatsen zegt hij dat God zijn Getuige is (Romeinen 1:9; Galaten 1:20). En toen de hogepriester de Heere Jezus bij de levende God bezwoer te zeggen of Hij de Christus was, zweeg Hij niet langer en gaf Hij antwoord onder die eed (Mattheüs 26:63-64). Daaruit trekt de kerk van de Reformatie de conclusie dat Mattheüs 5 het lichtvaardige en ontwijkende zweren verbiedt en de eed die in Gods Naam de waarheid bevestigt, laat staan.
Eed of belofte bij een beëdiging?
In Nederland kunt u bij een beëdiging kiezen. Dat geldt voor getuigen en deskundigen bij de rechter, voor ambtenaren, burgemeesters en raadsleden, voor Kamerleden en voor beroepen als notaris of advocaat. De eed eindigt met de woorden zo waarlijk helpe mij God almachtig; de belofte met dat verklaar en beloof ik. U hoeft uw keuze niet uit te leggen.
Juridisch maakt het geen verschil. Wie onder ede of onder belofte een valse verklaring aflegt, pleegt in beide gevallen meineed (artikel 207 Wetboek van Strafrecht). Het verschil zit in wie u aanroept. Bij de eed roept u God aan als Getuige van uw woorden en als Rechter, mocht u niet de waarheid spreken. Bij de belofte bindt u uzelf, zonder Gods Naam te noemen.
Gods Woord vraagt in beide gevallen dat u houdt wat u gezegd hebt. De psalmdichter prijst wie gezworen heeft tot zijn eigen schade en toch zijn woord niet verandert (Psalm 15:4). Wie een ambt aanvaardt, belooft trouw aan de overheid die God over ons gesteld heeft (Romeinen 13:1). Wat de Bijbel verder over die overheid zegt, vindt u bij de overheid in de Bijbel.
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen zijn het erover eens dat een christen altijd de waarheid spreekt, met of zonder eed, en dat God de valse eed haat (Zacharia 8:17). Het verschil gaat over de vraag of een christen ooit mag zweren, en zo ja, wat hij dan kiest.
- Doopsgezinden en quakers lezen Mattheüs 5:34 en Jakobus 5:12 als een volstrekt verbod. De doperse Schleitheimer artikelen (1527, artikel 7) wijzen elke eed af. Hun sterkste argument is de woordkeus van de Heere Jezus Zelf: ganselijk niet. In hun traditie leggen zij de belofte af.
- De reformatorische hoofdlijn leest Mattheüs 5 in het licht van de hele Schrift. Omdat God Zelf zweert en Paulus God tot getuige aanroept, is de eed geoorloofd als de overheid hem vraagt. Zo legt ook Calvijn het uit bij het derde gebod (Institutie, boek II, hoofdstuk 8).
- Binnen de reformatorische kerken kiezen sommigen bewust de eed: wie God aanroept, eert Hem als de enige Kenner der harten. Anderen kiezen de belofte, omdat zij uit eerbied Gods Naam niet willen uitspreken bij iets wat zij als alledaags ervaren, of omdat hun geweten Mattheüs 5 niet loslaat.
Over die laatste keuze geeft deze pagina geen eindoordeel. Beide keuzes kunnen voortkomen uit eerbied voor God en voor Zijn Woord. Paulus schrijft over zaken waarin christenen verschillen, zoals het houden van dagen: 'Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd' (Romeinen 14:5). Hoe uw eigen kerk hierin staat, kan uw predikant of kerkenraad u uitleggen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 37 van de Heidelbergse Catechismus staat in vraag 101 precies deze vraag: mag men godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zweren? Het antwoord is 'Ja; wanneer het de overheid van haar onderdanen, of ook de nood vordert, om daardoor trouw en waarheid te bevestigen, en dat tot Gods ere en des naasten heil' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 37, vraag 101). De catechismus voegt eraan toe dat zulk zweren in Gods Woord gegrond is en door de heiligen van het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt is.
Vraag 102 legt uit wat een eed is: 'een rechte eed is een aanroeping Gods, dat Hij, als de enige Kenner der harten, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen zo ik valselijk zweere' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 37, vraag 102). Daarom mag men nooit bij heiligen of andere schepselen zweren. In Zondag 36 (vraag 99) noemt de catechismus het onnodig zweren een misbruik van Gods Naam.
Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de overheid heeft ingesteld en dat iedereen haar gehoorzaamheid schuldig is in alles wat niet tegen Gods Woord ingaat. Ook de Westminster Confessie (hoofdstuk 22) noemt de wettige eed een deel van de godsdienst, als die wordt afgelegd met eerbied en in waarheid.
Eed, gelofte en het gewone woord
Een eed is iets anders dan een gelofte. Bij een eed roept u God aan als getuige van wat u verklaart. Bij een gelofte belooft u God Zelf iets te doen of te geven. Beide binden: wie de HEERE een gelofte doet of een eed zweert, moet doen wat uit zijn mond gegaan is (Numeri 30:2). Wat de Bijbel over geloften zegt, leest u bij wat een gelofte is.
De eed is een uitzondering, voor momenten waarop veel van uw woord afhangt. De regel voor elke dag blijft het eenvoudige ja en neen. Daarom hoort de vraag naar de eed bij de vraag naar eerlijkheid in het gewone leven; daarover gaat of liegen altijd zonde is.
Dat God Zelf gezworen heeft, is voor de gelovige ook een troost. God bevestigde Zijn belofte met een eed, opdat wij door twee onveranderlijke dingen een sterke vertroosting zouden hebben (Hebreeën 6:18). Al Gods beloften zijn in Christus ja en amen (2 Korinthe 1:20). Wie op Hem vertrouwt, staat op een woord dat nooit gebroken wordt.
'Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is' (Hebreeën 6:19)