Het woord gelofte klinkt plechtig en wat ouderwets. Toch hoort u het in de kerk nog geregeld: bij de doop van een kind, bij openbare belijdenis, bij een huwelijk en bij de bevestiging van ambtsdragers. Op deze pagina leest u wat een gelofte in de Bijbel is, hoe zij verschilt van een eed, waarom de Schrift waarschuwt voor overhaaste geloften en wat de geloften in de kerk van vandaag betekenen.
Wat is een gelofte in de Bijbel?
Een gelofte is een belofte die iemand aan God doet. Wie een gelofte doet, verbindt zich vrijwillig om iets te geven of te doen: een offer, een tijd van bijzondere toewijding of zelfs een heel leven. De Statenvertaling spreekt van geloften betalen, alsof het om een schuld gaat.
De wet van Mozes legt dat vast in Numeri 30: 'Wanneer een man den HEERE een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen' (Numeri 30:2). Een gelofte is dus een verbintenis van de ziel. Wie haar uitspreekt, geeft zijn woord aan God Zelf. Het vervolg regelt dat een vader of een man de gelofte van zijn dochter of vrouw ongedaan kon maken op de dag dat hij ervan hoorde (Numeri 30:4-8).
Een gelofte was nooit verplicht. Deuteronomium 23 zegt uitdrukkelijk dat wie nalaat te beloven, daarmee niet zondigt (Deuteronomium 23:22). Wie wel belooft, is gebonden: 'de HEERE, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn' (Deuteronomium 23:21).
Wat is de betekenis van een gelofte?
In de Bijbel wordt een gelofte vaak in nood gedaan en na de verhoring met dankbaarheid betaald. Zo is de betekenis van een gelofte ten diepste dankbaarheid en toewijding. Jakob deed een gelofte bij Bethel, op de vlucht voor Esau (Genesis 28:20-22). Hanna beloofde in haar verdriet dat de zoon om wie zij bad, de HEERE zou toebehoren al de dagen van zijn leven (1 Samuel 1:11). Toen Samuël geboren was, deed zij wat zij beloofd had (1 Samuel 1:27-28).
Vaak hoort een gelofte bij een dankoffer. In Psalm 116 vraagt iemand die uit doodsnood gered is, wat hij de HEERE kan vergelden voor al Zijn weldaden, en hij antwoordt: 'Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk' (Psalm 116:14). Bij deze psalmdichter is de gelofte geen ruilhandel, alsof een mens eerst iets moet bieden voordat God helpt. Zij is het antwoord van iemand die al ontvangen heeft. Ook wie in nood iets beloofde, zoals Hanna, verwachtte de hulp van God en niet van de eigen belofte. Daarom verbindt Psalm 50 het betalen van geloften met het offeren van dank (Psalm 50:14).
Ook in het Nieuwe Testament komen geloften voor (Handelingen 18:18; Handelingen 21:23-26).
Wat is het verschil tussen een gelofte en een eed?
Een gelofte en een eed liggen dicht bij elkaar; Numeri 30:2 noemt ze in één adem. Toch is er een verschil. Bij een eed roept iemand God aan als Getuige dat hij de waarheid spreekt of zijn belofte aan mensen zal houden. Bij een gelofte belooft iemand iets aan God Zelf. De eed is meestal gericht tot mensen, met God als Getuige; de gelofte is gericht tot God.
In de Bergrede zegt de Heere Jezus: 'Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze' (Mattheüs 5:37). De schriftgeleerden maakten onderscheid tussen eden die wel en eden die niet bonden, al naargelang iemand zwoer bij de tempel of bij het goud van de tempel (Mattheüs 23:16-22). Christus maakt aan die uitvluchten een einde. Wie altijd de waarheid spreekt, heeft geen extra bekrachtiging nodig om betrouwbaar te zijn. Dat raakt ook de gelofte: wie God lichtvaardig iets belooft om zijn woorden gewicht te geven, gaat oneerbiedig om met de Naam van God. Of een christen nog een eed mag afleggen, bijvoorbeeld in de rechtszaal, leest u bij de verwante vragen onder deze pagina.
Waarom waarschuwt de Bijbel voor een overhaaste gelofte?
Prediker spreekt nuchter: wie voor Gods aangezicht spreekt, moet zijn woorden weinig laten zijn (Prediker 5:1). Dan volgt: 'Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen' (Prediker 5:3). En direct daarna: 'Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt' (Prediker 5:4). In de uitleg van Prediker 5 leest u deze verzen in hun verband. Ook Spreuken noemt het een strik om eerst iets aan God te beloven en pas daarna na te denken (Spreuken 20:25).
Het zwaarste voorbeeld is Jefta. Voor de strijd tegen de Ammonieten beloofde hij dat wat hem bij zijn thuiskomst uit de deur van zijn huis tegemoet zou komen, de HEERE zou toebehoren als brandoffer (Richteren 11:30-31). Het was zijn enige dochter. Toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en zei: 'ik heb mijn mond opengedaan tot den HEERE, en ik zal niet kunnen teruggaan' (Richteren 11:35). Uitleggers verschillen over de vraag of Jefta haar werkelijk geofferd heeft of haar levenslang aan de HEERE heeft gewijd. De tekst zegt dat zij haar maagdom beweende en geen man bekend heeft (Richteren 11:37-39). Hoe men het ook leest, de geschiedenis staat in de Bijbel als waarschuwing. God had Jefta geen gelofte gevraagd. Het verbranden van zonen en dochters, zoals de volken dat voor hun goden deden, noemde Hij een gruwel (Deuteronomium 12:31).
Een belofte om iets te doen wat God verbiedt, mag niet worden nagekomen, want Gods gebod gaat boven elke menselijke belofte. Zo leert ook de Westminster Confessie, waarover hieronder meer. De wet kende zelfs een schuldoffer voor wie onbedacht iets gezworen had (Leviticus 5:4-6).
Welke geloften doen christenen vandaag?
In reformatorische kerken gaat het bij geloften vooral om de beloften die in de eredienst voor God en de gemeente worden uitgesproken. Het antwoord is daar steeds een eenvoudig ja.
- Doopgelofte: bij de doop van een kind beantwoorden de ouders de vragen uit het doopformulier. Zij beloven onder meer hun kind te onderwijzen en te laten onderwijzen in de leer van de Schrift. Daar hoort ook de catechisatie bij.
- Openbare belijdenis: wie belijdenis doet, zegt zelf ja op wat in de doop beloofd is, belooft bij de leer van de kerk te blijven en zich aan haar opzicht te onderwerpen. Zo beleed Timotheüs de goede belijdenis voor vele getuigen (1 Timotheüs 6:12). Meer teksten vindt u bij het onderwerp belijdenis in de Bijbel.
- Huwelijksgelofte: man en vrouw beloven elkaar voor Gods aangezicht en de gemeente liefde en trouw tot de dood hen scheidt. Maleachi noemt de HEERE de Getuige tussen een man en de vrouw van zijn verbond (Maleachi 2:14). Zie ook wat de Bijbel zegt over het huwelijk.
- Ambtsgelofte: bij hun bevestiging beloven predikanten, ouderlingen en diakenen hun ambt getrouw te bedienen naar Gods Woord. Met hun ondertekening van de Drie Formulieren van Enigheid verbinden zij zich aan de leer van de kerk.
Wie zo'n gelofte aflegt, merkt vaak hoe zwak het eigen ja is. Daarom is de gelofte in de kerk altijd een antwoord op Gods belofte. Paulus schrijft: 'Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen' (2 Korinthe 1:20). Wie een gelofte gebroken heeft, mag dat voor God belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig om te vergeven (1 Johannes 1:9). Drukt een gelofte zwaar op u, of weet u niet wat u moet doen met iets wat u ooit beloofd hebt, spreek er dan over met uw predikant of ouderling.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Drie Formulieren van Enigheid hebben geen apart artikel over geloften. Wel spreekt Zondag 37 van de Heidelbergse Catechismus over de eed, en wat daar staat, raakt ook de gelofte. In vraag 101 belijdt de kerk dat een eed bij Gods Naam geoorloofd is als de overheid of de nood het vraagt, om trouw en waarheid te bevestigen (Deuteronomium 6:13). Vraag 102 legt uit waarom een eed alleen bij God gezworen mag worden: 'een rechte eed is een aanroeping Gods, dat Hij, als de enige Kenner der harten, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen zo ik valselijk zweere' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 37, vraag 102). Ook een gelofte richt zich tot God als de Kenner der harten, en dus nooit tot een heilige of een ander schepsel.
De Westminster Confessie, de belijdenis van de presbyteriaanse kerken, wijdt er wel een hoofdstuk aan (hoofdstuk 22). Een gelofte mag alleen aan God gedaan worden, vrijwillig, uit geloof en uit dankbaarheid. Niemand mag beloven wat Gods Woord verbiedt of wat niet in zijn macht ligt. Op die grond wijst zij de kloostergeloften van levenslange ongehuwdheid, armoede en gehoorzaamheid af als bijgelovige en zondige strikken. Calvijn waarschuwde in zijn Institutie (boek IV, hoofdstuk 13) al tegen geloften waarmee mensen meenden bij God iets te verdienen. Een gelofte verwerft geen genade; zij is een dankbaar antwoord op de genade die in Christus al gegeven is.
'Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften' (Psalm 50:14)