Bijna iedereen liegt weleens, al is het maar om een ander niet te kwetsen of om onder een vervelende afspraak uit te komen. Tegelijk kennen veel christenen de verhalen van Rachab, die de verspieders verborg, en van gezinnen die in de oorlog onderduikers in huis hadden. Was hun leugen dan ook zonde? Op deze pagina leest u wat de Bijbel over liegen zegt, hoe de kerk het negende gebod uitlegt en waarom christenen over de noodleugen verschillend denken.
Wat zegt de Bijbel over liegen?
Het negende gebod luidt: 'Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste' (Exodus 20:16). Het gaat in de eerste plaats over de rechtszaak, waar een valse getuige een onschuldige het leven kon kosten. Toch trekt de Schrift de lijn breder door. Spreuken zegt: 'Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen' (Spreuken 12:22). En Paulus schrijft aan de gemeente: 'Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden' (Efeze 4:25). Meer over het verband van dat vers vindt u in de uitleg van Efeze 4.
De diepste reden ligt in God Zelf. 'God is geen man, dat Hij liegen zou' (Numeri 23:19). Wat Hij belooft, doet Hij, en daarom kan een mens op Zijn Woord bouwen. De Heere Jezus noemt Zich de Waarheid (Johannes 14:6) en de duivel de vader van de leugen (Johannes 8:44). Wie liegt, gaat dus in tegen het beeld van God waarnaar de mens geschapen is. Wat de Bijbel verder over oprechtheid zegt, leest u bij de bijbelteksten over waarheid.
Is liegen een zonde, ook als het om iets kleins gaat?
Ja. De Bijbel kent geen onschuldige categorie van leugentjes om bestwil. Een smoes om een afspraak af te zeggen, een compliment dat u niet meent, een cijfer dat net iets mooier wordt gemaakt: het blijft een woord dat de ander op het verkeerde been zet. De Heere Jezus vraagt dat ons ja ja is en ons nee nee (Mattheüs 5:37). Wat de Bijbel zegt over het geven van uw woord aan God, leest u bij de vraag wat een gelofte is.
Waarheid spreken betekent tegelijk niet dat alles gezegd moet worden. Zwijgen, iets voor u houden of een vraag niet beantwoorden is geen leugen. Toen Samuël bang was voor Saul, kreeg hij van de HEERE de opdracht om in Bethlehem te offeren, zonder dat hij alles over de zalving van David hoefde te vertellen (1 Samuël 16:2). Bovendien vraagt de Schrift om zorg in de manier waarop wij de waarheid zeggen: Paulus spreekt over het betrachten van de waarheid in liefde (Efeze 4:15). Eerlijk zijn is geen vrijbrief om een ander te kwetsen.
Mag een christen liegen om iemand te beschermen?
Hier begint de moeilijkste vraag: die van de noodleugen. Daarmee bedoelt men een onwaarheid die gesproken wordt om het leven van een ander te redden, bijvoorbeeld tegenover iemand die een onschuldige wil doden. De Bijbel geeft daarvan twee bekende voorbeelden.
De Hebreeuwse vroedvrouwen weigerden de jongetjes te doden, zoals Farao bevolen had, en zeiden tegen hem dat de Hebreeuwse vrouwen al gebaard hadden voordat zij kwamen (Exodus 1:19). Daarna staat er dat God aan de vroedvrouwen goeddeed en, omdat zij God vreesden, hun huizen bouwde (Exodus 1:20-21). De Schrift prijst hun vreze Gods, die bleek uit hun weigering om kinderen te doden. Of hun woorden een leugen waren of een deel van de waarheid, zegt de tekst niet.
Rachab verborg de twee verspieders op het dak en zei tegen de mannen van de koning: 'ik wist niet, van waar zij waren' (Jozua 2:4). Dat was niet waar. Toch noemt het Nieuwe Testament haar als voorbeeld: 'Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen' (Hebreeën 11:31). Jakobus prijst dat zij de boden ontving en langs een andere weg liet gaan (Jakobus 2:25). Opvallend is dat geen van beide teksten haar woorden noemt; geprezen worden haar geloof en haar daad. Het hele verhaal leest u in de uitleg van Jozua 2.
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen zijn het erover eens dat liegen in het gewone leven zonde is en dat de waarheid bij God hoort. Het verschil gaat over de uiterste nood, zoals in de bezettingstijd, toen ook veel gereformeerde en andere christenen onderduikers verborgen en bij een huiszoeking voor die vraag stonden.
- Elke leugen is zonde, ook de noodleugen. Dat is de lijn van Augustinus (Contra mendacium) en van Calvijn in zijn commentaar op Jozua 2: Rachab en de vroedvrouwen worden beloond om hun geloof en barmhartigheid, hun leugen wordt daarmee niet goedgekeurd. Wie in nood liegt, zondigt minder zwaar dan wie uit eigenbelang liegt, maar heeft ook dan vergeving nodig.
- De noodleugen valt buiten het verbod. Anderen, onder wie Hugo de Groot (De iure belli ac pacis, boek III), stellen dat wie een onschuldige wil vermoorden geen recht heeft op de waarheid. Het negende gebod beschermt de naaste; een misleiding die het leven van die naaste redt, is in hun ogen geen valse getuigenis tegen hem.
- Een keuze tussen twee kwaden. Een derde groep zegt dat de wereld door de zonde zo gebroken is dat iemand soms niet zonder schuld kan handelen. Het leven redden gaat dan voor, en de schuld van de onwaarheid wordt bij God gebracht.
In reformatorische kerken wordt de eerste lijn vaak gehoord, omdat de catechismus spreekt over allerlei liegen. Tegelijk erkennen ook wie zo denken dat de Schrift het geloof van Rachab en de vreze Gods van de vroedvrouwen prijst. Wie hier anders denkt dan een medechristen, hoeft die daarom niet als ongelovige te zien. Ieder moet in zijn eigen geweten voor God staan. Wie voor zo'n keuze komt te staan of er nog mee worstelt, mag God om wijsheid vragen (Jakobus 1:5) en erover spreken met zijn predikant of ouderling.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 43 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 112) wordt het negende gebod breed uitgelegd. God wil dat ik 'allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde', en dat ik 'de waarheid liefheb, oprechtelijk spreke en belijde'. Ook achterklap, lasteren en lichtvaardig oordelen vallen eronder. De catechismus houdt het gebod dus niet bij de rechtbank, maar trekt het door tot elk woord over en tegen de naaste, en ook tot het opkomen voor diens goede naam.
Een uitgewerkte uitzondering voor de noodleugen geeft de catechismus niet. Wel past het bij Zondag 43 dat waarheid en liefde samengaan (Efeze 4:15). Hoe het negende gebod samenhangt met de andere geboden, leest u bij de uitleg van de Tien Geboden.
Wat als ik gelogen heb?
Wie eerlijk naar zichzelf kijkt, weet dat het negende gebod iedereen raakt. Ook Petrus, die beloofde met Jezus te sterven, zei driemaal dat hij Hem niet kende (Lukas 22:57-60). De Heere Jezus heeft hem daarna toch opnieuw aangenomen (Johannes 21:15-17). Er is vergeving, ook voor leugens: 'Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve' (1 Johannes 1:9).
Belijden betekent dan ook: de leugen niet laten voortbestaan. Waar het kan, zegt u tegen de ander dat u niet eerlijk was en herstelt u wat u scheef gezet hebt. Zo maakt de Heere, Die Zelf de Waarheid is, van een zondaar stap voor stap een waarachtig mens.
'Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid' (Spreuken 12:19)