Bij het woord engel denken veel mensen aan een figuur in een wit gewaad met grote vleugels, of aan een mollig kindje op een kerstkaart. De Bijbel geeft een ander en veel rijker beeld. Engelen verschijnen daar als gewone voorbijgangers, als stralende boden en als hemelse wezens rondom Gods troon. Hier leest u wat de Schrift over hun verschijning zegt, waar zij zwijgt, en waarom de boodschap van een engel altijd belangrijker is dan zijn uiterlijk.
Wat zijn engelen volgens de Bijbel?
Het Hebreeuwse woord malach en het Griekse woord angelos betekenen allebei bode: iemand die met een boodschap gezonden wordt. De Bijbel noemt hen geesten: 'Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen?' (Hebreeën 1:14). Ook Psalm 104:4 zegt dat God Zijn engelen geesten maakt en Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
Engelen zijn door God geschapen, met al het andere, zienlijk en onzienlijk (Kolossenzen 1:16). Omdat zij geesten zijn, hebben zij van zichzelf geen lichaam zoals wij. Daarom zien mensen hen gewoonlijk niet. Wordt een engel toch gezien, dan laat God de engel zichtbaar verschijnen of opent Hij de ogen van een mens. Zo zag de knecht van Elisa ineens de berg vol vurige paarden en wagens rondom zijn meester (2 Koningen 6:17). Meer bijbelteksten over het werk van engelen en hun plaats in Gods schepping vindt u bij wat de Bijbel over engelen zegt.
Hoe ziet een engel eruit als hij aan mensen verschijnt?
Opvallend vaak zien engelen eruit als gewone mannen. Abraham zat op het heetst van de dag in de deur van zijn tent, 'en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem' (Genesis 18:2). Hij liet water halen, zette hun een maaltijd voor, en zij aten (Genesis 18:8). Een van de drie spreekt daarna als de HEERE Zelf (Genesis 18:13). De andere twee gaan naar Sodom en worden daar uitdrukkelijk engelen genoemd (Genesis 19:1). Toch zien Lot en de inwoners van de stad niets anders in hen dan mannen (Genesis 19:5).
Daarom schrijft de brief aan de Hebreeën: 'Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd' (Hebreeën 13:2). Onwetend, want aan hun voorkomen was niets bijzonders te zien. Daaruit volgt niet dat elke vreemdeling een engel is. De schrijver roept op tot gastvrijheid, omdat God door de gewoonste ontmoeting kan werken.
Ook in het Nieuwe Testament verschijnen engelen in mensengestalte. Bij het lege graf staan twee mannen in blinkende klederen (Lukas 24:4), en bij de hemelvaart van de Heere Jezus staan er twee mannen in witte kleding bij de discipelen (Handelingen 1:10). Vleugels, een stralenkrans of een harp worden bij deze verschijningen niet genoemd. Over Gabriël en Michaël, die de Bijbel bij naam noemt, leest u meer bij wie de aartsengelen zijn.
Waarom schrikken mensen van een engel?
Er zijn ook verschijningen waarin een engel overweldigend is. Bij het graf daalde een engel uit de hemel neer en wentelde de steen af. Mattheüs beschrijft hem zo: 'En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw' (Mattheüs 28:3). De wachters werden van schrik als doden (Mattheüs 28:4). In het veld bij Bethlehem was het niet anders: 'En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze' (Lukas 2:9).
Het licht dat de herders zagen, was de heerlijkheid des Heeren. De engel straalt iets uit van God, in Wiens nabijheid hij leeft. De Heere Jezus zegt van de engelen van de kleinen dat zij in de hemel altijd het aangezicht van Zijn Vader zien (Mattheüs 18:10). Daarom begint een engel zo vaak met dezelfde woorden: vrees niet. Dat zegt de engel tegen Zacharias (Lukas 1:13), tegen de herders (Lukas 2:10) en tegen de vrouwen bij het graf (Mattheüs 28:5).
Wat daarop volgt, is steeds goed nieuws. De engel bij de herders verkondigt grote blijdschap: in de stad van David is de Zaligmaker geboren, Christus de Heere (Lukas 2:11). De engel bij het graf zegt dat Jezus is opgestaan (Mattheüs 28:6). Het uiterlijk van een engel is nooit het doel van zijn komst. Hij wijst van zichzelf af, naar Christus. Petrus schrijft zelfs dat de engelen begerig zijn in te zien in het Evangelie dat aan ons verkondigd is (1 Petrus 1:12).
Hoe zien engelen eruit bij de troon van God?
Naast boden die naar mensen gezonden worden, beschrijft de Bijbel hemelse wezens rondom Gods troon: serafs en cherubs. De Bijbel noemt hen niet met zoveel woorden engelen, maar de kerk heeft hen altijd tot de engelen gerekend. Jesaja zag de Heere zitten op een hoge en verheven troon (Jesaja 6:1), en boven Hem de serafs: 'een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij' (Jesaja 6:2). Zij riepen elkaar toe dat de HEERE der heirscharen heilig, heilig, heilig is (Jesaja 6:3). Het verband leest u in de uitleg van Jesaja 6. Volgens Johannes zag Jesaja daar de heerlijkheid van Christus (Johannes 12:41). Hoe God Zich aan mensen laat kennen, leest u bij de vraag of God een gedaante heeft.
Cherubs komen al vroeg in de Bijbel voor. Na de zondeval stelde God cherubs aan de oostkant van de hof van Eden, met een vlammend zwaard, om de weg naar de boom des levens te bewaren (Genesis 3:24). Gouden cherubs stonden op de ark van het verbond, met hun vleugels uitgebreid over het verzoendeksel (Exodus 25:20). Ezechiël zag hen in een gezicht: 'En elkeen had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends' (Ezechiël 10:14). Elk had vier vleugels, en hun lichaam en vleugels waren vol ogen rondom (Ezechiël 10:12, 21).
Zulke beschrijvingen zijn geen foto's. Ezechiël spreekt telkens van een gelijkenis (Ezechiël 1:5): hij zoekt woorden voor wat boven menselijke woorden uitgaat. Ook Johannes ziet rond de troon vier dieren met elk zes vleugels, die net als de serafs God heilig noemen (Openbaring 4:8). Wat deze gezichten willen laten zien, is de heiligheid en majesteit van God, voor Wie zelfs de hoogste schepselen zich bedekken.
Hebben alle engelen vleugels?
Nee. Vleugels noemt de Bijbel vooral bij serafs en cherubs. Bij de engelen die als boden naar mensen komen, zoals bij Abraham, Lot, de herders en de vrouwen bij het graf, beschrijft de Bijbel geen vleugels. Wel zegt Daniël dat de man Gabriël snel kwam aangevlogen (Daniël 9:21), en ziet Johannes een engel vliegen in het midden van de hemel (Openbaring 14:6). Hoe dat eruitzag, vertelt de Schrift niet. De bekende engel met grote witte vleugels is dus een samenvoeging: de vleugels van de serafs en cherubs op de gestalte van een bode die als man verscheen.
De mollige kindjes met vleugeltjes op schilderijen en kerstkaarten komen uit de kunst en niet uit de Bijbel. Schilders van de renaissance en de barok namen het klassieke beeld van Amor of Cupido over en lieten het ook in religieuze voorstellingen terugkomen. In de Bijbel verschijnt een engel nooit als klein kind, en met de cherubs die de heerlijkheid des HEEREN dragen (Ezechiël 10:18-19) hebben deze figuurtjes weinig gemeen.
Dat is meer dan smaak. Wie engelen alleen als lieflijke figuurtjes kent, mist iets van hun ontzag en van hun plaats. Engelen zijn dienaren. Toen Johannes voor de voeten van een engel neerviel, zei die: 'Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht' (Openbaring 22:9). Paulus waarschuwt tegen de dienst der engelen (Kolossenzen 2:18). De engelen aanbidden zelf de Zoon (Hebreeën 1:6), en daar wijzen zij ook ons heen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenis spreekt sober over engelen en blijft bij wat de Schrift zegt. Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God ook de engelen goed geschapen heeft, om Zijn gezanten te zijn en Zijn uitverkorenen te dienen. Sommigen van hen zijn uit die hoge staat gevallen in het eeuwig verderf; de anderen zijn door Gods genade in hun eerste staat staande gebleven. Het artikel verwerpt de dwaling van de Sadduceeën, die ontkenden dat er geesten en engelen zijn (Handelingen 23:8). Over het uiterlijk van engelen zegt de belijdenis niets. Ook dat is veelzeggend: de kerk wilde niet meer weten dan God geopenbaard heeft.
In Zondag 49 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 124) staan de engelen als voorbeeld bij de derde bede, Uw wil geschiede. De gelovige bidt dat ieder zijn ambt en beroeping zo gewillig en getrouw waarneemt, 'als de engelen in den hemel doen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 49, vraag 124). Wat de catechismus in engelen opmerkt, is hun gehoorzaamheid en geen glans of schoonheid. Zo staan zij ook in de Bijbel: als boden die doen wat God zegt en Hem loven.
'Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords' (Psalm 103:20)