Veel mensen zeggen na een bijna-ongeluk dat zij een beschermengel hadden. Op geboortekaartjes en grafstenen komt het beeld van een persoonlijke engel vaak terug. Ook christenen vragen zich af of God aan ieder kind een eigen engel meegeeft. Hier leest u welke bijbelteksten over bescherming door engelen gaan, wat ze wel en niet zeggen, waarom de Rooms-Katholieke Kerk van een engelbewaarder spreekt en waar het vertrouwen van een christen uiteindelijk op rust.
Heeft iedereen een beschermengel volgens de Bijbel?
Het woord beschermengel komt in de Bijbel niet voor. Wel spreekt de Schrift over engelen die mensen bewaren. De bekendste tekst staat in Psalm 91: 'Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen' (Psalm 91:11). Let wel op tot wie die belofte gericht is. De psalm spreekt over wie in de schuilplaats van de Allerhoogste woont en de HEERE zijn Toevlucht en Burg noemt (Psalm 91:1-2). Het is een belofte aan wie op God vertrouwt, geen algemene uitspraak over ieder mens.
De brief aan de Hebreeën zegt hetzelfde. Over de engelen staat daar: 'Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen?' (Hebreeën 1:14). Engelen zijn dienaren die uitgezonden worden, en hun dienst geldt de gelovigen.
Geen tekst zegt dat God bij de geboorte aan ieder mens één vaste engel toewijst. De Bijbel spreekt over engelen meestal in het meervoud, als heirscharen die Gods woord en welbehagen doen (Psalm 103:20-21). Meer teksten vindt u bij wat de Bijbel over engelen zegt.
Wat bedoelt Jezus met hun engelen in Mattheüs 18:10?
De tekst die het vaakst voor een persoonlijke beschermengel wordt aangehaald, staat in Mattheüs 18. Jezus zette een kind in het midden van Zijn discipelen (Mattheüs 18:2) en waarschuwde ervoor een van deze kleinen die in Hem geloven te ergeren (Mattheüs 18:6). Dan zegt Hij: 'Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders' (Mattheüs 18:10).
Uitleggers lezen de woorden hun engelen verschillend: als een eigen engel per kind of gelovige, of als de engelen die samen de kleinen van Christus dienen. Over de hoofdzaak is geen verschil: wie in de ogen van de wereld klein is, is bij God zo kostbaar dat de engelen die hem dienen voor Gods aangezicht staan. De uitleg van Mattheüs 18 laat zien hoe dit vers past in Jezus' onderwijs over de gemeente.
Een tweede tekst staat in Handelingen 12. Toen Petrus door een engel uit de gevangenis bevrijd was (Handelingen 12:7) en aanklopte bij het huis waar de gemeente bad, geloofden de biddenden de dienstmaagd Rhode niet. Zij zeiden: 'Het is zijn engel' (Handelingen 12:15). Lukas vertelt wat zij zeiden, zonder erbij te zeggen of hun gedachte juist was. Bovendien vergisten zij zich: het was Petrus zelf. Een leer over persoonlijke engelen laat zich op deze uitroep niet bouwen.
Heb ik een beschermengel die mij tegen alles beschermt?
De Bijbel geeft gelovigen rijke troost: 'De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit' (Psalm 34:8). In de Statenvertaling staat Zich hier met een hoofdletter. Veel reformatorische uitleggers denken bij de Engel des HEEREN aan de Zoon van God Zelf (vergelijk Genesis 48:16); Calvijn las het als de engelen die God samen tot bescherming van de Zijnen zendt (Institutie I.14.6). Toen een vijandelijk leger Dothan omsingelde, zei Elisa tegen zijn knecht: 'Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn' (2 Koningen 6:16). God opende de ogen van de jongen, en hij zag de berg vol vurige paarden en wagens rondom Elisa (2 Koningen 6:17).
Toch belooft de Bijbel geen leven zonder pijn of gevaar. Juist Psalm 91:11 werd door de duivel misbruikt, toen hij Jezus op de tinne van de tempel zette en Hem uitdaagde naar beneden te springen (Mattheüs 4:5-6). Jezus antwoordde: 'Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken' (Mattheüs 4:7). Wie de belofte gebruikt als garantie tegen elk ongeluk, of als reden om roekeloos te zijn, leest haar verkeerd. Ook gelovigen worden ziek en sterven, maar ook dan zijn zij niet vergeten. Van de arme Lazarus staat dat hij bij zijn sterven door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham (Lukas 16:22).
Geen musje valt op de aarde zonder de Vader, en de haren van ons hoofd zijn alle geteld (Mattheüs 10:29-30). Daar ligt de diepste grond van alle bescherming: Gods eigen zorg. De engelen zijn daarin Zijn dienaren, nooit een vervanging van Hem. Wie na een bijna-ongeluk dankbaar is, mag die dank daarom aan God Zelf brengen.
Mag een christen tot zijn beschermengel bidden?
Nee. Engelen zijn schepselen en dienaren, geen middelaars. Toen de apostel Johannes voor een engel neerviel om hem te aanbidden, zei de engel: 'Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht' (Openbaring 22:9). Paulus waarschuwt tegen de dienst der engelen (Kolossenzen 2:18). Er is één Middelaar tussen God en de mensen, de Mens Christus Jezus (1 Timotheüs 2:5).
Daarom bidt een christen tot God en niet tot een engel. Psalm 121 laat zien naar Wie de gelovige opziet: de HEERE is zijn Bewaarder, Die niet sluimert en niet slaapt (Psalm 121:4-5). Engelenkaarten, engelenbeeldjes als geluksbrenger en pogingen om met een engel in contact te komen trekken de aandacht van Hem af.
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen geloven dat God engelen uitzendt tot dienst van de gelovigen en dat zij geen aanbidding mogen ontvangen (Openbaring 22:9). Over de vraag of ieder mens een vaste engel heeft, lopen de meningen uiteen.
- De engelbewaarder: de Rooms-Katholieke Kerk leert dat het leven van ieder mens van begin tot einde omringd is door de hoede en voorspraak van engelen, en dat naast iedere gelovige een engel staat als beschermer en herder (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 336). Zij viert op 2 oktober het feest van de Heilige Engelbewaarders. Men beroept zich vooral op Mattheüs 18:10, net als Hiëronymus in zijn commentaar op Mattheüs.
- Een persoonlijke engel als mogelijkheid: Calvijn schreef dat hij niet met zekerheid durfde te zeggen of aan iedere gelovige een afzonderlijke engel is toegewezen (Institutie I.14.7). Wie zo leest, houdt een persoonlijke engel voor mogelijk, zonder er een leerstuk van te maken.
- De engelen samen in dienst van alle gelovigen: in deze lezing zet God al Zijn engelen in voor al Zijn kinderen. Calvijn voegde op dezelfde plaats toe dat de zorg voor ons heil aan alle engelen samen is opgedragen. Dat sluit aan bij Hebreeën 1:14, waar alle engelen gedienstige geesten heten.
De Drie Formulieren van Enigheid spreken niet over een persoonlijke engel. Een verschil in uitleg van Mattheüs 18:10 maakt niemand een ongelovige. Anders wordt het waar een engel aangeroepen of vereerd wordt: daar staat de eer van God en van Christus als enige Middelaar op het spel (1 Timotheüs 2:5). Over de engelen die de Bijbel bij naam noemt, leest u meer bij wie de aartsengelen zijn.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God ook de engelen goed geschapen heeft, om Zijn boden te zijn en Zijn uitverkorenen te dienen. Over een vaste engel per mens zegt het artikel niets. Artikel 26 belijdt dat wij alleen door Jezus Christus, onze enige Middelaar en Voorspraak, toegang hebben tot de Vader, zodat wij bij geen schepsel een andere voorspraak hoeven te zoeken (Hebreeën 4:16).
Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus spreekt over Gods voorzienigheid. De vrucht daarvan is een goed toevoorzicht op onze getrouwe God en Vader, 'dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren noch bewegen kunnen' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 10, vraag 28). Ook de engelen zijn zulke schepselen in Gods hand. In Zondag 1 belijdt de gelovige zo door Christus bewaard te worden, dat zonder de wil van de hemelse Vader geen haar van zijn hoofd kan vallen (Lukas 21:18). Wie door een engel bewaard wordt, ontvangt die bewaring uit de hand van deze Vader.
'De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren' (Psalm 121:7)