Het visioen van Gods heiligheid (Jesaja 6:1-4)
Jesaja hoofdstuk 6 opent met een van de meest indrukwekkende visioenen in de hele Bijbel. In het jaar dat koning Uzzia stierf - rond 740 v.Chr. - zag Jesaja de Heer gezeten op een hoge en verheven troon. Dit was een keerpunt, niet alleen voor Juda maar ook persoonlijk voor de profeet.
De serafs, vurige engelenwezens, riepen elkaar toe: 'Heilig, heilig, heilig is de HEER van de legermachten!' Deze drievoudige herhaling benadrukt Gods absolute heiligheid. De hele aarde is vervuld van zijn heerlijkheid. De drempels trilden bij hun stem en het huis werd vervuld met rook - tekenen van Gods majesteitelijke aanwezigheid.
Jesaja's reactie: bewustwording van zonde (Jesaja 6:5)
Wanneer Jesaja geconfronteerd wordt met Gods heiligheid, is zijn eerste reactie niet vreugde maar verschrikking: 'Wee mij, want ik ga ten onder!' Hij beseft plotseling hoe zondig hij is - vooral zijn onreine lippen. In het licht van Gods perfecte heiligheid wordt onze menselijke onvolkomenheid pijnlijk duidelijk.
Dit is een fundamenteel aspect van een echte ontmoeting met God. Pas wanneer we onze zondigheid erkennen, kunnen we Gods genade werkelijk waarderen. Jesaja spreekt niet alleen over zichzelf, maar ook over zijn volk dat eveneens onreine lippen heeft.