Psalm 121 is het bekendste van de vijftien pelgrimsliederen (Psalm 120-134) en telt acht verzen. In de Statenvertaling begint de psalm zo: 'Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft' (vers 1-2). Het slot belooft: 'De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid' (vers 8). Het is bij uitstek een reispsalm: een psalm over de bergen, gezongen door wie onderweg was naar Jeruzalem.
Ik hef of ik sla mijn ogen op? Psalm 121 vers 1 in de vertalingen
De Statenvertaling leest vers 1 als een mededeling: 'Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.' Vertalingen die 'Ik sla mijn ogen op naar de bergen' schrijven, lezen het tweede deel vaak als een vraag, die dan in vers 2 wordt beantwoord. Het Hebreeuws kent hier geen vraagteken, dus beide lezingen zijn verdedigbaar en de strekking blijft gelijk: de hulp komt niet van de bergen zelf, maar van de HEERE Die ze gemaakt heeft.
Het oude woord 'vanwaar' (ook geschreven als 'van waar') betekent eenvoudig 'waarvandaan'. Vertalingen in eenvoudig Nederlands, zoals de Bijbel in Gewone Taal en de BasisBijbel, maken er een gewone vraag van: waar komt mijn hulp vandaan? Waar de Statenvertaling in vers 3 tot 5 'Bewaarder' zegt, kiezen andere vertalingen 'Hoeder' of 'Beschermer' voor hetzelfde Hebreeuwse woord shomer.
Inleiding tot Psalm 121
Psalm 121 behoort tot de meest geliefde en troostrijke psalmen in de Bijbel. Het is een van de vijftien 'pelgrimsliederen' (Shir ha-Ma'alot) die werden gezongen tijdens de reis naar Jeruzalem voor de grote feesten. Deze psalm spreekt over Gods onwankelbare bescherming en constante zorg voor zijn volk.