Het Nederlands heeft opvallend veel woorden voor dezelfde daad: loven, prijzen, roemen, danken, lofzang, loflied, lofspraak, lofprijs. Een lofzang of loflied is de gezongen vorm; lofspraak is de gesproken vorm, iemand met woorden eren; lofprijzing is het verzamelwoord dat in kerkelijk taalgebruik het geheel aanduidt. Ook het woord ode betekent loflied, al is de ode van een psalm altijd op God gericht en niet op een mens. Loven zelf betekent van oorsprong: iemand goed noemen, hardop prijzen.
In het Hebreeuws liggen daar verschillende werkwoorden onder, en de psalmen gebruiken ze naast elkaar. De aanhalingen hieronder komen uit de Statenvertaling:
- hallal — uitbundig roemen. Hiervan komt halleluja, “looft de HEERE”. Van dezelfde stam komt tehillah, lofzang; het meervoud tehilliem is de Hebreeuwse naam van het bijbelboek Psalmen.
- jadah — danken en belijden, met de hand uitgestrekt. Hiervan komt todah, dankzegging.
- barak — knielen, zegenen. Het is het werkwoord onder “Loof den HEERE, mijn ziel” (Psalm 103:1).
- zamar — zingen bij snarenspel. Psalm 33:2 zet het naast elkaar: “Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.”
Hoe verhoudt lofprijzing zich dan tot aanbidding? Die twee worden vaak in één adem genoemd. Veel kerken maken er een onderscheid in: lofprijzing gaat dan over wat God heeft gedaan, aanbidding over wie Hij is. Dat is een bruikbaar onderscheid, maar geen indeling die de Bijbel zelf maakt — de psalmen lopen moeiteloos van het een in het ander over. Psalm 145:3 doet beide in één regel: “De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.”