Inleiding tot Psalm 139
Psalm 139 behoort tot de meest geliefde en diepzinnige psalmen uit de Bijbel. Deze psalm van David onthult op prachtige wijze de intieme relatie tussen God en de mens. In vier duidelijke delen toont David hoe God ons volledig kent, overal aanwezig is, ons wonderlijk heeft geschapen, en hoe wij daarop kunnen reageren.
Gods Alwetendheid - Verzen 1-6
'HEERE, U doorziet mij en U kent mij.' Met deze krachtige openingswoorden begint David zijn lofzang op Gods volledige kennis van de mens. God kent niet alleen onze gedachten voordat we ze denken, maar ook onze woorden voordat we ze uitspreken. Dit is geen kille, controlerende kennis, maar een liefdevolle, zorgzame betrokkenheid.
David erkent dat Gods kennis te hoog en te wonderlijk voor hem is. Deze verzen bieden grote troost: God kent onze worstelingen, onze vreugde, onze angsten en onze hoop. Er is geen gebied in ons leven dat voor Hem verborgen blijft.
Gods Alomtegenwoordigheid - Verzen 7-12
In het tweede deel beschrijft David Gods alomtegenwoordigheid op poëtische wijze. Van de hemel tot het dodenrijk, van het oosten tot het westen - overal is God aanwezig. Zelfs de duisternis kan ons niet voor God verbergen, want voor Hem zijn duisternis en licht hetzelfde.
Deze waarheid heeft twee kanten: het is onmogelijk om voor God te vluchten (wat troost kan bieden in moeilijke tijden), maar het betekent ook dat we ons niet voor onze zonden kunnen verstoppen.