Inleiding tot Psalm 91
Psalm 91 wordt vaak de 'veiligheidpsalm' genoemd en behoort tot de meest geliefde en geciteerde psalmen van de Bijbel. Deze krachtige tekst spreekt over Gods absolute bescherming en de veiligheid die gelovigen kunnen vinden onder Zijn hoede. De psalm begint met een prachtige belofte: wie in de schuilplaats van de Allerhoogste woont, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
De Schuilplaats van de Allerhoogste (verzen 1-2)
De twee openingsverzen luiden in de Statenvertaling: "Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen" (vers 1) en "Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!" (vers 2). Vers 1 spreekt in de derde persoon, als een vaststelling; in vers 2 maakt de dichter die vaststelling persoonlijk. Dat verschil is de sleutel tot het hele lied: bescherming is geen automatisme, maar hangt samen met het vertrouwen dat iemand uitspreekt.
De opening van de psalm introduceert twee belangrijke beelden: de 'schuilplaats' (Hebreeuws: sether) en de 'schaduw' van God. Deze metaforen verwijzen naar volledige bescherming, zoals een vogel zijn jongen beschermt onder zijn vleugels. Het woord 'wonen' suggereert niet een tijdelijk bezoek, maar een permanente verblijfplaats. Degene die werkelijk vertrouwt op God, vindt in Hem een blijvende toevlucht.