Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~1e eeuw n.Chr.

De zeven diakenen in de Bijbel

Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs (Grieks) - “Diaken betekent dienaar”

Wie waren de zeven diakenen?

De zeven diakenen waren de mannen die de gemeente in Jeruzalem koos om de dagelijkse zorg voor de weduwen te regelen: Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs (Handelingen 6:5). De apostelen legden hun de handen op. Het woord diaken staat niet in de tekst, maar hun taak heet daar "bediening" (diakonia), dienst.

De zeven diakenen staan in Handelingen 6:1-7. Twee van hen krijgen daarna een eigen geschiedenis: Stefanus in Handelingen 6:8 tot 7:60, en Filippus in Handelingen 8 en 21:8. De andere vijf worden alleen in Handelingen 6:5 bij naam genoemd. De Statenvertaling schrijft hun namen als Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaus; wij schrijven Nicolaüs. De aanleiding was een klacht. In de snel groeiende gemeente van Jeruzalem ontstond "een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden" (Handelingen 6:1). De twaalf apostelen riepen de gelovigen bijeen. Zij zeiden dat het niet goed was dat zij het Woord van God zouden nalaten om de tafels te bedienen. De gemeente moest zeven mannen zoeken "die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid" (Handelingen 6:3). De apostelen zelf zouden volharden in het gebed en in de bediening van het Woord. Het voorstel viel goed. De gemeente koos zeven mannen, de apostelen baden en legden hun de handen op, en Lukas besluit: "En het woord Gods wies" (Handelingen 6:7). Over de naam diaken nog dit. Het woord diaken komt in Handelingen 6 niet voor. Wel gebruikt Lukas het Griekse werkwoord voor dienen ("de tafelen dienen") en het zelfstandig naamwoord diakonia, dat de Statenvertaling met "bediening" vertaalt. Later noemt hij hen eenvoudig "de zeven" (Handelingen 21:8). Dat zij de eerste diakenen waren, is een uitleg die al vroeg in de kerk opkwam en die de reformatorische kerken overnamen. De zeven zijn niet te verwarren met de twaalf apostelen. Filippus uit deze groep is ook niet dezelfde als de apostel Filippus uit Bethsaïda. Lukas noemt hem in Handelingen 21:8 "Filippus, den evangelist".

Historische context

Handelingen 6 speelt in Jeruzalem, enkele jaren na Pinksteren; een precies jaar geeft Lukas niet. De gemeente was snel gegroeid: op de Pinksterdag kwamen er "omtrent drie duizend zielen" bij (Handelingen 2:41), en kort daarna lezen wij: "het getal der mannen werd omtrent vijf duizend" (Handelingen 4:4). De gelovigen deelden hun bezit, en "aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had" (Handelingen 4:35). Weduwen hadden in die samenleving vaak geen eigen inkomen. De wet van Mozes droeg Israël al op om voor "de wees en de weduwe" te zorgen (Deuteronomium 14:29). Ook in de synagogen bestond armenzorg; latere joodse bronnen beschrijven een vaste inzameling en uitdeling, maar hoe die in de eerste eeuw precies werkte, is onzeker. In de gemeente in Jeruzalem was er een "dagelijkse bediening", waarschijnlijk een uitdeling van voedsel of levensonderhoud. De "Grieksen" in Handelingen 6:1 waren geen heidenen, maar Joden die Grieks spraken. Velen van hen waren uit de verstrooiing naar Jeruzalem gekomen, uit plaatsen als Cyrene, Alexandrië, Cilicië en Azië (Handelingen 6:9). De Statenvertaling noemt dezelfde groep elders "de Griekse Joden" (Handelingen 9:29). De "Hebreen" waren de Joden uit het land zelf, die Aramees spraken. Weduwen uit de verstrooiing hadden in Jeruzalem vaak geen familie die voor hen zorgde, wat hun achterstelling extra pijnlijk maakte. Alle zeven namen zijn Grieks. Dat wijst er volgens veel uitleggers op dat de gemeente mannen koos uit de groep die zich tekortgedaan voelde, al droegen ook Joden uit het land soms Griekse namen, zoals de apostelen Andreas en Filippus. Nicolaüs was "een Jodengenoot van Antiochie", een heiden die Jood was geworden. Hij is de eerste gelovige van heidense afkomst die Lukas in Handelingen bij naam noemt, uit de stad waar later de eerste gemengde gemeente zou ontstaan (Handelingen 11:19-26). De handoplegging had een voorbeeld in het Oude Testament: Mozes legde Jozua de handen op toen hij hem aanstelde voor het volk (Numeri 27:18-23). Ook het delen van de last kende een voorbeeld: Mozes kreeg zeventig oudsten om met hem "den last van dit volk" te dragen (Numeri 11:17). Kort daarna brak de vervolging uit na de dood van Stefanus, en de gemeente werd verstrooid, "behalve de apostelen" (Handelingen 8:1). Wat er daarna van de weduwenzorg werd, vertelt Lukas niet. Enkele jaren later ging de hulp uit Antiochië naar "de ouderlingen" in Judea (Handelingen 11:30). In de brieven van Paulus zijn diakenen een vaste dienst naast de opzieners (Filippenzen 1:1; 1 Timotheüs 3:8-13).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Een goed getuigenis, vol van de Heilige Geest en wijsheid (Handelingen 6:3)
  • Bereid om praktisch te dienen, zodat de apostelen het Woord konden bedienen (Handelingen 6:2-4)
  • Bij Stefanus: vol van geloof en kracht (Handelingen 6:8)
  • Bij Filippus: hij predikte Christus in Samaria (Handelingen 8:5)

Theologische betekenis

Handelingen 6 gebruikt hetzelfde woord voor twee taken. De weduwen werden verzuimd in de dagelijkse "bediening" (diakonia), de apostelen wilden niet "de tafelen dienen", en zij zelf zouden volharden "in de bediening des Woords" (Handelingen 6:4), opnieuw diakonia. Beide taken zijn dienst; het onderscheid zit in de opdracht, niet in de waarde van het werk. Het gezag bleef wel bij de apostelen: zij stelden de zeven aan (Handelingen 6:3, 6:6). Zo is het allemaal dienst aan Christus, die zei: "Ik ben in het midden van u, als een die dient" (Lukas 22:27). De reformatorische kerken lezen Handelingen 6 als het begin van het diakenambt. Calvijn zag in de zeven de eerste diakenen (Institutie IV.3.9), aangesteld voor de zorg voor de armen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt in artikel 30 naast de dienaren van het Woord ook opzieners en diakenen, opdat de armen en bedroefden geholpen en vertroost worden naar wat zij nodig hebben. Het klassieke formulier om ouderlingen en diakenen te bevestigen verwijst voor de oorsprong van de diakenen naar Handelingen 6. In deze lezing is de diaken een dienaar van de barmhartigheid van Christus aan Zijn gemeente. Er zijn ook redenen voor voorzichtigheid. Lukas noemt de zeven nergens diakenen, en de twee die wij kennen, deden veel meer dan tafeldienst: Stefanus deed "wonderen en grote tekenen onder het volk" (Handelingen 6:8) en Filippus werd evangelist. Daarom zien sommige uitleggers in de zeven eerder leiders van de Griekssprekende gelovigen, of een eenmalige regeling voor een bepaalde nood. Een lijn naar de diakenen van Filippenzen 1:1 en 1 Timotheüs 3 ligt voor de hand, maar de tekst trekt die lijn niet zelf. Wat vaststaat: de gemeente erkende al vroeg een eigen dienst van zorg en barmhartigheid, met eisen aan wie die dienst deed. Opvallend is ook de volgorde. De apostelen schoven de zorg niet af als minder belangrijk; zij vroegen mannen "vol des Heiligen Geestes en der wijsheid". Geestelijke gaven waren nodig voor iets wat er van buiten praktisch uitzag. En toen de zorg goed geregeld was, "wies" het woord Gods (Handelingen 6:7). Barmhartigheid en prediking staan in Handelingen niet tegenover elkaar, maar dragen elkaar.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs (Grieks)

Betekenis

Diaken betekent dienaar

Sleutelmomenten

1

Klacht over de weduwen

In de groeiende gemeente klagen de Griekssprekende gelovigen dat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging worden overgeslagen.

Handelingen 6:1

2

Woord en gebed

De twaalf apostelen roepen de gemeente samen. Zij willen het Woord niet nalaten om de tafels te dienen en vragen zeven mannen met een goed getuigenis, vol van de Geest en wijsheid.

Handelingen 6:2-4

3

Zeven mannen gekozen en aangesteld

Het voorstel behaagt de hele gemeente. Zij kiest Stefanus, "een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes", en Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs. De apostelen bidden en leggen hun de handen op, als teken van aanstelling voor deze taak.

Handelingen 6:5-6

4

Het Woord groeit

Nu de zorg geregeld is, groeit het Woord van God. Het aantal discipelen in Jeruzalem neemt sterk toe, en een grote schare priesters komt tot geloof.

Handelingen 6:7

5

Stefanus sterft als getuige

Stefanus, de eerstgenoemde van de zeven, getuigt voor de raad en wordt gestenigd. Hij bidt: "Heere, reken hun deze zonde niet toe!"

Handelingen 7:59-60

6

Filippus in Samaria

In de vervolging wordt de gemeente verstrooid. Filippus predikt Christus in de stad van Samaria, en er wordt grote blijdschap in die stad.

Handelingen 8:5-8

7

Een van de zeven

Op weg naar Jeruzalem verblijven Paulus en Lukas in Caesarea bij "Filippus, den evangelist (die een was van de zeven)". Het is de enige keer dat de groep later nog genoemd wordt.

Handelingen 21:8

8

Diakenen in de gemeenten

Paulus schrijft Timotheüs aan welke eisen diakenen moeten voldoen: eerbaar, niet tweetongig, eerst beproefd en dan dienend.

1 Timotheüs 3:8-10

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de zeven diakenen beter te begrijpen.

Handelingen 6:1

“En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden.”

De aanleiding. De Grieksen zijn Griekssprekende Joden, de Hebreen Joden uit het land. "Bediening" is hier de dagelijkse verzorging.

Handelingen 6:2

“En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen.”

De apostelen nemen de klacht serieus, maar willen hun eigen roeping niet verwaarlozen.

Handelingen 6:3

“Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.”

De eisen voor wie de zorg op zich neemt. De gemeente kiest, de apostelen stellen aan.

Handelingen 6:5

“En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkoren Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochie;”

De zeven namen, allemaal Grieks. Nicolaüs was een proseliet, een heiden die Jood was geworden.

Handelingen 6:6

“Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.”

Gebed en handoplegging markeren de aanstelling, zoals Mozes Jozua de handen oplegde (Numeri 27:23).

Handelingen 6:7

“En het woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam.”

Lukas sluit af met groei. De zorg voor de weduwen hinderde de prediking niet, maar diende haar.

Handelingen 21:8

“En des anderen daags, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.”

Ruim twintig jaar later noemt Lukas de groep nog eenmaal: "de zeven", niet de diakenen.

1 Timotheüs 3:8

“De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijns begeven, geen vuil-gewinzoekers;”

In de brieven van Paulus zijn diakenen een vaste dienst in de gemeente, met eigen eisen.

Tijdperiode

~1e eeuw n.Chr.

De zeven diakenen leefden in de tijd van het Nieuwe Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

De zeven leren ons dat een klacht in de gemeente niet weggewuifd mag worden. Er was onrecht, ook al was het waarschijnlijk niet zo bedoeld, en de apostelen pakten het op. Zij lieten de gemeente zelf mannen kiezen, gezien de Griekse namen vermoedelijk uit de kring van wie zich tekortgedaan voelde. Wie vandaag merkt dat sommigen buiten de boot vallen, mag dat eerlijk ter sprake brengen, en wie leiding geeft, mag luisteren en handelen. Ook leren wij dat praktische zorg geestelijk werk is. Voor het uitdelen aan weduwen werden mannen gevraagd "vol des Heiligen Geestes en der wijsheid". Diakenen, en ieder die in de gemeente zorgt voor zieken, ouderen of mensen met geldzorgen, doen werk waarvoor de Geest nodig is. De barmhartigheid van Christus wordt erin zichtbaar. Daarnaast laten de zeven zien dat taken in de gemeente verschillen, zonder dat het ene werk minder waard is dan het andere. De apostelen hielden zich aan gebed en prediking, de zeven aan de dagelijkse zorg. "Er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere" (1 Korinthe 12:5). Verder zien wij dat God mensen verder kan leiden dan hun eerste taak. Stefanus en Filippus begonnen bij de tafels en werden getuige en evangelist. Van de andere vijf weten wij alleen de namen. Hun trouw in de dagelijkse zorg staat niet beschreven, en toch zijn hun namen in de Schrift bewaard: God vergeet het werk van stille dienaren niet (Hebreeën 6:10).

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over de zeven diakenen

Wie waren de zeven diakenen in de Bijbel?
De zeven diakenen waren de mannen die de gemeente in Jeruzalem koos om de dagelijkse zorg voor de weduwen te regelen (Handelingen 6:1-6). De aanleiding was een klacht dat de weduwen van de Griekssprekende gelovigen werden overgeslagen. De apostelen vroegen mannen met een goed getuigenis, vol van de Heilige Geest en wijsheid. Na gebed legden zij hun de handen op. Twee van hen, Stefanus en Filippus, werden later bekend als martelaar en evangelist.
Hoe heetten de zeven diakenen?
Handelingen 6:5 noemt ze: Stefanus, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs. De Statenvertaling schrijft de laatste naam als Nicolaus en noemt hem "een Jodengenoot van Antiochie", een heiden die Jood was geworden. Alle zeven namen zijn Grieks. Stefanus en Filippus hebben elk een eigen geschiedenis in Handelingen; over de andere vijf vertelt de Bijbel verder niets.
Waar staan de zeven diakenen in de Bijbel?
De aanstelling van de zeven staat in Handelingen 6:1-7. Daarna volgt de geschiedenis van Stefanus (Handelingen 6:8 tot 7:60) en die van Filippus in Samaria en met de Ethiopische kamerling (Handelingen 8). In Handelingen 21:8 heet Filippus nog "Filippus, den evangelist (die een was van de zeven)". Over diakenen als vaste dienst in de gemeente schrijft Paulus in Filippenzen 1:1 en 1 Timotheüs 3:8-13.
Staat het woord diaken in Handelingen 6?
Nee. Het zelfstandig naamwoord diaken (diakonos) komt in Handelingen 6 niet voor. Wel staan er de woorden voor dienen en dienst: de weduwen werden verzuimd in de dagelijkse "bediening" (diakonia), en de apostelen wilden niet "de tafelen dienen". Lukas noemt de groep later "de zeven" (Handelingen 21:8). Dat zij de eerste diakenen waren, is een uitleg die al vroeg in de kerk opkwam en door de reformatorische kerken is overgenomen.
Waarom werden de zeven diakenen gekozen?
Er ontstond "een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden" (Handelingen 6:1). De apostelen vonden het niet goed dat zij de prediking zouden nalaten om zelf de tafels te bedienen. Daarom vroegen zij de gemeente zeven betrouwbare mannen te kiezen voor deze "nodige zaak", zodat zijzelf konden volharden in het gebed en in de bediening van het Woord (Handelingen 6:3-4).
Wie waren de Grieksen en de Hebreen in Handelingen 6?
Beide groepen waren Joden die in Jezus geloofden. De Grieksen waren Joden die Grieks spraken en vaak uit de verstrooiing kwamen, uit streken als Cyrene, Alexandrië, Cilicië en Azië (Handelingen 6:9). De Statenvertaling noemt hen in Handelingen 9:29 "de Griekse Joden". De Hebreen waren Joden uit het land zelf, die Aramees spraken. Weduwen uit de verstrooiing hadden in Jeruzalem vaak weinig familie om op terug te vallen.
Aan welke eisen moesten de zeven voldoen?
De apostelen vroegen "zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid" (Handelingen 6:3). Een goed getuigenis betekent dat anderen hen kenden als betrouwbaar. Later geeft Paulus uitgebreidere eisen voor diakenen: zij moeten eerbaar zijn, "niet tweetongig", niet aan veel wijn verslaafd, niet uit op oneerlijk gewin, en eerst beproefd worden voordat zij dienen (1 Timotheüs 3:8-10).
Was Nicolaüs de stichter van de Nikolaïeten?
Dat is onzeker en de Bijbel zegt het niet. Openbaring 2:6 en 2:15 spreken over de werken en de lering "der Nikolaieten", zonder uit te leggen wie zij waren. Irenaeus verbond hen in de tweede eeuw (Tegen de ketterijen I.26.3) met Nicolaüs uit Handelingen 6:5. Clemens van Alexandrië (Stromata, boek III) meende juist dat volgelingen een uitspraak van Nicolaüs misbruikten, terwijl hij zelf ingetogen leefde. Of er een verband is, valt niet vast te stellen. Handelingen noemt Nicolaüs alleen als een van de zeven betrouwbare mannen.
Wat deden Stefanus en Filippus na hun aanstelling?
Stefanus deed "wonderen en grote tekenen onder het volk" (Handelingen 6:8), getuigde voor de Joodse raad en werd als eerste martelaar gestenigd (Handelingen 7:59-60). Filippus predikte na de verstrooiing Christus in Samaria en doopte de Ethiopische kamerling (Handelingen 8). Later woonde hij in Caesarea en heette hij "Filippus, den evangelist" (Handelingen 21:8).
Waren de zeven diakenen alleen mannen?
Ja. De apostelen vroegen uitdrukkelijk om "zeven mannen" (Handelingen 6:3), en de zeven namen zijn allemaal namen van mannen. Of vrouwen later een vergelijkbare dienst hadden, is een andere vraag. Die komt op bij Febe, die Paulus "een dienares" van de gemeente te Kenchreën noemt (Romeinen 16:1), en bij "de vrouwen" in 1 Timotheüs 3:11. Uitleggers en kerken beantwoorden die vraag verschillend. Calvijn en de reformatorische kerken lezen "de vrouwen" in 1 Timotheüs 3:11 gewoonlijk als de vrouwen van de ambtsdragers en kennen het ambt van diaken alleen aan mannen toe; zie ook de pagina over Febe.
Wat is de taak van een diaken volgens de gereformeerde kerken?
In de gereformeerde traditie is de diaken een ambtsdrager naast de dienaar van het Woord en de ouderling. De Nederlandse Geloofsbelijdenis (artikel 30) noemt diakenen, opdat de armen en bedroefden geholpen en vertroost worden naar wat zij nodig hebben. Het bevestigingsformulier verwijst voor hun oorsprong naar Handelingen 6. De diaken zorgt voor de inzameling en uitdeling van de gaven, bezoekt wie in nood is en laat zo de barmhartigheid van Christus zien.
Wat kunnen wij leren van de zeven diakenen?
De zeven leren ons dat zorg voor kwetsbaren geen bijzaak is in de gemeente. Een klacht werd serieus genomen en ordelijk opgelost. Voor praktisch werk werden mannen gevraagd die vol waren van de Geest en wijsheid, want ook zorg is geestelijk werk. En de apostelen en de zeven hadden verschillende taken, zonder dat het ene werk minder waard was dan het andere. Toen de zorg geregeld was, "wies" het woord Gods (Handelingen 6:7).

Stel een vraag over de zeven diakenen

Wilt u meer weten over de zeven diakenen? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over de zeven diakenen

Bijbelverhalen rond de zeven diakenen

Verdiep u verder