Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~30 n.Chr.

Gamaliël in de Bijbel

Gamliël (גַּמְלִיאֵל, Hebreeuws) of Gamaliël (Grieks) - “Waarschijnlijk God is mijn vergelder”

Wie was Gamaliël?

Gamaliël was een Farizeeër en "een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk" (Handelingen 5:34). Toen de raad in Jeruzalem de apostelen wilde doden, raadde hij aan hen te laten gaan: wat uit God is, kunnen mensen niet breken. Paulus was in zijn jeugd zijn leerling.

Gamaliël komt in het Nieuwe Testament maar twee keer voor, beide keren in het boek Handelingen. In Handelingen 5 houdt hij in de Joodse raad een korte toespraak die de apostelen het leven redt. In Handelingen 22 noemt Paulus hem als de leraar bij wie hij in Jeruzalem de wet had geleerd. Meer zegt de Bijbel niet over hem, en toch wordt zijn uitspraak in de raad nog vaak aangehaald. Lukas stelt hem zo voor: "Maar een zeker Farizeer stond op in den raad, met name Gamaliel, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk" (Handelingen 5:34). De Statenvertaling schrijft de naam zonder trema, Gamaliel; in hedendaags Nederlands is Gamaliël gangbaar. Het is een oude Hebreeuwse naam die al in het boek Numeri voorkomt. Het verhaal speelt kort na Pinksteren. De apostelen worden opnieuw voor de raad gebracht omdat zij in de naam van Jezus blijven leren. Petrus antwoordt dat men God meer gehoorzaam moet zijn dan mensen (Handelingen 5:29), en de raadsleden willen de apostelen daarop ter dood brengen. Dan laat Gamaliël de apostelen even buiten zetten en wijst hij op twee opstandelingen, Theudas en Judas de Galileeër, wier aanhang na hun dood uiteenviel. Zijn conclusie: laat deze mensen gaan, want "indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken" (Handelingen 5:38-39). De raad volgt zijn advies, al worden de apostelen eerst gegeseld. Jaren later spreekt Paulus het volk bij de tempel toe en zegt dat hij "aan de voeten van Gamaliel onderwezen" was (Handelingen 22:3). Zo verbindt Gamaliël twee lijnen in Handelingen: de bescherming van de eerste apostelen en de vorming van de man die later de apostel van de heidenen werd. Gamaliël is niet te verwarren met Gamaliël, de zoon van Pedazur, die in de woestijntijd overste was van de stam Manasse (Numeri 1:10).

Historische context

De gebeurtenis in Handelingen 5 speelt zich af in Jeruzalem, rond 30 n.Chr. of kort daarna; Lukas geeft geen jaartal. De raad die de apostelen ondervroeg, was het hoogste Joodse college. Lukas noemt het synedrion, waarvan de naam Sanhedrin is afgeleid. De hogepriester, waarschijnlijk Kajafas (vgl. Handelingen 4:6), zat het voor, en Lukas noteert dat hij en zijn kring tot "de sekte der Sadduceen" behoorden (Handelingen 5:17). Dat verklaart het gewicht van Gamaliëls optreden. De Sadduceeën ontkenden de opstanding van de doden (Handelingen 23:8), en zij waren er al eerder ontstemd over dat de apostelen "in Jezus de opstanding uit de doden" verkondigden (Handelingen 4:2). De Farizeeën geloofden wel in de opstanding. Zij hadden minder macht in het tempelbestuur, maar veel gezag onder het volk. De Joodse geschiedschrijver Josephus schrijft in zijn Joodse oudheden (boek 18) dat de Sadduceeën in het bestuur vaak moesten toegeven aan wat de Farizeeën zeiden, omdat het volk hen anders niet zou dulden. Lukas zegt iets vergelijkbaars: Gamaliël werd "in waarde gehouden bij al het volk". Hij was niet de enige Farizeeër die tot voorzichtigheid maande. Eerder had Nikodemus, "een overste der Joden" (Johannes 3:1), zijn ambtgenoten voorgehouden: "Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?" (Johannes 7:51). Gamaliël noemt twee voorbeelden. Theudas trok omtrent vierhonderd man achter zich aan en kwam om; Judas de Galileeër stond op "in de dagen der beschrijving" en ging eveneens ten onder (Handelingen 5:36-37). Josephus vermeldt in zijn Joodse oudheden een opstand van een Judas uit Galilea tegen een Romeinse volkstelling rond 6 n.Chr. Hij noemt ook een Theudas, maar plaatst diens optreden rond 45 n.Chr., dus na de toespraak van Gamaliël. Sommige uitleggers denken aan een andere, eerdere Theudas, omdat de naam vaker voorkwam; anderen menen dat Josephus zich vergist. Zeker is het niet. Buiten de Bijbel komt Gamaliël vooral voor in de rabbijnse literatuur, waar hij Rabban Gamaliël de Oude heet. Volgens de latere joodse overlevering was hij een kleinzoon van de bekende leraar Hillel, en de Misjna zegt dat met zijn dood de eer van de Thora ophield. Josephus noemt in zijn autobiografie een Simon, zoon van Gamaliël, als vooraanstaand Farizeeër in Jeruzalem in de tijd van de Joodse opstand. Die gegevens zijn later opgeschreven en niet alle even zeker. De uitdrukking "aan de voeten" (Handelingen 22:3) is een gewone aanduiding voor leerlingschap. Paulus groeide op in Jeruzalem en noemt zichzelf "een Farizeer, eens Farizeers zoon" (Handelingen 23:6). Wanneer die opleiding precies plaatsvond, en of Saulus bij deze raadszitting aanwezig was, vermeldt de tekst niet. Bij de steniging van Stefanus wordt hij nog een jongeling genoemd (Handelingen 7:58).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Gezaghebbend en geacht: "in waarde gehouden bij al het volk" (Handelingen 5:34)
  • Bezonnen: hij liet de apostelen buiten zetten en vroeg de raad na te denken voordat men besloot (Handelingen 5:35)
  • Hij leerde uit de geschiedenis van eerdere bewegingen (Handelingen 5:36-37)
  • Ontzag voor God: hij waarschuwde ervoor niet tegen God te strijden (Handelingen 5:39)
  • Een leraar die zijn leerlingen grondig in de wet onderwees (Handelingen 22:3)

−Zwakke kanten

  • Afwachtend: hij liet het oordeel aan de afloop over (Handelingen 5:38-39), terwijl de apostelen al openlijk hadden gekozen (Handelingen 5:29)
  • Voorzichtig: hij pleitte voor vrijlating, maar sprak geen oordeel uit over wat de apostelen leerden (Handelingen 5:38-39)

Theologische betekenis

De woorden van Gamaliël hebben in Handelingen een eigen plaats. Lukas laat een gerespecteerd Joods leraar zeggen wat het hele boek laat zien: het werk van de apostelen is niet te stuiten, omdat het uit God is. Direct na de toespraak noteert hij dat de apostelen niet ophielden "allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen" (Handelingen 5:42), en kort daarna dat "het woord Gods wies" (Handelingen 6:7). Zonder het te bedoelen, sprak Gamaliël een waarheid uit die de Schrift ook elders leert: "Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE" (Spreuken 21:30). Toch is zijn redenering geen algemene maatstaf. Gamaliël oordeelt naar de afloop: wat uit mensen is, gaat vanzelf ten onder. Maar niet alles wat lang standhoudt is uit God, en wat uit God is, kan een tijd verdrukt lijken. De Bijbel toetst een leer aan het woord van God, niet aan succes. Het verschil met de apostelen is daarom duidelijk. Petrus had zich al uitgesproken: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen" (Handelingen 5:29). Gamaliël bleef in het midden en wachtte af. Jezus zei: "Wie met Mij niet is, die is tegen Mij" (Mattheüs 12:30). Voorzichtigheid kan verstandig zijn in een raadszaal, maar is geen antwoord op de vraag wie Jezus is. Tegelijk laat deze geschiedenis zien hoe God mensen gebruikt die niet tot de gemeente behoren. Een Farizeeër in de raad werd het middel waardoor de apostelen het leven behielden. Wat de Heidelbergse Catechismus over Gods voorzienigheid belijdt (zondag 10), dat God alle dingen regeert, wordt hier concreet: ook de raad van de machtigen staat onder Zijn bestuur. "In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan" (Spreuken 19:21). Ten slotte verbindt Gamaliël het Joodse onderwijs met het apostolische. Paulus kende de Schriften grondig, en hij had die kennis mede aan zijn leraar te danken. Na zijn bekering noemde hij zijn vroegere winst "om Christus' wil schade" (Filippenzen 3:7). Dat is geen minachting voor de wet, maar het besef dat alle schriftkennis tot Christus moet leiden. Dat Paulus later in de raad Farizeeën hoorde zeggen "laat ons tegen God niet strijden" (Handelingen 23:9), doet denken aan de woorden van Gamaliël.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Gamliël (גַּמְלִיאֵל, Hebreeuws) of Gamaliël (Grieks)

Betekenis

Waarschijnlijk God is mijn vergelder

Betekenis van de naam Gamaliël: grondwoord, uitspraak en wie de naam droegen

Sleutelmomenten

1

Gamaliël staat op in de raad

Na het antwoord van Petrus wil de raad de apostelen doden. Gamaliël, Farizeeër en leraar der wet, staat op en laat de apostelen een weinig buiten staan. Dan spreekt hij de raadsleden aan: zie toe wat u met deze mensen doet.

Handelingen 5:33-35

2

Theudas en Judas de Galileeër

Gamaliël herinnert aan Theudas, die omtrent vierhonderd volgelingen had, en aan Judas de Galileeër uit de dagen van de volkstelling. Beiden kwamen om, en hun aanhang werd verstrooid.

Handelingen 5:36-37

3

Indien het uit God is

Zijn advies is de apostelen met rust te laten. Is hun werk uit mensen, dan loopt het vanzelf stuk; is het uit God, dan kan niemand het breken en zou de raad tegen God zelf strijden.

Handelingen 5:38-39

4

Gegeseld en vrijgelaten

De raad volgt Gamaliël, maar laat de apostelen eerst geselen en verbiedt hun in de naam van Jezus te spreken. Zij gaan blij heen en blijven elke dag in de tempel en bij de huizen Jezus Christus verkondigen.

Handelingen 5:40-42

5

Zijn leerling vervolgt de gemeente

Na de steniging van Stefanus breekt een vervolging uit. Saulus, die bij Gamaliël in de leer was geweest, kiest niet voor de terughoudendheid van zijn leraar: hij gaat de huizen in en levert mannen en vrouwen over in de gevangenis.

Handelingen 8:1-3

6

Paulus noemt zijn leraar

Jaren later, na zijn bekering, spreekt Paulus het volk in Jeruzalem toe. Hij zegt dat hij in die stad is opgevoed en aan de voeten van Gamaliël onderwezen in de vaderlijke wet.

Handelingen 22:3

7

Niet tegen God strijden

Wanneer Paulus voor de raad staat, nemen schriftgeleerden van de Farizeeën het voor hem op met woorden die aan Gamaliël herinneren: laten wij niet tegen God strijden.

Handelingen 23:6-9

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Gamaliël beter te begrijpen.

Handelingen 5:34

“Maar een zeker Farizeer stond op in den raad, met name Gamaliel, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.”

Lukas stelt Gamaliël voor als Farizeeër en leraar der wet met groot gezag bij het volk. Hij laat de apostelen eerst buiten zetten, zodat de raad onder elkaar kan beraadslagen.

Handelingen 5:36

“Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.”

Het eerste voorbeeld: een man met aanhang die ten onder ging. Josephus noemt een Theudas, maar later; of het om dezelfde man gaat, is onzeker.

Handelingen 5:37

“Na hem stond op Judas, de Galileer in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.”

Het tweede voorbeeld, verbonden met een Romeinse volkstelling. Ook deze beweging viel na de dood van haar leider uiteen.

Handelingen 5:38

“En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.”

Het advies van Gamaliël: laat de apostelen gaan. Een beweging die alleen uit mensen voortkomt, valt vanzelf uiteen.

Handelingen 5:39

“Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.”

De bekendste woorden van Gamaliël. Wie tegen het werk van God ingaat, blijkt tegen God zelf te strijden.

Handelingen 5:40

“En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus; en lieten hen gaan.”

De raad volgt zijn advies, maar laat de apostelen toch geselen en verbiedt hun te spreken in de naam van Jezus.

Handelingen 22:3

“Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicie geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;”

Paulus noemt Gamaliël als zijn leraar. "Aan de voeten" zitten was de gewone uitdrukking voor het leerlingschap bij een leraar der wet.

Handelingen 23:9

“En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeen stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.”

Jaren later klinkt bij de Farizeeën in de raad dezelfde gedachte als bij Gamaliël. Ditmaal komt die Paulus, zijn vroegere leerling, ten goede.

Tijdperiode

~30 n.Chr.

Gamaliël leefde in de tijd van het Nieuwe Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Gamaliël leert ons om niet overhaast te oordelen. Toen de raad de apostelen in woede wilde doden, liet hij hen buiten zetten en vroeg hij zijn collega’s na te denken over wat zij gingen doen. Ook in gemeente, gezin en samenleving is het verstandig om in een opgewonden situatie eerst stil te staan, vooral wanneer het oordeel over anderen gaat. Zijn waarschuwing wijst bovendien op iets wat voor ieder mens geldt: wie tegen het werk van God ingaat, strijdt tegen God zelf (Handelingen 5:39). Dat geeft rust aan gelovigen die zien dat de kerk tegenstand ondervindt. Het werk van het evangelie hangt niet af van gunstige omstandigheden. Toch mogen wij niet blijven staan waar Gamaliël stond. Afwachten tot de geschiedenis heeft uitgewezen of iets uit God is, is geen keuze voor Christus. De apostelen kozen openlijk, ook toen het hun een geseling kostte, en zij gingen weg "verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden" (Handelingen 5:41). De vraag wie Jezus is, vraagt om een antwoord van ons zelf. Ten slotte laat de verhouding tussen Gamaliël en Paulus zien hoe God kennis en vorming kan gebruiken. Wat Saulus leerde aan de voeten van zijn leraar, werd later in dienst van het evangelie gesteld. Geen onderwijs in de Schrift is verloren wanneer God het hart vernieuwt. Dat mag ons bemoedigen om ons te verdiepen in de Bijbel en anderen er zorgvuldig in te onderwijzen.

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Gamaliël

Wie was Gamaliël in de Bijbel?
Gamaliël was een Farizeeër en "een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk" (Handelingen 5:34). Als lid van de Joodse raad in Jeruzalem voorkwam hij dat de apostelen ter dood werden gebracht. Hij wees op eerdere opstandelingen wier aanhang na hun dood uiteenviel en raadde aan de apostelen te laten gaan, want wat uit God is, kunnen mensen niet breken. Paulus vertelt later dat hij als jonge man bij Gamaliël in de leer was (Handelingen 22:3).
Wat betekent de naam Gamaliël?
De naam Gamaliël is Hebreeuws (Gamliël) en wordt meestal uitgelegd als: God is mijn vergelder, of: beloning van God. Hij is samengesteld uit een werkwoord dat weldoen of vergelden betekent en El, het woord voor God. De precieze betekenis is niet helemaal zeker, en de Bijbel legt de naam zelf niet uit. Het is een oude naam: in het boek Numeri draagt een overste van de stam Manasse hem al.
Waar staat Gamaliël in de Bijbel?
Gamaliël wordt in het Nieuwe Testament twee keer bij naam genoemd. In Handelingen 5:34-40 spreekt hij in de raad en voorkomt hij dat de apostelen gedood worden. In Handelingen 22:3 noemt Paulus hem als zijn leraar. Een andere Gamaliël, de zoon van Pedazur, staat in Numeri 1:10, 2:20, 7:54, 7:59 en 10:23; hij was overste van de stam Manasse in de woestijn.
Hoe schrijft de Statenvertaling Gamaliël?
De Statenvertaling schrijft Gamaliel, zonder trema: "met name Gamaliel, een leraar der wet" (Handelingen 5:34). In hedendaags Nederlands is Gamaliël gangbaar, met een trema dat aangeeft dat de i en de e apart worden uitgesproken. De Hebreeuwse vorm is Gamliël. In de joodse literatuur heet hij Rabban Gamaliël de Oude, om hem te onderscheiden van zijn kleinzoon Rabban Gamaliël II.
Wat zei Gamaliël tegen de raad?
Gamaliël waarschuwde de raad: "Gij Israelietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen" (Handelingen 5:35). Hij herinnerde aan Theudas en Judas de Galileeër, wier aanhang na hun dood verstrooid werd. Daarna zei hij: "Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden" (Handelingen 5:38-39).
Is het advies van Gamaliël een goede maatstaf?
De woorden van Gamaliël bevatten een bijbelse waarheid: tegen de raad van God kan niemand op (Spreuken 21:30), en Lukas laat zien dat het evangelie inderdaad niet te stuiten was (Handelingen 5:42). Maar als algemene toets schiet zijn redenering tekort. Niet alles wat standhoudt is uit God, en wat uit God is, kan een tijd onderdrukt lijken. De Schrift toetst een leer aan het woord van God, niet aan de afloop. Bovendien bleef Gamaliël afwachten, terwijl Petrus al had gezegd: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen" (Handelingen 5:29).
Wie waren Theudas en Judas de Galileeër?
Theudas en Judas de Galileeër zijn de twee voorbeelden die Gamaliël noemt (Handelingen 5:36-37). Theudas beweerde iets te zijn en kreeg omtrent vierhonderd volgelingen; hij werd gedood en zijn aanhang verstrooid. Judas de Galileeër stond op "in de dagen der beschrijving", een Romeinse volkstelling, en verging eveneens. Josephus beschrijft een opstand van een Judas tegen een census rond 6 n.Chr. Hij noemt ook een Theudas, maar rond 45 n.Chr.; of dat dezelfde man is, is onzeker.
Was Gamaliël de leraar van Paulus?
Ja. Paulus zegt in zijn verantwoording voor het volk in Jeruzalem dat hij was "opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet" (Handelingen 22:3). Aan de voeten zitten betekent: leerling zijn. Paulus werd Farizeeër, net als zijn leraar. Opvallend is dat de leerling eerst een andere houding koos dan de leraar: waar Gamaliël tot terughoudendheid opriep, ging Saulus de gemeente vervolgen (Handelingen 8:3).
Werd Gamaliël later christen?
De Bijbel zegt niet dat Gamaliël christen werd. Na Handelingen 5 komt hij in het verhaal niet meer voor, behalve in de herinnering van Paulus. Een latere christelijke overlevering, onder meer in de zogenoemde Clementijnse geschriften, beweert dat hij in het geheim gelovig was, en sommige kerken vereren hem als heilige. Dat zijn tradities zonder steun in de Schrift. In de joodse overlevering blijft hij een van de grote leraren van de wet.
Was Gamaliël een kleinzoon van Hillel?
Volgens de latere joodse overlevering was Gamaliël een kleinzoon van Hillel, een van de bekendste rabbijnen uit de tijd kort voor Christus. De Bijbel noemt Hillel niet en zegt niets over de familie van Gamaliël. De gegevens komen uit rabbijnse geschriften die later zijn opgeschreven. Ze worden vaak overgenomen, maar zijn historisch niet zeker. Wel past zijn gematigde optreden in Handelingen bij het beeld dat die geschriften van de school van Hillel geven.
Is Gamaliël dezelfde als Gamaliël, de zoon van Pedazur?
Nee. Gamaliël, de zoon van Pedazur, leefde ruim duizend jaar eerder, in de tijd van de woestijnreis. Hij was overste van de stam Manasse: "van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur" (Numeri 1:10). Hij hielp bij de telling van het volk, bracht op de achtste dag de offergave van zijn stam bij het altaar (Numeri 7:54) en voerde het leger van Manasse aan (Numeri 10:23). De Farizeeër uit Handelingen draagt dezelfde oude naam, maar is een ander persoon.
Wat kunnen wij leren van Gamaliël?
Gamaliël leert ons niet overhaast te oordelen, maar in een verhitte situatie eerst na te denken. Zijn waarschuwing om niet tegen God te strijden geldt nog steeds: wat uit God is, kunnen mensen niet breken. Dat geeft rust waar de kerk tegenstand ondervindt. Tegelijk leert zijn afwachtende houding dat voorzichtigheid nog geen geloof is. De apostelen kozen openlijk voor Christus, ook toen het hun een geseling kostte, en gingen daarna blij heen (Handelingen 5:41).

Stel een vraag over Gamaliël

Wilt u meer weten over Gamaliël? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Gamaliël

Verdiep u verder