Ga naar hoofdinhoud
JeremiaJeremia 37-38

Jeremia in de put

Gods profeet in het slijk, en een vreemdeling die hem redt

Samenvatting

Jeremia in de put is de geschiedenis uit Jeremia 37 en 38: tijdens het beleg van Jeruzalem werpen de vorsten Jeremia in een kuil vol slijk, en de Moorman Ebed-Melech laat hem met oude lappen en touwen ophalen. Jeremia brengt het woord van de HEERE dat de stad aan Babel zal vallen. Koning Zedekia laat het eerst toe, maar geeft later bevel om hem te redden.

Bijbelgedeelte

“Zo zond de koning Zedekia henen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgen, en zeide: Is er ook een woord van den HEERE? En Jeremia zeide: Er is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden.”
Jeremia 37:17 (Statenvertaling)
“Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in den kuil van Malchia, den zoon van Hammelech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.”
Jeremia 38:6 (Statenvertaling)
“Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia, dien zij in den kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege den honger, dewijl geen brood meer in de stad is.”
Jeremia 38:9 (Statenvertaling)
“En zij trokken Jeremia bij de zelen, en haalden hem op uit de kuil; en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring.”
Jeremia 38:13 (Statenvertaling)
“Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.”
Jeremia 39:18 (Statenvertaling)

Het verhaal

De geschiedenis van Jeremia in de put staat in Jeremia 37 en 38. Zij speelt in de laatste jaren van het koninkrijk Juda, toen het leger van Babel Jeruzalem belegerde. Koning Zedekia was door Nebukadnezar op de troon gezet, maar hij, zijn knechten en het volk luisterden niet naar de woorden die de HEERE sprak door de profeet Jeremia (Jeremia 37:1-2).

Wat ging er vooraf aan Jeremia in de put?

Toch liet Zedekia Jeremia vragen om voor hen tot de HEERE te bidden. Het leger van Farao was uit Egypte opgetrokken, en de Chaldeeën (de Babyloniërs) waren voor een tijd van Jeruzalem weggetrokken (Jeremia 37:3-5). De HEERE antwoordde dat het leger van Egypte naar huis zou gaan, en de Chaldeeën zouden terugkomen, de stad innemen en met vuur verbranden. "Bedriegt uw zielen niet", zei de HEERE (Jeremia 37:9).

In die tijd wilde Jeremia naar het land van Benjamin gaan. In de poort greep de wachtmeester Jerija hem en zei dat hij naar de Chaldeeën wilde overlopen. Jeremia antwoordde: "Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeen vallen" (Jeremia 37:14). Toch sloegen de vorsten hem en sloten hem op in het huis van Jonathan, de schrijver. Na veel dagen liet Zedekia hem in het geheim halen en vroeg: "Is er ook een woord van den HEERE" (Jeremia 37:17)? Het antwoord was dat de koning in de hand van de koning van Babel gegeven zou worden. Op zijn smeking liet Zedekia hem overbrengen naar het voorhof der bewaring. Daar kreeg hij elke dag een bol brood, totdat het brood in de stad op was (Jeremia 37:21).

Hoe kwam Jeremia in de modderput?

Ook vanuit het voorhof gaf Jeremia het woord van de HEERE door: wie in de stad bleef, zou sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie naar de Chaldeeën uitging, zou leven (Jeremia 38:2). Vier vorsten hoorden het. Zij zeiden tegen de koning dat Jeremia gedood moest worden, omdat hij de handen van de soldaten en van het hele volk slap maakte (Jeremia 38:4). Zedekia gaf toe: "Ziet, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen" (Jeremia 38:5).

Zij namen Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, in het voorhof der bewaring. Ze lieten hem zakken met zelen, dat zijn touwen. En dan staat er: "in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk" (Jeremia 38:6).

Hoe redde Ebed-Melech Jeremia?

Ebed-Melech, een Moorman en kamerling in het paleis, hoorde het. Hij ging naar de koning, die in de poort van Benjamin zat, en zei: "Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia" (Jeremia 38:9). Er was geen brood meer in de stad, en Jeremia zou in de kuil van honger sterven. Nu gaf de koning een ander bevel. Ebed-Melech moest dertig mannen meenemen en de profeet ophalen, "eer dat hij sterft" (Jeremia 38:10).

Ebed-Melech haalde onder de schatkamer van het paleis oude, verscheurde en versleten lompen en liet die aan de zelen naar Jeremia zakken. Jeremia moest ze onder zijn oksels leggen, tussen zijn armen en de touwen. Zo trokken zij hem omhoog; daarna bleef hij in het voorhof der bewaring (Jeremia 38:11-13).

Wat zei Jeremia in het geheim tegen Zedekia?

Zedekia liet Jeremia opnieuw halen, bij de derde ingang van het huis van de HEERE. Pas toen Zedekia had gezworen dat hij hem niet zou doden, sprak Jeremia (Jeremia 38:14-16). Jeremia bracht het woord van de HEERE: als de koning uitging naar de vorsten van de koning van Babel, zou hij leven en zou de stad niet verbrand worden. Zedekia antwoordde dat hij bang was voor de Joden die al waren overgelopen (Jeremia 38:19). Jeremia drong aan: "wees toch gehoorzaam aan de stem des HEEREN, naar dewelke ik tot u spreek" (Jeremia 38:20).

Zedekia vroeg alleen het gesprek geheim te houden voor de vorsten. Jeremia bleef in het voorhof der bewaring "tot op den dag, dat Jeruzalem werd ingenomen" (Jeremia 38:28).

Achtergrond

Het beleg van Jeruzalem begon in het negende jaar van Zedekia en duurde tot het elfde jaar, toen de stad werd doorgebroken (Jeremia 39:1-2). Volgens de gangbare berekening is dat ongeveer 588 tot 586 voor Christus; de Bijbel zelf geeft geen jaartal. In die maanden raakte het brood in de stad op.

De kuil was waarschijnlijk een uitgehouwen regenbak, waarin water werd opgevangen voor de droge tijd. De tekst zegt alleen dat er geen water in was, maar slijk. Hammelech betekent in het Hebreeuws de koning; daarom denken sommige uitleggers dat Malchia een zoon van de koning was.

Ebed-Melech betekent dienaar van de koning. Een Moorman kwam uit Kusj, het land ten zuiden van Egypte. Het woord kamerling kan een gesnedene aanduiden, maar ook een hoge beambte aan het hof. Veel lezers denken bij hem aan de Moorman uit Filippus en de kamerling (Handelingen 8:27). De Bijbel legt zelf geen verband tussen die twee.

Betekenis

In Jeremia 38 staat de HEERE in het midden, ook al spreekt Hij vooral door Zijn profeet. Zijn woord verandert niet onder druk. Tegen het volk en in twee geheime gesprekken met de koning zegt Jeremia hetzelfde: de stad en de koning komen in de hand van de koning van Babel (Jeremia 37:17, Jeremia 38:2-3 en Jeremia 38:17-18). Dat oordeel is geen willekeur. Het volk had niet geluisterd naar de woorden van de HEERE (Jeremia 37:2), en Zedekia "verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremia, sprekende uit den mond des HEEREN" (2 Kronieken 36:12). Toch klinkt er ook in het oordeel een weg ten leven: wie uitging, zou leven (Jeremia 38:2).

De HEERE houdt Zijn belofte. Bij zijn roeping had Hij tegen Jeremia gezegd: "Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE" (Jeremia 1:8). Die belofte hield Jeremia niet buiten de gevangenis en niet buiten de kuil. Wel kwam hij eruit, en overleefde hij de val van de stad (Jeremia 39:11-14). Zijn knecht Jeremia bewaarde God niet voor het lijden, maar Hij liet hem er niet in vergaan.

De redder is een vreemdeling, terwijl vorsten van Juda de profeet wilden doden. God zegt Zelf wat Hij in Ebed-Melech zag: hij zou gered worden, "omdat gij op Mij vertrouwd hebt" (Jeremia 39:18). Veel uitleggers zien zijn pleidooi bij de koning als een vrucht van dat vertrouwen. Daartegenover staat Zedekia, die zei: "Ik ben bevreesd voor de Joden" (Jeremia 38:19).

Jeremia staat in de lange rij van profeten die door hun eigen stad werden verworpen. De Heere Jezus klaagde over Jeruzalem: "gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn" (Mattheüs 23:37). Die rij wijst vooruit naar Hem, de Zoon Die Zelf werd verworpen: "Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Johannes 1:11).

Lessen voor vandaag

God laat Zijn woord niet afzwakken om het aangenamer te maken. Zedekia vroeg wel of er een woord van de HEERE was, maar deed er niets mee. Wij lezen Gods Woord niet alleen om te weten wat Hij zegt, maar om Hem te geloven en te gehoorzamen, ook als dat iets kost. De oproep van Jeremia geldt ook ons: "wees toch gehoorzaam aan de stem des HEEREN" (Jeremia 38:20).

De HEERE ziet wie op Hem vertrouwt, ook als het een onbekende vreemdeling aan het hof is. Ebed-Melech sprak, terwijl de koning Jeremia had overgegeven en de vorsten hem wilden doden. "De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden" (Spreuken 29:25). Wie bang is voor wat anderen zeggen of doen, mag die angst bij God brengen en leren op Hem te vertrouwen.

God gebruikt gewone middelen. Oude, versleten lompen uit een opslagruimte werden het middel waarmee Hij Zijn profeet uit het slijk haalde. Een kleine daad van barmhartigheid voor iemand die vastzit, is in Gods hand niet te gering. En wie zelf in het slijk zit, mag weten dat de HEERE ook daar Zijn knechten niet vergeet.

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 5 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

Jeremia was een profeet in de stad Jeruzalem. Een profeet is iemand die de woorden van God doorgeeft. Toen Jeremia nog jong was, was hij door de HEERE geroepen. God had toen beloofd dat Hij met hem zou zijn, om hem te redden.

In deze geschiedenis lag er een groot leger rondom Jeruzalem. Het was het leger van de koning van Babel. Het volk van Juda luisterde niet naar de HEERE. Ook koning Zedekia luisterde niet. Daarom zei de HEERE dat Babel de stad zou innemen.

Een tijdje trok het leger van Babel weg. Toen wilde Jeremia de stad uit gaan, naar het land van Benjamin. Bij de poort greep een wachter hem vast. Hij zei dat Jeremia naar de vijand wilde overlopen. Dat was niet waar. Toch werd hij geslagen en in de gevangenis gezet. Daar zat hij veel dagen.

Toen liet koning Zedekia Jeremia in het geheim bij zich halen. Hij vroeg: "Is er ook een woord van den HEERE"? Jeremia zei dat er een woord was. De koning zou in de hand van de koning van Babel komen. Daarna mocht Jeremia op een binnenplaats bij het paleis blijven, waar gevangenen bewaakt werden. Elke dag kreeg hij een brood, zolang er nog brood in de stad was.

Jeremia bleef de woorden van de HEERE doorgeven aan het volk. Wie in de stad bleef, zou sterven. Wie naar het leger van Babel ging, zou blijven leven. De leiders van de stad hoorden het. Ze gingen naar de koning. Ze zeiden dat Jeremia de soldaten de moed ontnam, en dat hij gedood moest worden. Koning Zedekia zei: "Ziet, hij is in uw hand". Hij deed niets om Jeremia te helpen.

Toen pakten ze Jeremia. Op de binnenplaats was een put. Ze lieten Jeremia met touwen naar beneden zakken. In de put was geen water. Er zat alleen modder. En Jeremia zakte weg in de modder. Als niemand hem hielp, zou hij daar van honger sterven. Je kunt je voorstellen hoe alleen Jeremia daar was.

Maar de HEERE vergat Jeremia niet. In het paleis van de koning werkte een man die Ebed-Melech heette. Hij kwam uit een land ten zuiden van Egypte. Hij hoorde wat ze met Jeremia gedaan hadden. Hij ging naar de koning, die bij een poort van de stad zat.

Ebed-Melech zei tegen de koning: "Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia". Dat betekent: deze mannen hebben iets heel slechts gedaan. Jeremia zou in de put sterven van honger, want er was geen brood meer in de stad. Nu luisterde de koning wel. Hij zei tegen Ebed-Melech: "haal den profeet Jeremia op uit den kuil, eer dat hij sterft". Hij mocht dertig mannen meenemen.

In het paleis pakte Ebed-Melech oude, kapotte lappen. Hij liet de lappen aan touwen in de put zakken. Hij zei tegen Jeremia dat hij de lappen onder zijn oksels moest leggen, onder de touwen. Jeremia deed het. Toen trokken de mannen hem omhoog, uit de modder.

Jeremia bleef daarna op de binnenplaats. De koning liet hem nog een keer in het geheim halen. Weer zei Jeremia wat de HEERE zei: als de koning zich overgaf aan Babel, zou hij blijven leven. Maar Zedekia zei dat hij bang was voor mensen. Hij deed niet wat de HEERE zei. Jeremia bleef op de binnenplaats, tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen.

Ook Ebed-Melech werd niet vergeten. De HEERE gaf Jeremia een boodschap voor hem. Als de stad werd ingenomen, zou de HEERE Ebed-Melech redden. Hij zou niet door het zwaard sterven. De HEERE zei ook waarom: "omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE".

Zo hield de HEERE Zijn belofte aan Jeremia. Hij liet hem niet omkomen in de put. En Hij zag ook de man uit een ander land die op Hem vertrouwde.

Om te onthouden
“Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, … omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.” (Jeremia 39:18)

Tips voor de verteller

  • Kinderen vragen misschien waarom God toeliet dat Jeremia in de put kwam. Zeg eerlijk dat de Bijbel dat niet uitlegt. God had Jeremia niet beloofd dat hij nooit zou lijden, maar wel dat Hij met hem zou zijn: "zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen" (Jeremia 1:19). In deze geschiedenis ziet u hoe God dat waarmaakte.
  • Een paar woorden vragen uitleg: profeet, de Chaldeeën (het leger van Babel), het voorhof der bewaring (een binnenplaats bij het paleis voor gevangenen), zelen (touwen), kamerling (iemand die aan het hof van de koning diende) en Moorman (iemand uit het land ten zuiden van Egypte). Lees Jeremia 38:6-13 rechtstreeks uit de Bijbel voor. Vertel niet hoe lang Jeremia in de put zat: de tekst zegt het niet.
  • Een ouder kind kan vragen of Jeremia een verrader was, omdat hij zei dat het volk naar de vijand moest gaan. U kunt uitleggen dat dit geen eigen advies van Jeremia was, maar het woord van de HEERE. God strafte Jeruzalem omdat het volk niet naar Hem luisterde, en Hij wees toch een weg om te blijven leven. Jeremia zelf liep niet over (Jeremia 37:14).
  • Wat er later met koning Zedekia gebeurde (Jeremia 39:6-7) hoort niet in deze vertelling voor jonge kinderen. Maak van Ebed-Melech ook geen held om na te doen. De HEERE zegt Zelf wat Hij in hem zag: hij vertrouwde op God. Laat de geschiedenis daarom eindigen bij de belofte van de HEERE.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWat zat er in de put waar Jeremia in zakte?
  2. NavertellenWat gebruikte Ebed-Melech om Jeremia uit de put te halen?
  3. VerwonderenWat vind jij mooi aan wat de HEERE tegen Ebed-Melech zei?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenKoning Zedekia liet Jeremia twee keer in het geheim halen. Wat wilde hij weten, en wat deed hij met het antwoord?
  2. BetekenisWaarom bleef Jeremia zeggen wat de HEERE zei, ook toen hij daarvoor in de put kwam?
  3. VerbindingJozef werd ook in een kuil zonder water gegooid. Wat deed God met Jozef, en wat zie je daarvan bij Jeremia?
  4. ToepassingEbed-Melech vertrouwde op de HEERE en kwam op voor Jeremia. Wanneer vind jij het moeilijk om voor iemand op te komen, en bij Wie kun je dan hulp vragen?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Hebreeën 11:36-38. Wat in deze rij doet je denken aan wat Jeremia meemaakte? En wat zegt de schrijver over zulke gelovigen?
  2. Wie is God?God hield Jeremia niet buiten de put, maar haalde hem er wel uit. Wat zegt dat over hoe God Zijn belofte uit Jeremia 1:8 houdt?
  3. Moeilijke vraagJeremia zei dat wie naar het leger van Babel uitging, zou leven. De vorsten noemden dat verraad. Waarom was dit toch het woord van God voor Jeruzalem?
  4. PersoonlijkZedekia wilde wel horen wat God zei, maar was bang voor mensen. Waar merk jij dat angst voor wat anderen denken je tegenhoudt?

Gebedspunt: Dank de HEERE dat Hij Zijn profeet niet liet omkomen in de put, en dat Hij Ebed-Melech redding beloofde omdat hij op Hem vertrouwde. Bid om een hart dat de HEERE meer vreest dan mensen.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Thema's in dit verhaal

Gods woord in een tijd van oordeelVervolgd om het woordGods zorg door een onverwachte helperMensenvrees en vertrouwen op GodHet beleg van Jeruzalem

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over Jeremia in de put

Waar staat het verhaal van Jeremia in de put in de Bijbel?

De geschiedenis staat in Jeremia 38:1-13, tijdens het beleg van Jeruzalem. Jeremia 37 vertelt wat eraan voorafging: Jeremia werd bij de poort van Benjamin opgepakt, geslagen en opgesloten, en daarna overgebracht naar het voorhof der bewaring. Na de redding uit de kuil volgt in Jeremia 38:14-28 het geheime gesprek met koning Zedekia. De belofte van de HEERE aan Ebed-Melech staat in Jeremia 39:15-18.

Waarom wilden de vorsten Jeremia doden?

Jeremia gaf het woord van de HEERE door: wie in de stad bleef, zou sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie naar de Chaldeeën uitging, zou leven (Jeremia 38:2). De vorsten zeiden tegen de koning dat Jeremia daarmee de handen van de soldaten en van het volk slap maakte, en dat hij "den vrede dezes volks niet, maar het kwaad" zocht (Jeremia 38:4). Zij hoorden zijn woorden als verraad. Jeremia sprak echter niet uit zichzelf, maar zei wat de HEERE opdroeg.

Was de put van Jeremia een waterput?

Nee. De Statenvertaling spreekt van een kuil en zegt er uitdrukkelijk bij: "in den kuil nu was geen water, maar slijk" (Jeremia 38:6). Het was waarschijnlijk een uitgehouwen regenbak om water op te vangen, die tijdens het beleg niet meer gevuld was. Jeremia stond dus niet in het water, maar zonk weg in de modder. Dat Jeremia daar zou sterven, kwam volgens Ebed-Melech door de honger, omdat er geen brood meer in de stad was (Jeremia 38:9).

Wat betekent de naam Ebed-Melech?

Ebed-Melech betekent dienaar van de koning. De Bijbel noemt hem een Moorman en een kamerling, die in het huis van de koning was (Jeremia 38:7). Een Moorman kwam uit Kusj, het land ten zuiden van Egypte. Het woord kamerling kan een gesnedene aanduiden, maar ook een hoge beambte aan het hof. Meer zegt de Bijbel niet over zijn afkomst. Wel zegt de HEERE later dat hij op Hem vertrouwd had (Jeremia 39:18).

Waarom gebruikte Ebed-Melech oude lappen?

De tekst zegt alleen wat hij deed. Hij haalde oude, verscheurde en versleten lompen onder de schatkamer van het paleis vandaan en liet ze aan zelen, dat zijn touwen, naar Jeremia zakken. Jeremia moest ze onder zijn oksels leggen, tussen zijn armen en de touwen (Jeremia 38:11-12). Zo konden de mannen hem uit het slijk omhoogtrekken. Waarschijnlijk moesten de lappen voorkomen dat de touwen in zijn huid sneden. Het laat zien met hoeveel zorg Ebed-Melech de redding uitvoerde.

Wat beloofde God aan Ebed-Melech?

Terwijl Jeremia nog in het voorhof der bewaring zat, gaf de HEERE Jeremia een boodschap voor Ebed-Melech. De stad zou getroffen worden, maar Ebed-Melech zou niet in de hand vallen van de mannen voor wie hij vreesde. De HEERE zei: "Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen" (Jeremia 39:18). De reden staat erbij: "omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE" (Jeremia 39:18). Zo laat God zien dat Hij het vertrouwen van deze vreemdeling had gezien.

Werd Jeremia na de put vrijgelaten?

Nee, niet meteen. Na de redding uit de kuil bleef Jeremia in het voorhof der bewaring, "tot op den dag, dat Jeruzalem werd ingenomen" (Jeremia 38:28). Pas toen de Chaldeeën de stad hadden ingenomen, haalden de oversten van de koning van Babel hem uit het voorhof en gaven hem over aan Gedalia, zodat hij in het midden van het volk kon blijven (Jeremia 39:14). Hoe lang Jeremia in de kuil zelf zat, zegt de Bijbel niet.

Waarom liet koning Zedekia toe dat Jeremia in de kuil werd geworpen?

Zedekia gaf toe aan zijn vorsten. Toen zij eisten dat Jeremia gedood werd, zei hij: "Ziet, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen" (Jeremia 38:5). Hij durfde niet tegen hen in te gaan. Toen Ebed-Melech voor de profeet pleitte, gaf dezelfde koning bevel om hem op te halen (Jeremia 38:10). Dezelfde vrees bleek later in het geheime gesprek: "Ik ben bevreesd voor de Joden, die tot de Chaldeen gevallen zijn" (Jeremia 38:19).

Hoe vertelt u het verhaal van Jeremia in de put aan kinderen?

Deze geschiedenis is geschikt vanaf ongeveer 6 jaar. Op deze pagina staat een vertelling die dicht bij Jeremia 37 en 38 blijft, met een tekst om te onthouden en tips voor de verteller. Laat de HEERE de hoofdpersoon zijn: Hij had Jeremia beloofd hem te redden, en Hij beloofde Ebed-Melech redding omdat die op Hem vertrouwde. Vertel sober dat Jeremia in de modder zonk, en lees Jeremia 38:6-13 uit de Bijbel zelf voor.

Stel een vraag over Jeremia in de put

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder