Ga naar hoofdinhoud
HandelingenHandelingen 27-28:10

De schipbreuk van Paulus

Veertien dagen storm en een God Die Zijn belofte houdt

Samenvatting

De schipbreuk van Paulus is de geschiedenis uit Handelingen 27 en 28:1-10 over de zeereis van de gevangen apostel naar Rome. Een stormwind slingert het schip ongeveer twee weken rond, tot niemand meer hoop heeft. Dan belooft God door een engel dat geen van de opvarenden zal omkomen. Het schip strandt bij het eiland Melite, waarschijnlijk Malta, en alle 276 mensen komen levend aan land. Op Malta schudt Paulus een adder af en worden zieken genezen.

Bijbelgedeelte

“Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.”
Handelingen 27:22 (Statenvertaling)
“Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.”
Handelingen 27:24 (Statenvertaling)
“Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.”
Handelingen 27:25 (Statenvertaling)
“En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.”
Handelingen 27:35 (Statenvertaling)
“En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn.”
Handelingen 27:44 (Statenvertaling)
“Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.”
Handelingen 28:5 (Statenvertaling)

Het verhaal

Handelingen 27 en het begin van Handelingen 28 vertellen hoe Paulus als gevangene naar Rome werd gebracht. Hij had twee jaar in Caesarea gevangengezeten (Handelingen 24:27). Voor de stadhouder Festus beriep hij zich op de keizer (Handelingen 25:11). Zo moest Paulus naar Rome. Al eerder had de Heere in Jeruzalem tegen Paulus gezegd: "alzo moet gij ook te Rome getuigen" (Handelingen 23:11).

Waarom waarschuwde Paulus voor de reis?

Paulus werd met andere gevangenen overgegeven aan Julius, een hoofdman over honderd. Aristarchus uit Thessalonica reisde mee, en ook de schrijver zelf, want hij vertelt in de wij-vorm (Handelingen 27:1-2). Via Sidon en Myra, waar zij overstapten op een schip uit Alexandrië, kwamen zij met tegenwind moeizaam tot Schonehavens op Kreta (Handelingen 27:3-8).

De vasten was voorbij en het varen werd gevaarlijk. Paulus waarschuwde voor grote schade aan lading en schip, en ook aan hun leven (Handelingen 27:9-10). Maar de hoofdman geloofde de stuurman en de schipper meer dan Paulus. De haven was ongeschikt om te overwinteren, dus de meerderheid wilde doorvaren naar Fenix, een betere haven op Kreta.

Hoe lang duurde de storm?

Niet lang daarna stak er een stormwind op, die Euroklydon genoemd werd (Handelingen 27:14). Het schip dreef weg. Zij gordden het met touwen en streken het zeil, uit vrees voor de zandbanken van de Syrtis. De volgende dag wierpen zij lading overboord, de derde dag het scheepsgereedschap. Vele dagen zagen zij zon noch sterren, en ten slotte had niemand nog hoop op redding (Handelingen 27:15-20). Pas in de veertiende nacht vermoedden de scheepslieden dat zij land naderden (Handelingen 27:27). De storm duurde dus ongeveer twee weken.

Wat zei de engel tegen Paulus?

Toen zij lang niet gegeten hadden, stond Paulus op in hun midden. Hij zei dat zij beter naar hem hadden kunnen luisteren, maar bleef daar niet bij staan. Hij riep hen op goedsmoeds te zijn: niemand van hen zou het leven verliezen, alleen het schip zou vergaan (Handelingen 27:21-22). Die nacht had een engel bij hem gestaan van de God aan Wie hij toebehoorde en Die hij diende. De engel zei: "Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen" (Handelingen 27:24). Paulus voegde eraan toe: "ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is" (Handelingen 27:25). Wel zouden zij op een eiland stranden.

In de veertiende nacht gaf het dieplood eerst twintig en daarna vijftien vademen. Uit vrees voor rotsen wierpen zij vier ankers uit en wachtten op de dag. Toen probeerden de scheepslieden met de sloep te vluchten, onder het voorwendsel dat zij ankers uitbrachten aan het voorschip. Paulus zei tegen de hoofdman en de soldaten: "Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden" (Handelingen 27:31). De soldaten hakten de touwen van de sloep door.

Tegen de morgen spoorde Paulus allen aan om te eten. Het was de veertiende dag dat zij zonder eten waren, en niemand van hen zou een haar van het hoofd vallen (Handelingen 27:33-34). Hij nam brood, dankte God ten aanhoren van allen, brak het en begon te eten. Toen kregen zij allen moed en aten ook. Er waren tweehonderdzesenzeventig mensen aan boord (Handelingen 27:37). Daarna gooiden zij het koren in zee om het schip lichter te maken.

Hoe leed Paulus schipbreuk bij Malta?

Toen het dag werd, herkenden zij het land niet. Zij zagen een inham met een oever en stuurden daarop aan. Maar het schip liep vast op een plek die aan beide zijden zee had. Het voorschip zat onbeweeglijk vast, het achterschip brak door het geweld van de golven (Handelingen 27:39-41). De soldaten wilden de gevangenen doden, zodat niemand zou ontzwemmen. De hoofdman wilde Paulus behouden en verhinderde het. Wie kon zwemmen, moest eerst overboord springen. De anderen volgden op planken en stukken van het schip. "En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn" (Handelingen 27:44).

Wat gebeurde er met Paulus op Malta?

Aan land hoorden zij dat het eiland Melite heette (Handelingen 28:1). Meestal wordt dat gelijkgesteld met Malta. De bewoners, die de schrijver barbaren noemt, toonden ongewone vriendelijkheid. Vanwege de regen en de kou maakten zij een groot vuur en namen allen bij zich. Toen Paulus takken op het vuur legde, kwam er door de hitte een adder uit, die zich aan zijn hand vastzette. De bewoners zeiden tegen elkaar dat hij zeker een doodslager was, die de wraak niet liet leven. "Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads" (Handelingen 28:5). Zij wachtten lang of hij zou opzwellen of dood neervallen. Toen er niets gebeurde, sloegen zij om en zeiden dat hij een god was.

In de buurt had Publius, de voornaamste van het eiland, zijn landhoeven. Hij herbergde hen drie dagen vriendelijk. Zijn vader lag met koortsen en buikloop te bed. Paulus ging naar hem toe, bad, legde hem de handen op en maakte hem gezond (Handelingen 28:8). Daarna kwamen ook de andere zieken van het eiland en werden genezen. Bij het vertrek gaven de bewoners hun mee wat zij nodig hadden (Handelingen 28:9-10). Na drie maanden reisde Paulus verder naar Rome (Handelingen 28:11-16).

Achtergrond

Het schip uit Alexandrië dat naar Italië voer, had koren aan boord (Handelingen 27:6 en 27:38). Het was dus waarschijnlijk een graanschip. Egypte was in die tijd een belangrijke graanleverancier van Rome.

De vasten in Handelingen 27:9 is volgens de meeste uitleggers de Grote Verzoendag, op de tiende dag van de zevende maand (Leviticus 16:29). Die viel in de herfst. In het najaar en de winter was de scheepvaart op de open Middellandse Zee gevaarlijk en lag zij grotendeels stil. Daarom zocht men een haven om te overwinteren (Handelingen 27:12).

Euroklydon was een harde noordoostenwind. De Syrtis was een gevreesde ondiepte voor de kust van Noord-Afrika. Met de Adriatische zee (Handelingen 27:27) bedoelde men toen een groter gebied dan nu, ook de zee tussen Griekenland, Italië en Sicilië. Een vadem is ongeveer de lengte van twee gespreide armen, zo’n 1,8 meter. Twintig vademen is dus ruim 35 meter water.

Dat Melite het eiland Malta is, is de gangbare opvatting. Volgens de plaatselijke traditie gebeurde de schipbreuk in de Sint-Paulusbaai aan de noordkust; de Bijbel noemt geen plek op het eiland. Het verslag is in de wij-vorm geschreven, door iemand die zelf aan boord was. Volgens een oude overlevering is dat Lukas, die ook het evangelie schreef. Paulus noemt Lukas en Aristarchus samen zijn medearbeiders (Filemon 1:24).

Betekenis

In Handelingen 27 lijkt alles van mensen af te hangen: de hoofdman, de stuurman, de schipper, de meerderheid, de scheepslieden en de soldaten. Toch is God de Handelende. Hij had al gezegd dat Paulus in Rome moest getuigen (Handelingen 23:11), en door de engel bevestigt Hij dat: "gij moet voor den keizer gesteld worden" (Handelingen 27:24). Geen storm, geen verkeerde beslissing en geen plan van soldaten kan dat tegenhouden. Wat mensen bedenken, gebruikt God voor Zijn weg: "Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang" (Spreuken 16:9).

God belooft niet dat de storm gaat liggen of dat het schip blijft. Hij belooft het leven van allen die met Paulus varen, en die belofte houdt Hij precies: het schip gaat verloren, de mensen niet (Handelingen 27:22 en 27:44). Dat tweehonderdvijfenzeventig anderen, soldaten, scheepslieden en gevangenen, het leven behouden, is een gave aan Paulus. Zo laat God Zijn goedheid ook gaan over mensen die Hem niet kennen.

Opvallend is hoe Gods belofte en menselijk handelen samengaan. Paulus weet dat allen gered worden, en toch zegt hij dat niemand behouden kan worden als de scheepslieden het schip verlaten (Handelingen 27:31). Hij roept op om te eten, "want dat dient tot uw behouding" (Handelingen 27:34). Gods raad maakt de middelen niet overbodig; Hij voert Zijn raad uit door de middelen heen. De Heidelbergse Catechismus belijdt in Zondag 10 dat alle dingen ons niet bij toeval toekomen, maar uit Gods vaderlijke hand.

Midden in de storm staat Paulus als iemand die God gelooft. Hij spreekt niet uit eigen inzicht, maar uit wat hem gezegd is (Handelingen 27:25). Hij dankt God voor het brood ten aanhoren van allen (Handelingen 27:35). Sommige uitleggers horen daarin een echo van het avondmaal. Anderen wijzen erop dat het een gewone maaltijd is met mensen die Christus niet kennen, met een dankgebed bij het eten, zoals ook de Heere Jezus dankte voordat Hij het brood brak (Mattheüs 15:36).

Op Malta blijkt Gods bewaring verder te gaan dan de zee. De adder doet Paulus geen kwaad. Veel uitleggers denken hierbij aan het woord van de Heere Jezus tot Zijn discipelen over de macht "om op slangen en schorpioenen te treden" (Lukas 10:19). De bewoners trekken eerst een verkeerde conclusie (hij is een moordenaar) en dan nog een (hij is een god). Paulus is geen van beide, maar een dienaar van God, en hij bidt voordat de vader van Publius gezond wordt (Handelingen 28:8). Een vergelijking met Jezus Die de storm stilt ligt voor de hand. Het verschil is leerzaam: hier stilt God de storm niet, maar Hij brengt Zijn mensen erdoorheen.

Lessen voor vandaag

God houdt Zijn woord, ook als de storm blijft. Paulus kreeg geen kalme zee, maar een belofte, en die was genoeg om midden in de storm te zeggen dat hij God geloofde. Wie op Gods beloften vertrouwt, krijgt niet altijd een uitweg uit de moeite. Wel mag hij weten dat God doet wat Hij zegt, ook als niemand nog hoop heeft.

Vertrouwen op God maakt verantwoord handelen niet overbodig. Paulus wist dat allen gered zouden worden, en hield toch de scheepslieden aan boord en liet de mannen eten. Wie op Gods voorzienigheid rust, mag gewoon doen wat nodig is: eten, rusten, werken en verstandige keuzes maken. Dat is geen ongeloof, maar de weg waarlangs God Zijn belofte uitvoert.

Een christen mag in een vreemd en angstig gezelschap openlijk God danken. Paulus dankte God voor het brood terwijl honderden anderen toekeken, en zij kregen er moed door. De bewaring die God aan Zijn dienaar beloofde, kwam allen op het schip ten goede. Ook nu wil God door Zijn kinderen anderen laten zien Wie Hij is.

God bewaart Zijn dienaren tot hun werk gedaan is. Paulus moest voor de keizer staan, en daarom kon geen storm en geen adder hem tegenhouden. Het boek Handelingen eindigt met Paulus in Rome, waar hij twee jaar lang van de Heere Jezus Christus leerde "met alle vrijmoedigheid, onverhinderd" (Handelingen 28:31). Wie Christus dient, ligt in dezelfde hand.

Vertellen aan kinderen

Voorlezen duurt ongeveer 6 minuten · geschikt vanaf 6 jaar

Paulus was een dienaar van de Heere Jezus, maar nu was hij gevangen. Hij had gevraagd of de keizer in Rome over zijn zaak wilde oordelen. De keizer was de hoogste baas van het Romeinse rijk. Daarom moest Paulus met een schip naar Italië, het land waar Rome lag. Een hoofdman over honderd soldaten moest op hem en de andere gevangenen passen. Ook een paar vrienden van Paulus gingen mee.

De reis ging langzaam, want de wind was tegen. Bij het eiland Kreta kwamen ze in een haven. Het was al laat in het jaar, en varen werd nu gevaarlijk. Paulus waarschuwde dat de reis veel schade zou geven, zelfs aan hun leven. Maar de hoofdman luisterde liever naar de stuurman en de schipper. Ze voeren toch verder.

Niet lang daarna kwam er een zware storm. Het schip werd meegesleurd en dreef weg. De mannen bonden touwen om het schip, zodat het niet zou breken. Ze gooiden een deel van de lading overboord, en daarna ook spullen van het schip zelf.

Vele dagen zagen ze geen zon en geen sterren. De storm hield niet op. En ten slotte had niemand meer hoop dat ze gered zouden worden. Al lange tijd had niemand meer gegeten.

Toen stond Paulus op, midden tussen de mannen. Hij zei dat ze goede moed moesten houden. Niemand zou zijn leven verliezen. Alleen het schip zou vergaan. Die nacht had een engel van God bij hem gestaan. De engel had gezegd: "Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen". God zou dus iedereen op het schip in leven houden. Paulus zei: "ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is". Wel zouden ze op een eiland stranden.

In de veertiende nacht dachten de scheepslieden, de mannen die op het schip werkten, dat ze dicht bij land kwamen. Ze maten hoe diep de zee was. Het water werd steeds minder diep. Ze waren bang dat het schip op de rotsen zou lopen. Daarom gooiden ze vier ankers uit en wachtten tot het dag werd.

Toen probeerden de scheepslieden stiekem te vluchten met de kleine boot. Maar Paulus zei tegen de hoofdman en de soldaten: "Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden". Behouden worden betekent: gered worden. Toen hakten de soldaten de touwen van de boot door.

Vlak voordat het licht werd, zei Paulus dat ze moesten eten. Hij beloofde: "niemand van u zal een haar van het hoofd vallen". Hij nam brood en dankte God, terwijl iedereen het zag. Hij brak het brood en begon te eten. Toen kregen ze allemaal weer moed en aten ook. Er waren tweehonderdzesenzeventig mensen aan boord.

Toen het dag werd, zagen ze een land dat ze niet kenden. Ze stuurden het schip naar de kust. Maar het schip liep vast. De voorkant zat muurvast, en de achterkant brak in stukken door de golven. De soldaten wilden de gevangenen doden, zodat niemand zou wegzwemmen. Maar de hoofdman wilde Paulus redden en hield hen tegen. Wie kon zwemmen, sprong als eerste in zee. De anderen dreven naar de kant op planken en stukken van het schip. Zo kwamen ze allemaal veilig aan land, precies zoals God gezegd had.

Het eiland heette Melite. Waarschijnlijk is dat het eiland Malta. De mensen van het eiland waren heel vriendelijk. Omdat het regende en koud was, maakten ze een groot vuur. Paulus legde een hoop takken op het vuur. Door de hitte kwam er een adder uit, een giftige slang. De slang bleef aan de hand van Paulus hangen. De mensen dachten dat Paulus een moordenaar moest zijn, die nu toch zou sterven. Maar Paulus schudde de slang af in het vuur. Er gebeurde hem niets. De mensen wachtten lang. Toen er niets gebeurde, zeiden ze dat hij een god was.

Dichtbij had Publius, de belangrijkste man van het eiland, zijn landgoederen. Drie dagen mochten ze bij hem logeren. De vader van Publius lag ziek in bed, met koorts en een zware buikziekte. Paulus ging naar hem toe en bad. Hij legde zijn handen op hem en maakte hem gezond. Toen kwamen ook de andere zieken van het eiland, en zij werden genezen.

Zo eindigt deze geschiedenis. Na drie maanden ging de reis verder, en Paulus kwam in Rome. God had beloofd dat iedereen op het schip zou blijven leven, en Hij hield Zijn woord. Wat de Heere belooft, dat doet Hij ook.

Om te onthouden
“Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.” (Handelingen 27:25)

Tips voor de verteller

  • Handelingen 27 is lang en vol scheepstermen. Voor kinderen van 4-7 jaar kunt u de tweede alinea (de reis tot Kreta en de waarschuwing van Paulus) overslaan en beginnen bij de storm. Laat de belofte van de engel en het slot staan: allen kwamen behouden aan land, zoals God gezegd had. Lees daarna Handelingen 27:21-26 zelf voor uit de Bijbel.
  • Kinderen vragen soms waarom God de storm niet gewoon liet ophouden, zoals de Heere Jezus deed op het meer. Zeg eerlijk dat de Bijbel niet zegt waarom. God had niet beloofd dat de zee kalm zou worden, maar dat iedereen zou blijven leven. Die belofte hield Hij. Zo laat deze geschiedenis zien dat God Zijn mensen ook door de storm heen kan brengen.
  • Het plan van de soldaten om de gevangenen te doden kunt u in één zin vertellen, zoals de Bijbel het doet. Leg de nadruk op wat volgt: de hoofdman hield hen tegen en niemand kwam om. Vraagt een kind waarom de soldaten dat wilden, zeg dan dat zij bang waren dat de gevangenen zouden ontsnappen.
  • Bij de adder vragen kinderen vaak waarom Paulus niet doodging. De mensen op het eiland verwachtten dat ook. De Bijbel zegt alleen dat hij niets kwaads leed; God bewaarde hem. Zeg erbij dat de mensen het mis hadden toen ze Paulus een god noemden: hij was een mens die God diende, en hij bad voordat de vader van Publius beter werd.

Gespreksvragen voor kinderwerk en club

Kleuters en onderbouw (4-7 jaar)
  1. NavertellenWat zei de engel van God tegen Paulus?
  2. NavertellenWat gebeurde er met de slang op het vuur?
  3. VerwonderenHoe kon Paulus zeker weten dat niemand zou verdrinken?
Zondagsschool en club (8-12 jaar)
  1. KijkenWat deed Paulus met het brood, terwijl alle mannen op het schip toekeken?
  2. BetekenisGod had beloofd dat iedereen gered zou worden. Waarom moesten de scheepslieden dan toch op het schip blijven?
  3. VerbindingOok de Heere Jezus was eens met Zijn discipelen in een storm (Mattheüs 8:23-27). Wat deed Hij daar, en wat deed God bij Paulus?
  4. ToepassingPaulus zei midden in de storm dat hij God geloofde. Wanneer vind jij het moeilijk om op God te vertrouwen?
Tieners en catechisatie (12-16 jaar)
  1. BijbeltekstLees Handelingen 23:11. Wat had de Heere Paulus al beloofd vóór de reis begon, en hoe verandert die belofte jouw kijk op de storm in Handelingen 27?
  2. Wie is God?De engel zei: "God heeft u geschonken allen, die met u varen". Wat zegt het over God dat ook soldaten en zeelieden die Hem niet kenden, gered werden?
  3. Moeilijke vraagGod had beloofd dat allen gered zouden worden, maar Paulus zei dat zonder de scheepslieden niemand behouden kon worden. Hoe hangen Gods belofte en wat mensen doen met elkaar samen?
  4. PersoonlijkPaulus dankte God hardop voor het brood, midden tussen mensen die God niet kenden. Laat jij zien dat je op God vertrouwt, en wat maakt dat soms moeilijk?

Gebedspunt: Dank God dat Hij Zijn beloften houdt, ook midden in de storm, zoals Hij alle opvarenden levend aan land bracht. Bid om een geloof dat op Zijn woord rust, ook als er geen hoop meer lijkt.

Personen in dit verhaal

Plaatsen in dit verhaal

Lees het in een leesplan

Thema's in dit verhaal

Gods beloftenGods voorzienigheidgeloof in de stormGods bewaringgenezing op Malta

Gerelateerde bijbelverhalen

Veelgestelde vragen over De schipbreuk van Paulus

Waar staat het verhaal van de schipbreuk van Paulus in de Bijbel?

Het verhaal staat in Handelingen 27 en Handelingen 28:1-10. Het is het laatste grote reisverslag van het boek. Paulus had zich als gevangene in Caesarea op de keizer beroepen (Handelingen 25:11) en werd daarom per schip naar Rome gebracht. Na de schipbreuk bleef hij drie maanden op Malta, en daarna reisde hij verder naar Rome (Handelingen 28:11-16). Daar eindigt het boek Handelingen, met Paulus die twee jaar in een gehuurde woning het Koninkrijk van God predikte.

Hoeveel mensen waren er aan boord van het schip van Paulus?

Er waren tweehonderdzesenzeventig mensen aan boord: "Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen" (Handelingen 27:37). Onder hen waren soldaten, scheepslieden, gevangenen en een paar reisgenoten van Paulus, zoals Aristarchus (Handelingen 27:2). Allen kwamen levend aan land, sommigen zwemmend, anderen op planken en stukken van het schip (Handelingen 27:44). Zo kwam uit wat God aan Paulus had beloofd: er zou geen verlies zijn van iemands leven, alleen van het schip.

Waarom kwamen alle opvarenden levend aan land?

Omdat God het beloofd had. Een engel van God zei tegen Paulus: "Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen" (Handelingen 27:24). Paulus geloofde dat en zei het tegen de anderen (Handelingen 27:25). Het leven van alle opvarenden was dus een gave om Paulus’ wil. Het slot van Handelingen 27 bevestigt het: "En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn" (Handelingen 27:44).

Stilde God de storm voor Paulus?

Nee. Dat wordt soms gedacht, omdat de Heere Jezus de storm op het meer stilde (Mattheüs 8:26). In Handelingen 27 houdt de storm ongeveer twee weken aan, en het schip gaat verloren. God had ook niet beloofd dat de zee kalm zou worden of dat het schip zou blijven, maar alleen dat niemand het leven zou verliezen: "maar alleen van het schip" (Handelingen 27:22). God bracht hen niet om de storm heen, maar erdoorheen.

Waar leed Paulus schipbreuk?

Op een eiland dat Melite heette (Handelingen 28:1). De gangbare opvatting is dat dit Malta is, ten zuiden van Sicilië. De Bijbel noemt geen plek op het eiland. Volgens de plaatselijke traditie liep het schip vast in de Sint-Paulusbaai, maar dat is overlevering. De tekst zegt alleen dat zij een inham met een oever zagen en op een plaats vastliepen die aan beide zijden zee had (Handelingen 27:39-41). Paulus bleef drie maanden op het eiland (Handelingen 28:11). Meer over het eiland staat bij de plaats Malta.

Waarom moesten de scheepslieden aan boord blijven, als God toch had beloofd dat iedereen gered zou worden?

Paulus zei tegen de hoofdman en de soldaten: "Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden" (Handelingen 27:31). Gods belofte maakte de middelen niet overbodig. God redde de opvarenden juist door ervaren zeelieden, die het schip de volgende morgen naar de kust stuurden. Zo zei Paulus ook dat de mannen moesten eten, "want dat dient tot uw behouding" (Handelingen 27:34). Vertrouwen op God en verstandig handelen staan in deze geschiedenis niet tegenover elkaar.

Vierde Paulus het avondmaal op het schip?

De tekst zegt dat Paulus brood nam, God dankte in aller tegenwoordigheid, het brak en begon te eten (Handelingen 27:35). Sommige uitleggers horen daarin een echo van de instelling van het avondmaal, omdat dezelfde handelingen genoemd worden. Andere uitleggers zien hier een gewone maaltijd: Paulus moedigde tweehonderdvijfenzeventig mensen aan om te eten, onder wie veel die Christus niet kenden. Wel is het opvallend dat hij openlijk God dankte. De mannen werden er goedsmoeds door en aten ook (Handelingen 27:36).

Waarom wilden de soldaten de gevangenen doden?

Zij waren bang dat een gevangene zou wegzwemmen en ontvluchten (Handelingen 27:42). Een bewaker stond in voor zijn gevangenen. Hoe zwaar dat woog, blijkt uit Handelingen 12:19: na de bevrijding van Petrus liet Herodes de wachters ondervragen en wegleiden. Ook de stokbewaarder in Filippi wilde zichzelf doden toen hij dacht dat de gevangenen gevlucht waren (Handelingen 16:27). De hoofdman Julius verhinderde het plan, omdat hij Paulus wilde behouden (Handelingen 27:43). Zo bleef ook het leven van de andere gevangenen gespaard.

Werd Paulus op Malta door een giftige slang gebeten?

De tekst zegt dat er door de hitte een adder uit de takken kwam, die zich aan de hand van Paulus vastzette en eraan bleef hangen (Handelingen 28:3-4). De bewoners verwachtten dat hij zou opzwellen of dood neervallen, dus zij hielden de slang voor giftig. "Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads" (Handelingen 28:5). Het woord gebeten gebruikt de tekst niet. De nadruk ligt op Gods bewaring: Paulus moest nog voor de keizer staan.

Hoe vaak leed Paulus schipbreuk?

In 2 Korinthe 11:25 schrijft Paulus: "driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht". Die brief schreef hij vóór zijn gevangenschap in Jeruzalem en Caesarea. Daarom wordt de schipbreuk bij Malta meestal als een vierde gezien. Over de eerdere schipbreuken vertelt de Bijbel verder niets. Handelingen 27 is de enige schipbreuk van Paulus die uitgebreid beschreven wordt.

Was Lukas bij de schipbreuk van Paulus?

De schrijver van Handelingen was er in elk geval zelf bij, want hij vertelt in de wij-vorm: "Wij waren nu in het schip" (Handelingen 27:37). Volgens een oude overlevering is die schrijver Lukas, die ook het evangelie naar Lukas schreef. Beide boeken zijn aan Theofilus gericht (Lukas 1:3 en Handelingen 1:1). In de brieven noemt Paulus Lukas als zijn medearbeider, samen met Aristarchus, die ook op het schip was (Filemon 1:24 en Handelingen 27:2). De Bijbel noemt de schrijver van Handelingen zelf niet bij naam.

Hoe vertelt u de schipbreuk van Paulus aan kinderen?

Op deze pagina staat een vertelling voor kinderen vanaf ongeveer 6 jaar. Geef de meeste ruimte aan de belofte van de engel en aan het geloof van Paulus: "ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal" (Handelingen 27:25). Voor jonge kinderen kunt u de reis tot Kreta overslaan en bij de storm beginnen. Vertel het plan van de soldaten in één zin. Laat het slot staan: allen komen behouden aan land, en op Malta bewaart God Paulus. De gespreksvragen zijn ingedeeld voor 4-7, 8-12 en 12-16 jaar.

Stel een vraag over De schipbreuk van Paulus

Wilt u meer weten over dit bijbelverhaal? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Verdiep u verder