Christen is een woord dat bijna iedereen kent. Soms betekent het niet meer dan dat iemand in een christelijk gezin opgroeide of als kind gedoopt is. De Bijbel en de belijdenis van de kerk geven het woord een diepere inhoud. Op deze pagina leest u waar de naam vandaan komt, wat de Bijbel en de Heidelbergse Catechismus erover zeggen, wanneer iemand werkelijk een christen is en wat alle christenen met elkaar delen.
Waar komt het woord christen vandaan?
Het woord christen komt van Christus, de titel van de Heere Jezus. Christus betekent Gezalfde; meer daarover leest u bij de betekenis van de naam Christus. Een christen is dus letterlijk iemand die bij de Gezalfde hoort.
De naam valt voor het eerst in Antiochië in Syrië. Daar was een grote gemeente ontstaan, want een groot getal geloofde en bekeerde zich tot de Heere (Handelingen 11:21). Barnabas en Saulus onderwezen er een heel jaar lang, en Lukas schrijft: 'dat de discipelen eerst te Antiochie Christenen genaamd werden' (Handelingen 11:26). Wie de naam bedacht, vermeldt Lukas niet; bedoeld waren de discipelen, de leerlingen van Jezus. Meer over deze gemeente leest u in de uitleg van Handelingen 11.
Daarna staat het woord nog maar twee keer in het Nieuwe Testament. Koning Agrippa zei na de verdediging van Paulus dat Paulus hem bijna bewoog een christen te worden (Handelingen 26:28). Petrus schrijft aan gelovigen die om hun geloof te lijden hadden: 'Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet' (1 Petrus 4:16). Christen zijn was toen dus geen vanzelfsprekend etiket. Het kon smaad en lijden kosten.
Wat is een christen volgens de Bijbel?
De Bijbel geeft geen woordenboekdefinitie. Zij laat zien wie een christen is: iemand die door het geloof met Christus verbonden is. Paulus beschrijft dat heel persoonlijk: 'Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij' (Galaten 2:20).
Die band is het werk van de Heilige Geest. Paulus schrijft dat wie de Geest van Christus niet heeft, Hem niet toebehoort (Romeinen 8:9). Een christen is daarom meer dan iemand met goede bedoelingen of christelijke gewoonten. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan (2 Korinthe 5:17). Wie in Christus blijft als een rank in de wijnstok, draagt veel vrucht (Johannes 15:5).
Daarbij hoort dat een christen een discipel is: een leerling die zijn Meester volgt. Christus zei tegen allen dat wie achter Hem wil komen, zichzelf moet verloochenen, dagelijks zijn kruis moet opnemen en Hem moet volgen (Lukas 9:23). Wat dat volgen inhoudt, leest u bij bijbelteksten over de navolging van Christus. Christen zijn is dus een band met een levende Persoon, en die band raakt het hele leven.
Wat betekent het deel te hebben aan de zalving van Christus?
Christus is door God gezalfd met de Heilige Geest (Handelingen 10:38). De catechismus zegt dat Hij zo gezalfd is tot Profeet, Priester en Koning (vraag 31). Opmerkelijk is dat de Bijbel ook de gelovigen gezalfd noemt. Johannes schrijft aan de gemeente: 'Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen' (1 Johannes 2:20). Die zalving is de Heilige Geest, Die Christus aan de Zijnen geeft. Daarom draagt een christen Zijn Naam: hij krijgt door het geloof deel aan Zijn zalving.
De Heidelbergse Catechismus werkt dat uit langs de drie ambten:
- Als profeet belijdt een christen de Naam van Christus. Christus belooft dat Hij wie Hem belijdt voor de mensen, ook zal belijden voor Zijn Vader (Mattheüs 10:32).
- Als priester geeft een christen zichzelf aan God als een levend dankoffer. Paulus vraagt de gelovigen hun lichamen te stellen tot een levende, heilige offerande (Romeinen 12:1).
- Als koning strijdt een christen met een vrij geweten tegen de zonde en de duivel, en zal hij eens met Christus regeren. Christus heeft de Zijnen gemaakt tot koningen en priesters voor God (Openbaring 1:6).
Petrus noemt de gemeente 'een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk' (1 Petrus 2:9). Dat geldt voor iedere gelovige, ook voor de eenvoudigste.
Wanneer is iemand een christen?
In Nederland noemen veel mensen zich christen omdat zij gedoopt zijn, kerkelijk getrouwd zijn of de christelijke feestdagen vieren. Soms spreekt men van cultuurchristenen: mensen die de christelijke traditie waarderen zonder zelf te geloven. De Heere Jezus waarschuwt dat de buitenkant niet genoeg is: 'Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen' (Mattheüs 7:21). Paulus spreekt over mensen die een gedaante van godzaligheid hebben en de kracht ervan verloochenen (2 Timotheüs 3:5).
Wanneer is iemand dan wel een christen? Als hij met het hart gelooft en met de mond belijdt dat Jezus de Heere is en dat God Hem uit de doden heeft opgewekt (Romeinen 10:9). Dat geloof is geen eigen prestatie. Wie Christus aannemen, krijgen macht om kinderen van God te worden, en zij zijn uit God geboren (Johannes 1:12-13).
Een christen is ook geen volmaakt mens. Paulus noemde zichzelf de voornaamste van de zondaren die Christus kwam zalig maken (1 Timotheüs 1:15). Een christen kent zijn zonden, strijdt ertegen en zoekt vergeving bij Christus alleen. De doop en het lidmaatschap van een kerk zijn waardevol: de doop als teken en zegel van Gods belofte, de kerk als plaats waar het Woord klinkt. Het geloof in Christus vervangen ze niet. Wie vreest dat hij geen echte christen is, mag met die vraag naar Christus Zelf gaan. Hij belooft dat Hij wie tot Hem komt, geenszins zal uitwerpen (Johannes 6:37). Spreek er ook gerust over met uw predikant of ouderling.
Wat hebben alle christenen gemeen?
Er zijn veel kerken: protestantse, rooms-katholieke en oosters-orthodoxe, en binnen elke stroming weer verschillende kerkverbanden. Toch belijden zij samen het geloof van de oude kerk. In het westen is dat samengevat in de Apostolische Geloofsbelijdenis, in het oosten in de Geloofsbelijdenis van Nicea: God de Vader, de Schepper van hemel en aarde; Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, Die geleden heeft, gekruisigd is, gestorven en opgestaan; de Heilige Geest; de heilige, algemene christelijke kerk, de vergeving van de zonden, de opstanding van het vlees en het eeuwige leven. Paulus wijst op die eenheid: 'Een Heere, een geloof, een doop' (Efeze 4:5).
Daarmee zijn de verschillen niet onbelangrijk: over de weg van de zaligheid, de sacramenten en het gezag van de traditie verschillen protestanten en rooms-katholieken wezenlijk. Meer daarover leest u bij het verschil tussen christen en katholiek. Wel blijft staan dat het woord christen breder is dan één kerk.
Er is ook een grens. Judas, de broeder van Jakobus, vermaant in zijn brief te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Judas 1:3). Wie de Drie-eenheid of de godheid van Christus loochent, staat buiten wat de kerk van alle eeuwen als christelijk geloof heeft beleden.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De kerk vat dit onderwijs samen in Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus. Na de vraag waarom Jezus Christus heet (vraag 31), volgt de vraag waarom de gelovige zelf een christen genoemd wordt. Het antwoord begint zo: 'Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 12, vraag 32). Daarna noemt de catechismus de drie kanten die hierboven aan bod kwamen: 'opdat ook ik Zijn Naam belijde, mijzelven Hem tot een levend dankoffer offere, en met een vrij geweten in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 12, vraag 32), en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere. De ik-vorm laat de lezer zelf antwoorden.
In Zondag 7 vraagt de catechismus wat een christen nodig heeft te geloven (vraag 22). Het antwoord wijst naar alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt, samengevat in de artikelen van het algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof: de Apostolische Geloofsbelijdenis. De Nederlandse Geloofsbelijdenis beschrijft in artikel 29 de kenmerken van christenen: zij geloven in Christus, vlieden de zonde, jagen de gerechtigheid na, hebben God en de naaste lief en kruisigen hun vlees. Zij doen dat in zwakheid, en zoeken hun toevlucht bij het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus. Zo sluit de belijdenis aan bij Johannes: wie zegt dat hij in Christus blijft, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft (1 Johannes 2:6).
'Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin' (Filippenzen 1:21)