Inleiding op Handelingen 11
Handelingen 11 vormt een cruciaal keerpunt in de geschiedenis van de vroege kerk. Dit hoofdstuk toont hoe het evangelie zich uitbreidt van de Joodse gemeenschap naar de heidenen, en hoe de eerste christelijke leiders worstelen met deze revolutionaire ontwikkeling. We zien Petrus die zijn handelen moet verdedigen, de geboorte van een bloeiende gemeente in Antiochië, en voor het eerst het gebruik van de naam 'christenen'.
Petrus verdedigt zijn handelen (verzen 1-18)
De kritiek uit Jeruzalem
Wanneer Petrus terugkeert in Jeruzalem na zijn bezoek aan Cornelius (zie Handelingen 10), wordt hij geconfronteerd met kritiek van Joodse gelovigen. Zij verwijten hem dat hij 'bij onbesnedenen is gegaan en met hen heeft gegeten' (vers 3). Deze reactie toont de diepe culturele en religieuze barrières die bestonden tussen Joden en heidenen.
Petrus' verdediging
Petrus reageert niet defensief, maar legt systematisch uit wat er is gebeurd. Hij vertelt over zijn visioen van het laken met verschillende dieren (verzen 5-10), de komst van de drie mannen uit Caesarea (vers 11), en hoe de Heilige Geest op Cornelius en zijn huisgenoten viel (verzen 15-16). Zijn conclusie is krachtig: 'Wie was ik dan, dat ik God zou kunnen tegenhouden?' (vers 17).