Handelingen 11 in het kort: Handelingen 11 heeft twee helften. In vers 1 tot 18 verantwoordt Petrus zich in Jeruzalem voor zijn bezoek aan de heidense hoofdman Cornelius; de gemeente erkent daarna dat God ook den heidenen de bekering heeft gegeven. In vers 19 tot 30 ontstaat de gemeente van Antiochië, waar de discipelen voor het eerst christenen genaamd werden en waar men geld inzamelt voor de hongersnood in Judea.
De kernverzen van Handelingen 11 in de Statenvertaling
Vers 17 Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?
Vers 18 En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!
Vers 26 En het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de Gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochie Christenen genaamd werden.
De dertig verzen van dit hoofdstuk leest u in de Statenvertaling op Handelingen 11; daar staat de stadsnaam als Antiochie geschreven. De Herziene Statenvertaling geeft dezelfde tekst in hedendaags Nederlands, zie de pagina over de HSV. Verwijzingen luiden Hand. 11 of Handelingen 11:1-30.
Inleiding op Handelingen 11
Handelingen 11 vormt een cruciaal keerpunt in de geschiedenis van de vroege kerk. Dit hoofdstuk toont hoe het evangelie zich uitbreidt van de Joodse gemeenschap naar de heidenen, en hoe de eerste christelijke leiders worstelen met deze revolutionaire ontwikkeling. We zien Petrus die zijn handelen moet verdedigen, de geboorte van een bloeiende gemeente in Antiochië, en voor het eerst het gebruik van de naam 'christenen'.