Inleiding tot Titus 1
Titus hoofdstuk 1 opent met Paulus' pastorale instructies aan zijn vertrouwde medewerker Titus, die hij op het eiland Kreta had achtergelaten om de gemeenten daar te organiseren. Dit hoofdstuk behandelt drie hoofdthema's: Paulus' apostolische autoriteit, de kwaliteiten voor gemeenteleiders, en de bedreiging van valse leraren.
Paulus' Apostolische Zending (vers 1-4)
Paulus begint met een uitgebreide beschrijving van zijn roeping als apostel. Hij noemt zichzelf "knecht van God en apostel van Jezus Christus" (vers 1). Deze dubbele titel benadrukt zowel zijn nederigheid als zijn autoriteit. Het doel van zijn zending is duidelijk: het geloof van Gods uitverkorenen te bevorderen en de kennis van de waarheid die tot godsvrucht leidt.
De verwijzing naar "het eeuwige leven" (vers 2) dat God "vóór alle eeuwen" heeft beloofd, benadrukt de eeuwigheidswaarde van het evangelie. Dit staat in contrast met de tijdelijke, wereldse belangen waar valse leraren zich mee bezighouden.
Kwaliteiten van Oudsten en Opzieners (vers 5-9)
Het middengedeelte van Titus 1 bevat een van de belangrijkste passages in het Nieuwe Testament over gemeenteleiderschap. Paulus geeft Titus de opdracht om "in elke stad oudsten aan te stellen" (vers 5), wat aantoont dat gedecentraliseerde leiding Gods plan was voor de kerk.
De kwaliteiten die Paulus noemt zijn zowel persoonlijk als geestelijk: