Elk jaar in de adventstijd klinkt de naam Immanuël weer: in de lezingen uit Jesaja en in het lied O kom, o kom, Immanuël. Toch weten veel mensen niet precies waar de naam vandaan komt en waarom hij bij Jezus hoort. Op deze pagina leest u wat de naam betekent, waar hij in de Bijbel staat, wat de belofte aan koning Achaz inhield, hoe het zit met de vertaling maagd en wat deze naam zegt over wie Christus is.
Wat is de betekenis van de naam Immanuël?
Immanuël is een Hebreeuwse naam die uit twee delen bestaat: immanu, met ons, en El, God. De betekenis is dus God met ons. Dat hoeven wij niet uit een woordenboek te halen, want de evangelist Mattheüs vertaalt de naam zelf voor zijn lezers: 'gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons' (Mattheüs 1:23).
Dezelfde woorden staan nog een keer bij Jesaja, niet als naam maar als belijdenis van het volk. Tegen de vijanden die Juda bedreigen, roept de profeet: 'spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons' (Jesaja 8:10). In het Hebreeuws staat daar hetzelfde immanu El. De naam is dus een korte belofte: God laat Zijn volk niet alleen.
Waar staat Immanuël (Emmanuël) in de Bijbel?
De naam komt in de Bijbel op drie plaatsen voor.
- Jesaja 7:14: de belofte van het teken, de maagd die een Zoon zal baren.
- Jesaja 8:8: de Assyriër zal Juda overstromen tot aan de hals, en de profeet spreekt het land daarbij aan als het land van Immanuël.
- Mattheüs 1:23: de engel brengt aan Jozef de boodschap over de geboorte van Jezus, en Mattheüs schrijft dat zo de profetie van Jesaja vervuld is.
Wie Immanuël of Emmanuël opzoekt, vindt dus twee schrijfwijzen voor dezelfde naam. Immanuël volgt het Hebreeuws van Jesaja, Emmanuël het Grieks van Mattheüs. De Statenvertaling gebruikt bij Jesaja de eerste vorm en bij Mattheüs de tweede. De betekenis van Emmanuël is precies dezelfde.
Wat betekende Jesaja 7:14 voor koning Achaz?
De belofte staat midden in een crisis. In de achtste eeuw voor Christus trekken de koningen van Syrië en Israël samen op tegen Jeruzalem (Jesaja 7:1). Het hart van koning Achaz en zijn volk beeft als de bomen in de wind (Jesaja 7:2). Jesaja moet de koning oproepen om op de HEERE te vertrouwen, en Achaz mag zelf een teken vragen. Hij weigert dat met vrome woorden (Jesaja 7:12), terwijl hij in werkelijkheid steun zoekt bij de koning van Assyrië (2 Koningen 16:7).
Dan geeft God Zelf een teken, gericht aan het hele huis van David: 'Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam Immanuël heten' (Jesaja 7:14). Het ongeloof van Achaz kan Gods belofte aan het huis van David niet tenietdoen. In de uitleg van Jesaja 7 leest u het hele hoofdstuk in zijn verband.
Hoe dit teken in de dagen van Achaz zelf werkte, daarover lezen uitleggers het hoofdstuk op twee manieren. Een deel ziet in vers 14 alleen een voorzegging van Christus; de tijdsaanduiding van vers 16 geeft dan aan hoe snel Syrië en Israël zouden vallen. Zo lezen ook de kanttekeningen bij de Statenvertaling het. Anderen zien een eerste vervulling in een kind dat in Jesaja's eigen tijd geboren werd, en de volle vervulling in Christus. Over het hoofdpunt zijn beide lezingen het eens: het teken van de maagd die een Zoon baart, is ten volle alleen in Maria uitgekomen, want Mattheüs zegt dat deze profetie in de geboorte van Jezus vervuld is (Mattheüs 1:22).
Maagd of jonge vrouw?
Sommige moderne vertalingen hebben in Jesaja 7:14 jonge vrouw in plaats van maagd. Het Hebreeuwse woord is almah, en dat betekent een jonge vrouw van huwbare leeftijd. Een eigen woord voor maagd heeft het Hebreeuws ook (betulah), en daarom zeggen sommigen dat Jesaja geen maagd bedoelde.
Toch gaat die conclusie te snel. In de Bijbel wordt almah gebruikt voor een jonge vrouw die nog niet getrouwd is, zoals Rebekka bij de bron en de zuster van Mozes (Exodus 2:8, in de Statenvertaling jonge maagd). Bij Rebekka geeft de Statenvertaling het woord weer met maagd: 'dat de maagd, die uitkomen zal om te putten' (Genesis 24:43). De Griekse vertaling van het Oude Testament die in de tijd van Jezus gelezen werd, de Septuagint, heeft in Jesaja 7:14 parthenos, het gewone woord voor maagd, en dat woord neemt Mattheüs over.
Beslissend is wat het Nieuwe Testament zelf zegt. Maria vraagt de engel hoe zij een kind kan krijgen, omdat zij geen man bekend heeft (Lukas 1:34). Het antwoord is: 'De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen' (Lukas 1:35). De kerk van alle eeuwen heeft daarom de leer afgewezen dat Jezus op een gewone manier verwekt zou zijn (vergelijk Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 18). Meer hierover leest u op de pagina over de vraag of Maria echt maagd was.
Waarom gaat de naam Immanuël over Jezus?
In het Nieuwe Testament wordt Jezus nergens met de roepnaam Immanuël aangesproken. Zijn naam is Jezus, 'want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden' (Mattheüs 1:21). Immanuël is geen roepnaam, wel een beschrijving van wie Hij is. In het Kind van Bethlehem is God Zelf bij Zijn volk gekomen. Johannes zegt het zo: 'En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond' (Johannes 1:14).
Jesaja zegt ook elders dat het beloofde Kind meer is dan een mens. Twee hoofdstukken verder noemt hij Zijn namen: 'Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst' (Jesaja 9:5). Daarom is Immanuël meer dan een vrome wens. Het betekent niet alleen dat God helpt of meeleeft, het betekent dat Hij in Christus werkelijk mens geworden is, zonder op te houden God te zijn. Waarom dat nodig was, leest u bij de vraag waarom God mens werd.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De Heidelbergse Catechismus spreekt hierover bij de woorden uit de twaalf artikelen ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. In Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 35) belijdt de kerk 'Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, heeft aangenomen'. Vraag 36 noemt de troost daarvan: Hij is onze Middelaar en bedekt met Zijn heiligheid de zonde waarin wij ontvangen en geboren zijn.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 18 dat God de belofte aan de vaderen door de mond van de profeten vervuld heeft (Jesaja 7:14; Mattheüs 1:22), toen Hij Zijn eigen Zoon in de wereld zond. Die Zoon nam een echte menselijke natuur aan, ontvangen in de schoot van de maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest. Artikel 19 voegt eraan toe dat de goddelijke en de menselijke natuur in de ene Persoon van Christus verenigd zijn, zonder vermenging en zonder scheiding. Zo vat de kerk samen wat de naam Immanuël zegt.
Wat betekent Immanuël in de adventstijd?
In de adventstijd zien christenen uit naar de komst van Christus: Zijn geboorte in Bethlehem en Zijn wederkomst. De naam Immanuël verbindt die twee. God kwam bij Zijn volk in de kribbe, en Christus belooft Zijn discipelen dat Hij bij hen blijft tot het einde (Mattheüs 28:20). Aan het eind van de Bijbel klinkt dezelfde belofte voor eeuwig: God Zelf zal bij Zijn volk wonen (Openbaring 21:3). Wie zich in deze donkere weken alleen voelt, mag weten dat deze naam geen wens is: in Christus is God met Zijn volk, ook vandaag.
Wie in deze weken de oude beloften wil lezen, vindt een keuze in de bijbelteksten voor advent. Zij laten zien dat God woord houdt, ook toen een koning als Achaz Hem niet geloofde.
'En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld' (Mattheüs 28:20)