Inleiding tot Jesaja 7
Jesaja hoofdstuk 7 behoort tot de meest bekende en theologisch belangrijke passages van het Oude Testament. Het bevat de beroemde Immanuël-profetie die door christenen door de eeuwen heen als een messiaanse belofte is gezien. Dit hoofdstuk speelt zich af tijdens een van de meest turbulente perioden in de geschiedenis van het koninkrijk Juda.
De historische crisis (verzen 1-2)
Het hoofdstuk opent met een beschrijving van een acute politieke crisis. Rezin, koning van Aram (Syrië), en Pekach, koning van Israël (het noordelijke koninkrijk), hebben zich verbonden tegen koning Achaz van Juda. Deze coalitie, door historici de Syrisch-Efraimitische coalitie genoemd, wilde Juda dwingen deel te nemen aan hun verzet tegen de opkomende macht van Assyrië.
De tekst beschrijft hoe "het hart van Achaz en het hart van zijn volk beefde, zoals de bomen van het woud beven voor de wind" (vers 2). Deze beeldspraak toont de intense angst die het koninklijke hof en het volk overviel bij het horen van deze dreiging.
Gods boodschap door Jesaja (verzen 3-9)
God instrueert Jesaja om koning Achaz te ontmoeten bij "het einde van de waterleiding van de bovenste vijver" (vers 3). Opmerkelijk is dat Jesaja zijn zoon Sear-jasjub meeneemt, wiens naam "een rest zal terugkeren" betekent - een symbolische boodschap op zich.